Einde inhoudsopgave
Besluit toelating en uitzetting BES
Artikel 5.30
Geldend
Geldend vanaf 10-10-2010
- Redactionele toelichting
Tekstplaatsing van het Toelatingsbesluit, zoals gewijzigd bij het KB van 30-09-2010, Stb. 382 en de Aanpassingsregeling Besluit toelating en uitzetting BES (30-09-2010, Stcrt. 15153). Tijdstip iwtr.: 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.
- Bronpublicatie:
27-09-2010, Stb. 2010, 564 (uitgifte: 01-10-2010, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
10-10-2010
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-09-2010, Stb. 2010, 389 (uitgifte: 01-01-2010, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Verblijf
1.
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2.
Van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 9, derde lid, onder f, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
- a.
die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren toelating in de openbare lichamen heeft gehad of verblijf als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst;
- b.
van twaalf jaar of jonger, die in de openbare lichamen is geboren en naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die
- 1°
sedert het moment van geboorte van de vreemdeling toelating tot verblijf in de openbare lichamen heeft of als Nederlander verblijft, of
- 2°
op het moment van de geboorte van de vreemdeling toelating tot verblijf in de openbare lichamen had op grond een rechterlijke beslissing en die sedertdien aansluitend toelating tot verblijf op grond van de Wet heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen heeft verplaatst;
- c.
die in de openbare lichamen verblijft en bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;
- d.
die een aanvraag indient voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet;
- e.
die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met de vreemdeling, bedoeld onder d, voor zover de gezinsband reeds bestond voordat de hoofdpersoon in de openbare lichamen hoofdverblijf had en er geen gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft;
- f.
die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaren ononderbroken hoofdverblijf in de openbare lichamen heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met toelating tot verblijf op grond van de Wet;
- g.
van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
3.
Onze Minister kan het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.