Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2009/138/EG betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)
Artikel 228 Behandeling van specifieke verbonden ondernemingen uit andere financiële sectoren
Geldend
Geldend vanaf 28-01-2025
- Bronpublicatie:
27-11-2024, PbEU L 2025, 2025/2 (uitgifte: 08-01-2025, regelingnummer: 2025/2)
- Inwerkingtreding
28-01-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-11-2024, PbEU L 2025, 2025/2 (uitgifte: 08-01-2025, regelingnummer: 2025/2)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Ongeacht de overeenkomstig artikel 220 van deze richtlijn gehanteerde methode houdt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming bij de berekening van de groepssolvabiliteit rekening met de bijdrage aan het in aanmerking komend eigen vermogen van de groep en aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep van de volgende ondernemingen:
- a)
- b)
icbe-beheermaatschappijen in de zin van artikel 2, lid 1, punt b), van Richtlijn 2009/65/EG en beleggingsmaatschappijen waaraan op grond van artikel 27 van die richtlijn vergunning is verleend, op voorwaarde dat die geen beheermaatschappij op grond van die richtlijn hebben aangewezen;
- c)
beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (‘abi-beheerders’) in de zin van artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (1);
- d)
andere ondernemingen dan gereglementeerde ondernemingen die een of meer van de in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden uitoefenen, indien die werkzaamheden een aanzienlijk deel van hun totale werkzaamheid uitmaken;
- e)
instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de zin van artikel 6, punt 1, van Richtlijn (EU) 2016/2341.
2.
De bijdrage van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen aan het in aanmerking komend eigen vermogen van de groep wordt berekend als de som van het proportionele deel van het eigen vermogen van elke onderneming, waarbij dat eigen vermogen als volgt wordt berekend:
- a)
voor elke in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming overeenkomstig de desbetreffende sectorale voorschriften, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2002/87/EG;
- b)
voor elke in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt l), van Richtlijn 2009/65/EG;
- c)
voor elke in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt ad), van Richtlijn 2011/61/EU;
- d)
- e)
voor elke in lid 1, punt e), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming de beschikbare solvabiliteitsmarge berekend overeenkomstig artikel 16 van Richtlijn (EU) 2016/2341.
Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid wordt het bedrag van het eigen vermogen van elke verbonden onderneming dat overeenstemt met niet-uitkeerbare reserves en andere bestanddelen die volgens de groepstoezichthouder een verminderd verliescompensatievermogen hebben, alsook preferente aandelen, achtergestelde rekeningen van leden van onderlinge waarborgmaatschappijen, achtergestelde verplichtingen en uitgestelde belastingvorderingen, die in het eigen vermogen zijn opgenomen bovenop de overeenkomstig lid 3 berekende kapitaalvereisten, niet in aanmerking genomen, tenzij de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming naar tevredenheid van de groepstoezichthouder kan aantonen dat die bestanddelen beschikbaar kunnen worden gesteld om het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep te dekken. Bij het bepalen van de samenstelling van het eigen vermogen op overschot houdt de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming er rekening mee dat bepaalde vereisten van bepaalde verbonden ondernemingen alleen met Tier 1-kernkapitaal of aanvullend Tier 1-kapitaal in de zin van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden vervuld.
3.
De bijdrage van de in lid 1 bedoelde verbonden ondernemingen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep wordt berekend als de som van het proportionele deel van het kapitaalvereiste of fictieve kapitaalvereiste van elke verbonden onderneming. Dat kapitaalvereiste of fictieve kapitaalvereiste wordt als volgt berekend:
- a)
voor in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde verbonden ondernemingen, overeenkomstig het volgende:
- i)
voor elke beleggingsonderneming die onderworpen is aan eigenvermogensvereisten overeenkomstig Verordening (EU) 2019/2033, de som van het vereiste van artikel 11 van die verordening, de in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad (2) bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten of de lokale eigenvermogensvereisten in derde landen;
- ii)
voor elke kredietinstelling, het hoogste van de volgende bedragen:
- 1)
de som van het vereiste van artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van de in de artikelen 458 en 459 van die verordening bedoelde maatregelen, de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn omschreven gecombineerde buffervereiste, of de lokale eigenvermogensvereisten in derde landen;
- 2)
de som van de vereisten van artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, met inbegrip van de in de artikelen 458 en 459 van die verordening bedoelde maatregelen, de in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke eigenvermogensvereisten voor het ondervangen van het risico van buitensporige hefboomwerking, het hefboomratiobuffervereiste van artikel 92, lid 1 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013, of de lokale eigenvermogensvereisten in derde landen in zoverre met Tier 1-kapitaal aan die vereisten moet worden voldaan;
- b)
voor elke in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/65/EG;
- c)
voor elke in lid 1, punt c), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2011/61/EU;
- d)
voor elke in lid 1, punt d), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming het kapitaalvereiste waaraan de verbonden onderneming zou moeten voldoen uit hoofde van de desbetreffende sectorale voorschriften, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2002/87/EG indien zij een gereglementeerde entiteit was in de zin van artikel 2, punt 4, van die richtlijn;
- e)
voor elke in lid 1, punt e), van dit artikel bedoelde verbonden onderneming de hoogste van de vereiste solvabiliteitsmarge berekend overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn (EU) 2016/2341 en het totaal van de kapitaalvereisten uit hoofde van het nationale recht van de lidstaten waar de verbonden onderneming is geregistreerd of een vergunning heeft.
4.
Wanneer verscheidene in lid 1 van dit artikel bedoelde verbonden ondernemingen een subgroep vormen waarvoor een kapitaalvereiste op geconsolideerde basis geldt overeenkomstig een van de in lid 3 van dit artikel bedoelde richtlijnen of verordeningen, inclusief wanneer een financiële holding in de zin van artikel 4, lid 1, punt 20), van Verordening (EU) nr. 575/2013, of een gemengde financiële holding een dochteronderneming is van een groep, kan de groepstoezichthouder verlangen dat de bijdrage van die verbonden ondernemingen aan het in aanmerking komend eigen vermogen van de groep wordt berekend als het proportionele deel van het eigen vermogen van die subgroep, in plaats van toepassing van lid 2, punten a) tot en met e), van dit artikel op elke individuele onderneming die tot die subgroep behoort. In dat geval berekent de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming ook de bijdrage van die verbonden ondernemingen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep als het proportionele deel van het kapitaalvereiste van die subgroep, in plaats van toepassing van lid 3, punten a) tot en met e), van dit artikel op elke individuele onderneming die tot die subgroep behoort. Alle financiële instellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook ondernemingen die nevendiensten verrichten in de zin van punt 18) van dat lid, die tot de subgroep behoren, worden opgenomen in de berekening van het eigen vermogen en de kapitaalvereisten van de subgroep.
Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid zijn de leden 2 en 3, van dit artikel van toepassing op de specifieke subgroep, op basis van de geconsolideerde situatie ervan in de zin van hetzij artikel 4, lid 1, punt 47), van verordening (EU) nr. 575/2013, hetzij artikel 4, lid 1, punt 11), van Verordening (EU) 2019/2033, of op basis van de geconsolideerde positie ervan, al naargelang het geval.
5.
Niettegenstaande de leden 1 tot en met 4 staan de lidstaten hun toezichthoudende autoriteiten evenwel toe om, indien zij met betrekking tot een bepaalde groep de rol van groepstoezichthouder vervullen, op verzoek van de deelnemende onderneming of op eigen initiatief te besluiten een in lid 1, punten a) tot en met d), bedoelde deelneming van het voor de groepssolvabiliteit van de deelnemende onderneming in aanmerking komend eigen vermogen af te trekken.
Voetnoten
Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64)..