Einde inhoudsopgave
Wet op het financieel toezicht
Artikel 3A:20d Reikwijdte opschorting en motivering
Geldend
Geldend vanaf 25-03-2026
- Bronpublicatie:
11-03-2026, Stb. 2026, 60 (uitgifte: 24-03-2026, kamerstukken: 36822)
- Inwerkingtreding
25-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
16-03-2026, Stb. 2026, 61 (uitgifte: 24-03-2026, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
De Nederlandsche Bank betrekt bij haar afweging of zij tot opschorting besluit in ieder geval:
- a.
de gevolgen die de opschorting kan hebben voor het ordelijk functioneren van de financiële markten; en
- b.
de rechten van de schuldeisers die zij zouden hebben gehad indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan een besluit als bedoeld in artikel 3A:20b, eerste lid, in een faillissement zou zijn geliquideerd.
2.
De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels.
3.
De Nederlandsche Bank schort betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid, in het bijzonder betalingsverplichtingen of leveringsverplichtingen die voortvloeien uit gedekte deposito’s van natuurlijke personen en micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen, slechts dan op wanneer dat gepast is als bedoeld in artikel 33 bis, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
4.
Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben.