Noodweerexces is een disproportioneel verdedigend optreden tegen een wederrechtelijke aanval.
Het is invoelbaar dat iemand die plotseling wederrechtelijk wordt aangevallen dusdanig geëmotioneerd kan raken dat hij niet meer geheel in staat is de proportionaliteitsgrens in acht te nemen. De wetgever heeft hier ook begrip voor gehad door in het tweede lid van art. 41 Sr een schulduitsluitingsgrond (meer bepaald een verontschuldigingsgrond) op te nemen:
“Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
Een disproportioneel verdedigend optreden is weliswaar wederrechtelijk en dus strafbaar, doch het verwijt dat de verdediger hiervoor kan worden gemaakt is – wanneer is voldaan aan de vereisten van art. 41 lid 2 Sr – dusdanig klein dat hij vanuit speciaal- noch generaal preventieve doelen behoeft te worden gestraft. Daarbij is uiteraard ook van groot belang dat de oorspronkelijke aanvaller door zijn aanval te plaatsen in overwegende mate zelf schuldig is aan het disproportionele verdedigend optreden dat hij te verwerken kreeg. Het gaat bij noodweerexces dus – kort gezegd – om de vraag in hoeverre het (nog) redelijk is de overreactie van de verdediger voor rekening van de oorspronkelijke aanvaller te laten komen.
HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2413: verdediger was “ongelooflijk boos”: noodweerexces?
HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:319: verdediger met PTSS; overreactie onmiddellijk gevolg aanval?
HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2093:een onmiddellijk gevolg van een door de daaraan voorafgaande aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Literatuur
R. ter Haar, ‘Proportionaliteit en noodweerexces: over de grenzen van het noodweerrecht en de verantwoordelijkheid van de aanvaller voor de overschrijding van die grenzen’, TPWS 2018/62.
R. ter Haar en G.H. Meijer, ‘Het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake noodweer nader beschouwd (ECLI:NL:HR:2016:456)’, TPWS 2016/49;
R. ter Haar en S.E. van den Brink, ‘Het ‘overvallersrisico’: de (on)duidelijkheid over de grenzen van de noodweerhandeling’, TPWS 2014/24;
J.M. ten Voorde, ‘Noodweerexces in ontwikkeling’, Strafblad 2009, p. 548-559;
J.H. Blomsma en A.H. Klip, ‘Noodweer en Noodweerexces’, DD 2009/13 (afl. 2, p. 156-174);
A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht: een rechtsvergelijkende en dogmatische studie (diss. Vrije Universiteit Amsterdam), Amsterdam: uitg. Stichting Onderzoek Recht en Beleid 1986.
mr. R. ter Haar
Meer over R. ter Haar
mr. S.E. van den Brink
Meer over S.E. van den Brink
Noodweerexces is een disproportioneel verdedigend optreden tegen een wederrechtelijke aanval.
Het is invoelbaar dat iemand die plotseling wederrechtelijk wordt aangevallen dusdanig geëmotioneerd kan raken dat hij niet meer geheel in staat is de proportionaliteitsgrens in acht te nemen. De wetgever heeft hier ook begrip voor gehad door in het tweede lid van art. 41 Sr een schulduitsluitingsgrond (meer bepaald een verontschuldigingsgrond) op te nemen:
“Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
Een disproportioneel verdedigend optreden is weliswaar wederrechtelijk en dus strafbaar, doch het verwijt dat de verdediger hiervoor kan worden gemaakt is – wanneer is voldaan aan de vereisten van art. 41 lid 2 Sr – dusdanig klein dat hij vanuit speciaal- noch generaal preventieve doelen behoeft te worden gestraft. Daarbij is uiteraard ook van groot belang dat de oorspronkelijke aanvaller door zijn aanval te plaatsen in overwegende mate zelf schuldig is aan het disproportionele verdedigend optreden dat hij te verwerken kreeg. Het gaat bij noodweerexces dus – kort gezegd – om de vraag in hoeverre het (nog) redelijk is de overreactie van de verdediger voor rekening van de oorspronkelijke aanvaller te laten komen.
Documenten bij dit thema
Wetgeving
Art. 41 lid 2 Sr
Standaardarrest
HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond
Belangrijkste uitspraken
HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2413: verdediger was “ongelooflijk boos”: noodweerexces?
HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:319: verdediger met PTSS; overreactie onmiddellijk gevolg aanval?
HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2093:een onmiddellijk gevolg van een door de daaraan voorafgaande aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Literatuur
R. ter Haar, ‘Proportionaliteit en noodweerexces: over de grenzen van het noodweerrecht en de verantwoordelijkheid van de aanvaller voor de overschrijding van die grenzen’, TPWS 2018/62.
R. ter Haar en G.H. Meijer, ‘Het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake noodweer nader beschouwd (ECLI:NL:HR:2016:456)’, TPWS 2016/49;
R. ter Haar en S.E. van den Brink, ‘Het ‘overvallersrisico’: de (on)duidelijkheid over de grenzen van de noodweerhandeling’, TPWS 2014/24;
J.M. ten Voorde, ‘Noodweerexces in ontwikkeling’, Strafblad 2009, p. 548-559;
J.H. Blomsma en A.H. Klip, ‘Noodweer en Noodweerexces’, DD 2009/13 (afl. 2, p. 156-174);
A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht: een rechtsvergelijkende en dogmatische studie (diss. Vrije Universiteit Amsterdam), Amsterdam: uitg. Stichting Onderzoek Recht en Beleid 1986.
Naslag
J.M. ten Voorde, in: T&C Strafrecht, art. 41 Sr;
A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, commentaar op art. 41 Sr.
Verwante onderwerpen
Noodweer