Einde inhoudsopgave
Circulaire wapens en munitie 2019
2.9 Airsoft sport
Geldend
Geldend vanaf 01-02-2020
- Bronpublicatie:
22-01-2020, Stcrt. 2020, 5669 (uitgifte: 31-01-2020, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-02-2020
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
22-01-2020, Stcrt. 2020, 5669 (uitgifte: 31-01-2020, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Wapens en munitie
Airsoft apparaten zijn wapens die vallen onder categorie I, onderdeel 7, van de WWM (‘voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen lijken, dat voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn’). Dergelijke wapens zijn in principe verboden. Met de wijziging van de Wet wapens en munitie per 1 mei 2012 is het op grond van artikel 4, eerste lid, van de wet mogelijk geworden om vrijstelling te geven dan wel ontheffing te verlenen voor wapens (en munitie) indien zij aangewend worden voor (onder andere) sportdoeleinden. Er is voor gekozen om airsoft apparaten vrij te stellen voor leden van door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende verenigingen die zich toeleggen op de uitoefening van de airsoft sport. Ook aspirant-leden en introducés van leden bedoelde verenigingen worden vrijgesteld van enkele in de WWM genoemde verboden handelingen. De vrijstelling geldt niet voor airsoft apparaten in de vorm van onder meer explosieven en soortgelijk andere verschijningsvormen.
Airsoft apparaten zijn veer-, gas- of luchtdrukwapens met een maximum schotkracht van 3.5 joules. Airsoft apparaten onderscheiden zich in die zin van veelal krachtiger categorie I, sub 7 en categorie IV veer-, gas- of luchtdrukwapens. Om te bepalen of sprake is van een airsoft apparaat zal echter primair gekeken moeten worden naar het voorkomen van het voorwerp: gelijkt het op een vuurwapen dat voor afschrikking geschikt is en beschikt het apparaat over een mechanisme (gas-, veer- of luchtdruk) waarmee projectielen (de ‘munitie’) kan worden uitgestoten Ook kan de bezitter van het voorwerp gevraagd worden naar zijn/haar bewijs van lidmaatschap (voorlopige lidmaatschapskaart voor aspirant-leden en een introducé-bewijs voor introducés) van een door de Minister erkende air- softsportvereniging. Indien deze getoond kan worden, is dat een extra aanwijzing dat het een airsoft apparaat betreft. Pas in laatste instantie, als onduidelijkheid blijft bestaan over de aard van het voorwerp, zal onderzoek moeten worden gedaan naar de schotkracht van het voorwerp.
Projectielen, verschoten met een lucht-, gas- of veerdrukwapen vormen geen munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Airsoftapparaten maken derhalve geen gebruik van munitie in de zin van de Wet wapens en munitie. Omtrent de ‘munitie’ van airsoftapparaten worden dan ook geen (aanvul- lende) regels gesteld.
Onbenoemd 2.9.1 Regels ten aanzien van de airsoft sportvereniging
Onbenoemd 2.9.2 Regels voor niet-ingezetenen van Nederland
Onbenoemd 2.9.3 Regels voor de handel in airsoft apparaten
Onbenoemd 2.9.4 Overige regels
Onbenoemd 2.9.5 Richtlijnen voor handhavers