Einde inhoudsopgave
Richtlijn 91/676/EEG inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Nitraatrichtlijn)
Bijlage III
Geldend
Geldend vanaf 02-03-2026
- Bronpublicatie:
09-02-2026, PbEU L 2026, 2026/288 (uitgifte: 10-02-2026, regelingnummer: 2026/288)
- Inwerkingtreding
02-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
09-02-2026, PbEU L 2026, 2026/288 (uitgifte: 10-02-2026, regelingnummer: 2026/288)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
Overheidsfinanciën / Algemeen
Maatregelen die in actieprogramma's als bedoeld in artikel 5, lid 4, onder a), moeten worden opgenomen
1
Deze maatregelen behelzen voorschriften betreffende:
- 1.
de periodes waarin het op of in de bodem brengen van bepaalde soorten meststoffen verboden is;
- 2.
de opslagcapaciteit van tanks voor dierlijke mest; deze moet groter zijn dan die welke vereist is voor de langste periode waarin het op of in de bodem brengen van mest in de betrokken kwetsbare zone verboden is, behalve wanneer ten genoegen van de bevoegde instantie kan worden aangetoond dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het milieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd;
- 3.
beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijken en rekening houdend met de kenmerken van de betrokken kwetsbare zone, met name:
- a)
bodemgesteldheid, grondsoort en schuinte van hellingen;
- b)
klimaatomstandigheden, neerslag en irrigatie;
- c)
landgebruik en landbouwpraktijken, waaronder vruchtwisselingssystemen, en gebaseerd op een balans tussen:
- i)
de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen, en
- ii)
de stikstoftoevoer naar de gewassen uit de bodem en uit bemesting die overeenkomt met:
- —
de hoeveelheid stikstof die in de bodem aanwezig is op het moment dat het gewas begint het in significante mate te gebruiken (aanwezige hoeveelheden aan het eind van de winter);
- —
de toevoer van stikstof door de nettomineralisatie van de voorraden organische stikstof in de bodem;
- —
toevoeging van stikstofverbindingen uit dierlijke mest;
- —
toevoeging van stikstofverbindingen uit kunstmest en andere meststoffen.
2
Deze maatregelen moeten waarborgen dat de elk jaar op of in de bodem gebrachte hoeveelheid dierlijke mest, met inbegrip van die welke door de dieren zelf wordt opgebracht, voor elk landbouw- of veehouderijbedrijf een bepaalde hoeveelheid per hectare niet overschrijdt.
Deze bepaalde hoeveelheid per hectare is de hoeveelheid mest die 170 kg N bevat. De Lid-Staten mogen evenwel:
- a)
voor het eerste actieprogramma van vier jaar een maximaal 210 kg N bevattende hoeveelheid dierlijke mest toestaan;
- b)
gedurende en na het eerste actieprogramma van vier jaar andere hoeveelheden dan de bovengenoemde vaststellen. Deze hoeveelheden moeten zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 genoemde doelstellingen, en zij moeten worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria, bij voorbeeld:
- —
lange groeiperiodes;
- —
gewassen met hoge stikstofopname;
- —
hoge nettoneerslag in de kwetsbare zone;
- —
bodems met een uitzonderlijk hoog denitrificatievermogen.
- c)
het gebruik toestaan, boven de in deze alinea vastgestelde hoeveelheid van 170 kg stikstof per hectare per jaar en tot een afzonderlijke extra grenswaarde van 80 kg stikstof per hectare per jaar, van bepaalde bemestingsmaterialen uit dierlijke mest die een verwerking hebben ondergaan, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
het bestanddeel dierlijke mest van het bemestingsmateriaal heeft een behandelingsproces ondergaan dat leidt tot een verhoogde concentratie van stikstof in minerale vorm, ureumstikstof of kristalgebonden stikstof, uitgedrukt in een gewichtspercentage van de totale stikstof ten opzichte van de input voor het behandelingsproces, met een van de volgende eindproducten:
- 1)
een ammoniumzout (scrubzout), verkregen uit een gaszuiverings- of emissiebeheersingsproces om ammoniak te verwijderen uit afgassen;
- 2)
een mineralenconcentraat verkregen door omgekeerde osmose;
- 3)
een stikstofrijk fosfaatzout (struviet), verkregen door precipitatie uit dierlijke mest;
- ii)
de bemestingsmaterialen vertonen een consistente kwaliteit in alle charges en hebben een verhouding minerale stikstof ten opzichte van totale stikstof van ten minste 90 % of een verhouding organisch gebonden koolstof ten opzichte van totale stikstof van niet meer dan 3, waarbij in beide gevallen correcties worden aangebracht voor stikstof afkomstig van bestanddelen die niet afkomstig zijn van mest en die meer dan 3 % stikstof bevatten op basis van de droge stof;
- iii)
de bemestingsmaterialen overschrijden de volgende bovengrenzen niet:
- —
koper (Cu): 300 mg kg−1 droge stof;
- —
zink (Zn): 800 mg kg−1 droge stof;
- iv)
pathogenen in de bemestingsmaterialen die meer dan 1 % organische koolstof bevatten, overschrijden de volgende bovengrenzen niet:
Micro-organismen waarop moet worden getest
Bemonsteringsplannen
Grenswaarde
n
c
m
M
Salmonella spp.
5
0
0
Afwezig in 25 g of 25 ml
Escherichia coli of enterokokken
5
5
0
1 000 in 1 g of 1 ml
waarbij:
n
=
aantal te testen monsters,
c
=
aantal monsters waarvan het aantal bacteriën uitgedrukt in kolonievormende eenheden (kve) tussen m en M ligt,
m
=
drempelwaarde voor het aantal bacteriën uitgedrukt in kve dat bevredigend wordt geacht,
M
=
maximumwaarde voor het aantal bacteriën uitgedrukt in kve.
- v)
de lidstaten passen strikte kwaliteitsnormen toe om een consistent nutriëntengehalte in bemestingsmaterialen te waarborgen in alle productiecharges, in overeenstemming met de criteria van punt ii);
- vi)
de lidstaten zien erop toe dat het bemestingsmateriaal vergezeld gaat van documentatie met informatie over het gehalte aan stikstof (N) en fosfaten (P2O5), wanneer de concentratie van een van die elementen hoger is dan 1 % droge stof, met een maximale afwijking van 25 % van de aangegeven waarde;
- vii)
de lidstaten zien erop toe dat de veestapel en de mestproductie niet toenemen als gevolg van de toepassing van dit punt, i) op nationaal niveau wanneer het stikstofgehalte van de totale jaarlijkse nationale mestproductie per hectare cultuurgrond hoger is dan 75 % van de in deze alinea vastgestelde grenswaarde van 170 kg N per hectare, en ii) op het niveau van de territoriale eenheden op NUTS 2-niveau waarin de toelating wordt verleend, wanneer het stikstofgehalte van de totale jaarlijkse mestproductie per hectare cultuurgrond in die territoriale eenheden hoger is dan 75 % van de in deze alinea vastgestelde grenswaarde van 170 kg N per hectare;
- viii)
de lidstaten verscherpen de in punt 1.3 van deze bijlage vastgestelde beperkingen op het op of in de bodem brengen van meststoffen (bemestingspercentages) om rekening te houden met het verhoogde risico op de afvoer van stikstof naar het water en de lucht als gevolg van het gebruik van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt, en passen voor dergelijke materialen een gelijkwaardigheidscoëfficiënt voor minerale meststoffen toe die gelijk is aan 1. Voor zover mogelijk zien de lidstaten toe op de instandhouding van een vegetatiedek of gelijkwaardige maatregelen op bodems waarop of waarin bemestingsmaterialen worden gebracht die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt; de lidstaten zien erop toe dat, in voorkomend geval om het verlies van ammoniak uit landbouwgrond te voorkomen, passende voorzorgsmaatregelen worden genomen bij het op of in de bodem brengen van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt, met name door injectie, onmiddellijke inwerking van bovengronds opgebrachte materialen of gelijkwaardige maatregelen;
- ix)
de lidstaten nemen maatregelen om emissies, met inbegrip van emissies in lucht, die het gevolg zijn van de opslag van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv), zo veel mogelijk te voorkomen door passende opslagvoorwaarden en -vereisten voor dergelijke materialen vast te stellen;
- x)
de lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het gebruik van bemestingsmaterialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt geen afbreuk doet aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (1) en van de Richtlijnen 2000/60/EG (2), (EU) 2016/2284 (3), (EU) 2020/2184 (4) en 2008/50/EG (5) van het Europees Parlement en de Raad voor zover de maatregelen van het actieprogramma relevant zijn voor die richtlijnen. De lidstaten nemen maatregelen om negatieve effecten in en rond Natura 2000-gebieden en in de nabijheid van drinkwateronttrekkingspunten te voorkomen, overeenkomstig respectievelijk Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn (EU) 2020/2184.
Wanneer de lidstaten dit punt van de tweede alinea toepassen, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Daarnaast rapporteren zij, als onderdeel van het in artikel 10 bedoelde verslag, over de toepassing ervan, met inbegrip van jaarlijkse gegevens over de hoeveelheid geproduceerde materialen die voldoen aan de voorwaarden van de punten i) tot en met iv) van dit punt en over de veedichtheid en mestproductie op nationaal niveau en op het niveau van de territoriale eenheden op NUTS 2-niveau zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (6).
Indien een lidstaat krachtens punt b) van de tweede alinea een andere hoeveelheid toestaat, doet hij daarvan mededeling aan de Commissie, die de motivering volgens de regelgevingsprocedure van artikel 9, lid 2, bestudeert.
3
De Lid-Staten kunnen de in punt 2 genoemde hoeveelheden berekenen op basis van aantallen dieren.
4
De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop zij de bepalingen van punt 2 toepassen. In het licht van de ontvangen informatie kan de Commissie, indien zij dit noodzakelijk acht, overeenkomstig artikel 11 passende voorstellen aan de Raad voorleggen.
Voetnoten
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj).
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).
Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/2284/oj).
Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 435 van 23.12.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2020/2184/oj).
Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/50/oj). EU-richtlijn luchtkwaliteit, zoals gewijzigd in 2024.
Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1059/oj)..