Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/5.6.4
5.6.4 European Payments Tax
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS296834:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Terra 1984, p. 71, noot 46.
Art. 269 EG bepaalt dat de begroting van de Gemeenschap volledig wordt gefinancierd uit eigen middelen, gekoppeld aan de draagkracht van de lidstaten.
Ter vergelijking: de totale ontvangsten van belastingen en premie volksverzekeringen in Nederland belopen ongeveer € 157 miljard (2006). Kamerstukken II 2005/06, 30 300, nr. 1, p. 106. KamerstukkenII 2006/07, 30 800, nr. 1 bijlage 3. Kamerstukken II 2006/07, 30 955, nr. 2, p. 21.
Zie voor de bijdragen van de EU25 aan de Gemeenschap: Kamerstukken II 2006/07, 30 955, nr. 2, p. 71, Overzicht 23, Eigen middelen van de EU, naar afdracht per lidstaat in 2002–2005. Bekend zijn de discussies van het miljard van Zalm (2006) en de jarenlang herhaalde uitspraak van de Britse premier Margaret Thatcher: ‘I want my money back’.
In de oneindige zoektocht naar nieuwe stabiele en belastinggrondslagen die zorgen voor een betere verdeling van de belastingdruk en de administratievelastendruk verlagen, hebben wij in de eerste helft van het vorige decennium de optie van accijnsheffing van betalingen veelvuldig uitgedragen en ten slotte aan het papier toevertrouwd. W.M.G. Visser, Een duurzame samenleving; vaste waardenlangs fiscale weg, Christen Democratische Verkenningen 9/96, p. p. 501. W.M.G. Visser, Deugden ontlasten, ondeugden belasten, Christen Democratische Verkenningen 7/8/97, p. p. 379. Kamerstukken II 1997/98, 25 810 Bijlagen, p. D90. W.M.G. Visser, Van arbeid naar betaling, Column, Tribuut oktober 2004, p. 11. Intussen hebben ook anderen de gedachte omarmd: H. Vording, Internet en de transactiebelasting, WFR 1997/100. Edgar L. Feige, Taxation for the 21st Century: the automated paymenttransaction (APT) tax, Economic Policy, 31, oktober 2000, p. 475-511.
Richtlijn 2000/12/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEg 2000, L 275).
Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEg 2000, L 275).
Richtlijn 2000/12/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEg 2000, L 275).
Personen aan wie een specifieke vergunning is verleend om binnen de Gemeenschap betaaldiensten tot E 50.000 per transactie aan te bieden en te verrichten. Voorstel voor een Richtlijn van het EP en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/12/EG en 2002/65/EG (door de EC ingediend), Brussel: 1 december 2005, COM(2005)603 def., 2005/0245 (COD), p. 9.
Vgl. overweging 26 van de condiderans van het voorstel voor een Richtlijn van het EP en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/12/EG en 2002/65/EG (door de EC ingediend), Brussel: 1 december 2005, COM(2005)603 def., 2005/0245 (COD), p. 18-19.
De kosten van het betalingsverkeer bedragen binnen de Gemeenschap 2% BNP. Het BNP van de Gemeenschap bedraagt $ 13.926.873 miljoen (IMF, 2005), dat wil zeggen: € 11.605 miljard; 2% daarvan is € 232 miljard. Het betalingsverkeer omvat jaarlijks ruim 231 miljard transacties (231 miljard betaaltransacties in het massale betalingsverkeer (retailbetalingsverkeer) per jaar (2005) (zie: Voorstel voor een Richtlijn van het EP en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/12/EG en 2002/65/EG (door de EC ingediend), Brussel: 1 december 2005, COM(2005)603 def., 2005/0245 (COD), p. 3) plus 130 miljoen transacties in het hoogwaardig betalingsverkeer (2005) (ECB statistieken 2005). Derhalve bedragen de gemiddelde transactiekosten € 1.
Empirische elasticiteiten en gegevens over prijzen en marges van financiële diensten zijn volgens diverse schrijvers nauwelijks beschikbaar (W. Bolt en C.C.A. Winder, Particulieren betalen voor het betalen, ESB 23 augustus 2002, p. 604. Hoge Raad van Financiën (2001), p. 52. Huizinga 2002, p. 517. Feige 2000, p. 8. Avanidhar Subrahmanyam, Transaction Taxes and Financial Market Equilibrium, University of California, Los Angeles, Journal of business, 1998, vol. 71, no. 1, p. 81-107. Nederlandse Mededingingsautoriteit, Monitor Financiële Sector 2005, Inzichten van de NMa over de mededinging in de financiële sector, Den Haag: 2005, p. 73). Broekman en Van Vliet 1998 noemen voor Nederland een elasticiteit van -0,5, vergelijkbaar met -0,6 voor de US (P. Broekman en W.N. van Vliet, Winstbelasting en kapitaalstromen in de EU, Rotterdam: 1998). De Belgische Hoge Raad van Financiën (2001) gaat (1) voor de interbancaire transacties uit van initiële transactiekosten van 0,02% en van een hoge elasticiteit van -1,5 tot -1,75, (2) voor transacties met andere financiële instellingen van initiële transactiekosten van 0,05% en een elasticiteit van -1 tot -1,1, en (3) voor de retailmarkt van hogere initiële transactiekosten van 0,10% en een inelasticiteit van -0,5 tot -0,55 (Hoge Raad van Financiën (2001), p. 53 en 57). Huizinga 2002 gaat uit van elasticiteiten van effectenmarkttransacties tussen 0 en -1 (Huizinga 2002, p. 519. Huizinga 2002, p. 517 noemt daarnaast nog -0,26, -0,70 en -1,0 voor de effectenmarkten in respectievelijk de US, Londen en Stockholm).Subrahmanyam 1998 gaat uit van een veel mindere belastinggevoeligheid van kortetermijntransacties dan van langeretermijntransacties. Subrahmanyam 1998 en Gümbel 2000 laten zien dat een effectentransactiebelasting het aantal langeretermijneffectentransacties ten detrimente van de maatschappelijk minder zinvolle kortetermijneffectentransacties doet toenemen waardoor transacties met meer speculatief karakter afnemen, transacties met vaste waarden toenemen en financiële markten aan stabiliteit winnen (Avanidhar Subrahmanyam, Transaction Taxes and Financial Market Equilibrium, University of California, Los Angeles: 1998, p. 105. Alexander Gümbel, Myopic Traders, Efficiency and Taxation, University of Oxford Saïd Business School and Lincoln College Oxford, 2000). Pollin, Baker en Schaberg 2002 noemen een prijselasticiteit van -0,26 voor aandelentransacties en onstuimig variërende elasticiteiten van -0,116 tot -2,72 voor futures (Robert Pollin, Dean Baker, Marc Schaberg, Securities Transaction Taxes for U.S. Financial Markets, Political Economy Research Institute, University of Massachusetts Amherst, Workingpaper series, no. 20, 2002, p. 33).Bolt, Humphrey en Uittenbogaard 2005 berekenen prijselasticiteiten van -0,06 voor het gebruik van debitcards (pinpasbetalingen) en van -0,44 voor electronische girale transacties (Bolt, Wilko, David Humphrey and Roland Uittenbogaard, The Effect of Transaction Pricing on the Adoption of Electronic Payments: A Cross-Country Comparison, DNB, Amsterdam 2005, p. 14). Gegeven deze prijs- elasticiteiten zullen financiële diensten tussen financiële instellingen waarvan de kosten verhoudingsgewijs laag zijn, meer dan evenredig aan de kostprijsverhoging afnemen, en financiële diensten in andere segmenten evenredig of minder dan evenredig. Habermeier en Kirilenko 2003 beredeneren dat transactiebelastingen in de meeste gevallen negatieve effecten kunnen hebben op prijsvorming en -ontwikkeling en op marktliquiditeit en leiden tot een afname van efficiency op markten, maar spreken zich niet uit over de mogelijke omvang van deze effecten529.. Pollin, Baker en Schaberg 2002 concluderen dat effectenmarkten, waar in sommige segmenten sprake is van hogere dan gemiddelde elasticiteiten, een transactiebelasting van 0,5% goed kunnen absorberen (Robert Pollin, Dean Baker, Marc Schaberg, Securities Transaction Taxes for U.S. Financial Markets, Political Economy Research Institute, University of Massachusetts Amherst, Workingpaper series, no. 20, 2002, p. 25). Gemiddeld genomen zullen, gegeven de prijselasticiteit van -0,6 voor alle financiële markten bijeen (P. Broekman en W.N. van Vliet, Winstbelasting en kapitaalstromen in de EU, Rotterdam 1998), deze effecten echter slechts in geringe omvang optreden. Zoals verderop uit berekeningen blijkt, bedraagt het waardevolume van het betalings- en ontvangstenverkeer in de Gemeenschap € 600.000 miljard (2005). Bij een prijselasticiteit van -0,6 en een prijsstijging van 0,44% is de afname van de gevraagde hoeveelheid 0,26%. Omdat dit een nauwelijks significant effect is, gaan wij uit van een EPT-heffingsgrondslag van € 600.000 miljard, vooral ook omdat de EPT geen bedrijfsbelasting is die op banken en betalingsinstellingen drukt, maar een accijns, waarvan de druk wordt verondersteld en geacht te worden afgewenteld op de afnemers van de geleverde financiële diensten (zie hoofdstuk 1, paragraaf 23, inzake afwenteling). Hoge Raad van Financiën (2001), p. 30-31, 63-64, 69 en 91). Verder worden de effecten gedempt als gevolg van de compensatie die plaatsvindt door het verdwijnen van verschillende belastingen bij het in werking komen van de EPT. Per saldo zullen de producenten van geld en financiële diensten een gering omzetverlies hebben te dragen ter relatieve grootte van dat, wat alle andere belaste productiesectoren reeds sedert de aanvang van de btw-heffing dragen.
Art. 135 BTW-richtlijn: handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten, kredietverrichtingen, handelingen met betrekking tot zekerheids- en garantieverbintenissen, handelingen betreffende deposito's, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren, handelingen betreffende deviezen, bankbiljetten en munten, handelingen inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren en het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Art. 11 lid 1 onderdelen i, j en k Wet OB 1968. K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW, Deventer: 2002, p. 208-210. Als gevolg van deze vrijstelling hebben de financiële dienstverleners geen recht op aftrek van voorbelasting, zodat de door hen betaalde btw op hun bedrijfsvoering drukt. Wel bestaat recht op aftrek van voorbelasting wanneer de afnemer van de financiële diensten buiten de Gemeenschap woont of is gevestigd, of wanneer de financiële diensten rechtstreeks betrekking hebben op goederen welke zijn bestemd om te worden uitgevoerd naar een derde land. HvJ EG 14 juli 1998, nr. C-172/96, Commissioners of Customs & Excise vs. First National Bank of Chicago, Jur. 1998, p. I-04387.
H.D. Garber en D.G. Raboy in: VAT, Orthodoxy and New Thinking, Boston 1989, p. 163. Het proefschrift van Van Hilten 1992 vangt aan met deze veelzeggende uitspraak. Zo ook: A.J. Auerbach en R.H. Gordon, Taxation of Financial Services under a VAT, Berkeley 2001. Satya Poddar, Thomas S. Neubig, Morley English, Emerging Trends and Their Implications for the Tax Mix and the Taxation of Capital, Canadian tax journal, Revue fiscale canadienne, 2000, vol. 48, nr. 1.
Harry Grubert & James Mackie, Must Financial Services be Taxed Under a Consumption Tax?, National Tax Journal, Vol. 53, no. 1, (March 2000), p. 23-40. Kogels 2003, p. 30.
Van Hilten 1992, hoofdstuk I.5 en par. II.2.2. K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW, Deventer: 2002, p. 226.
George Michie, Value added tax on financial services in the European Union, in: Consumption Taxationand financial services, Cahiers de droit fiscal international, Studies on International Fiscal Law, by the International Fiscal Association, Volume LXXXVIIIb, Den Haag: 2003, p. 48 en 66.
Ontwerp Zesde Richtlijn omzetbelasting, Tekst van de officiële toelichting, V-N 1973/758.
Idem. Michie 2003, p. 52 en 66-67.
Edgar 2001, p. 1134 en 1144. Zie ook de aldaar aangehaalde literatuur. Huizinga 2002, p. 499.Huizinga 2004, p. 559-560. S. Cnossen, Tax Policy in the European Union, OCFEB Erasmus Universiteit, Rotterdam: 2001, p. 25 e.v. Kogels 2003, p. 30 en 40. Ernst & Young 2004. Michie 2003, p. 66.
Poddar & English 1997, p. 89. Terra 1997. Huizinga 2002, p. 500. Huizinga 2004, p. 561.
Merrill & Edwards 1996, p. 487. Edgar 2001, p. 1144.
Poddar & English 1997, p. 89-90. Van Hilten 1992, p. 240-269. Edgar 2001, p. 1147-1149. Huizinga 2002, p. 504-505. Huizinga 2004, p. 560.
Vgl. HvJ EG 14 november 2000, nr. 142/99, Floridienne SA en Berginvest SA vs. België, Jur. 2000, p. 9567. HvJ EG 27 september 2001, nr. 16/00, Cibo Participations SA vs. Directeur régional des impôts du Nord-Pas-de-Calais, Jur. 2001, p. I-6663.
Poddar & English 1997, p. 92. Huizinga 2002, p. 500.
Huizinga 2002, p. 505.
Terra 1997.
Poddar & English 1997, p. 89. Huizinga 2004, p. 560.
M.E. van Hilten, Bancaire en financiële prestaties in de Europese BTW, Deventer: 1992, p. 26 en 45. Alleen voor zover deze prestaties besparingen van de consument vertegenwoordigen of indien sprake is van de overdracht van geld als betaling, mag geen heffing van omzetbelasting plaatsvinden, omdat het consumptievereiste ontbreekt.
Het gegeven dat bankcliënten hun tegoeden bij de banken vaak niet of niet geheel of niet direct opnemen, stelt de bank in staat om hogere bedragen uit te zetten dan haar kasvoorraad toestaat.Banken kunnen binnen de grenzen van het kasreservepercentage leningen verstrekken tot veelvouden van de ingelegde bedragen, hetgeen een vergroting van de geldhoeveelheid met zich brengt. Dit vergroten van de girale geldhoeveelheid wordt aangeduid als geldschepping. Voor wat betreft het girale geld kunnen commerciële banken derhalve worden aangemerkt als de producenten van geld. Deze productie van geld moet worden onderscheiden van de uitgifte van munt- of papiergeld, die aan de overheid (voor Nederland: art. 6 Muntwet 2002) en/of centrale bank (voor Nederland: art. 6 Bankwet 1998) is voorbehouden. Zie voor de geschiedenis van het geld en de gulden: DNB Kwartaalbericht december 2001.
HvJ EG 14 juli 1998, nr. C-172/96, Commissioners of Customs & Excise vs. First National Bank of Chicago, Jur. 1998, p. I-04387, r.o. 50.
Kogels 2003, p. 31 bovenaan en onderaan. Michie 2003, p. 48. Terra 1984 wijst op de Franse oorsprong van de combinatie vrijstelling zonder vooraftrekrecht, de zogenaamde butoir-regeling. Een butoir is een deurbuffer, gebruikt op koetsen om het te ver openslaan van het portier te voorkomen.Het te ver openslaan staat dan voor het niet van toepassing zijnde nultarief. Zie ook: J. Reugebrink en M.E. van Hilten, Omzetbelasting, Deventer: 1997, p. 44. M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: 2005, p. 24.
Poddar & English 1997. Merrill & Edwards 1996, p. 487-500. Huizinga 2002, p. 505-509.
Vgl. Harry Grubert & James Mackie, Must Financial Services be Taxed Under a Consumption Tax?, National Tax Journal, Vol. 53, no. 1, (March 2000), p. 24. Nederlandse Mededingingsautoriteit, Monitor Financiële Sector 2005, Inzichten van de NMa over de mededinging in de financiële sector, Den Haag: 2005, p. 73. Werkgroep Tariefstructuren en Infrastructuur in het betalingsverkeer, Tariefstructurenen Infrastructuur in het Nederlandse massale betalingsverkeer, DNB 2002, Bijlage IV (Basisdocumenten), p. 5.
Aftrekbare voorbelasting wordt via de factuur op de afnemer afgewenteld, een beheersbaar proces, dat er met wettelijke basis voor zorgt, dat de btw in volstrekte evenredigheid met de eindprijs van goederen en diensten wordt geheven. Niet-aftrekbare voorbelasting wordt echter versluierd in de prijzen van goederen en diensten op de afnemer afgewenteld; een neutraliteitsverstorend onbeheersbaar kostprijsverhogend proces, waarin de mate van afwenteling van de niet-aftrekbare voorbelasting en het kostprijsverhogende effect non-transparant afhankelijk zijn van vraag en aanbod.
Huizinga 2002, p. 519, berekent de niet aftrekbare voorbelasting van het bankwezen in de EU op € 7,3 miljard (41,7% van de totale aankopen van goederen en diensten). De EC op € 2,9 miljard (16,5% van de totale aankopen van goederen en diensten).
Terra 1997. Michie 2003, p. 67.
Michie 2003, p. 77.
Huizinga 2004, p. 561.
Terra 1997. Edgar 2001, p. 1151. Huizinga 2002, p. 500. Kogels 2003, p. 31.
Zie voor een overzicht van belaste en vrijgestelde financiële diensten: Van Hilten 1992 en Michie 2003, p. 47-66.
EC, VAT: The European Commission proposes to modernise the current legislation for financial servicesand insurances (see MEMO/07/519), Press Room IP/07/1782, Brussels: 28 november 2007. Michie 2003.
Poddar & English 1997. Edgar 2001, p. 1134. Huizinga 2004, p. 561.
Huizinga 2004, p. 565-566.
Gedacht kan hierbij worden aan het in dienst nemen van eigen adviseurs, het zelf ontwikkelen van software, het zelf vervaardigen van briefpapier, het zelf verrichten van bouwactiviteiten, enz., Terra 1997. Zo ook: S. Claessens in: Huizinga 2002, p. 527.
Poddar & English 1997. Terra 1997. Merrill & Edwards 1996, p. 487. Michie 2003, p. 71.
Ernst & Young, The TCA System – A Detailed Description, Reports and Studies Commissioned for theEuropean Commission, Brussels: European Commission, Taxation and Customs Union, 1998. Europese Commissie, Het belastingbeleid van de Europese Unie, Luxemburg: 2000, p. 34.
J. Meade, The Structure and Reform of Direct Taxation, London: 1978.
Poddar & English 1997. Ernst & Young 1998.
In vergelijkbaar Nederlands BTW-jargon: toepassing van het nultarief op financiële diensten met recht op aftrek van voorbelasting.
Edgar 2001, p. 1134 en 1150-1161.
Zie bijvoorbeeld: Satya Poddar en Morley English, Taxation of financial services under a valueadded tax: applying the cash-flow approach, National Tax Journal, vol. 50 nr. 1, maart 1997, p. 89.
Zie ook: Huizinga 2004, p. 561, en: Huizinga 2002, p. 522-523.
Mede in het kader van het beleid van de EC tot vereenvoudiging van regelgeving, COM(2006)690, par. 66.
EC, Proposal for a Council Directive amending Directive 2006/112/EC on the common system of value added tax, as regards the treatment of insurance and financial services, COM(2007)AAA final, Brussels: 28 november 2007.
In vergelijkbaar Nederlands btw-jargon: toepassing van het nultarief op financiële diensten met recht op aftrek van voorbelasting.
Huizinga 2002. Huizinga 2004.
Vgl. H.P. Huizinga, The Taxation of Banking in an Integrating Europe, Deventer: 2004, p. 566.
OCDE, Statistiques des recettes publiques, Organisation de Coopération et de Développement Économiques, Édition 2004.
OCDE, Statistiques des recettes publiques, Édition 2004.
De kosten van het betalingsverkeer bedragen binnen de Gemeenschap 2% BNP. Het BNP van de Gemeenschap bedraagt $ 13.926.873 miljoen (IMF, 2005), dat wil zeggen: € 11.605 miljard; 2% daarvan is € 232 miljard. Het betalingsverkeer omvat jaarlijks ruim 231 miljard transacties (231 miljard betaaltransacties in het massale betalingsverkeer (retailbetalingsverkeer) (zie: Voorstel voor een Richtlijn van het EP en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/12/EG en 2002/65/EG (door de EC ingediend), Brussel, 1 december 2005, COM(2005) 603 def., 2005/0245 (COD), p. 3.) plus 130 miljoen transacties in het hoogwaardig betalingsverkeer (ECB statistieken 2005). Derhalve bedragen de gemiddelde transactiekosten € 1. De EPT doet deze gemiddelde transactiekosten toenemen met € 11 (= 2.650/232). De gemiddelde nominale waarde per transactie bedraagt thans: € 600.000 miljard/232 miljard transacties = € 2.586. De toename van de transactiekosten door de EPT bedraagt dan: 0,44% van € 2.586 = € 11.
Vgl. de onderbouwing van minister Pierson van het voorstel voor de eerste inkomstenbelasting in 1891, op het toenmalige tarief (1,5%) na, identiek aan box III van de Wet IB 2001: Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 3, p. 9 lk.
Zie voor het meegeven van informatie over de betaler bij geldoverdrachten: Voorstel voor een Verordening van het EP en de Raad betreffende bij geldoverdrachten te voegen informatie over de betaler (door de Commissie ingediend), Brussel: 26 juli 2005 COM(2005)343 def. 2005/0138 (COD), en het advies van de ECB inzake dat voorstel van 15 december 2005 (CON/2005/56), (2005/C 336/07), (PbEU 2005, C 336). Vgl. ook: Overweging 29 tot en met 38 van de condiderans van het voorstel voor een Richtlijn van het EP en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/12/EG en 2002/65/EG (door de EC ingediend), Brussel: 1 december 2005, COM(2005)603 def., 2005/0245 (COD), p. 19-21.
Terra (1984) bepleit voor de eigenmiddelenvoorziening van de Gemeenschap een te harmoniseren accijns of een nieuwe communautaire belasting.1 Sedert de begrotingshervorming van 1970 beschikt de Gemeenschap over eigen middelen om haar uitgaven te financieren.2 De vier soorten middelen waarmee de Gemeenschap zonder verdere beslissingen van de nationale autoriteiten wordt gefinancierd zijn de landbouwheffingen, de douanerechten, de btw-middelen en de BNI-middelen. De EU-ontvangsten belopen in totaal € 107 miljard (2005).3 De BNI-middelen (75% van de totale ontvangsten) zijn de budgettaire overdrachten aan de EU op basis van het bruto nationaal inkomen (BNI). Dit vierde eigen middel is het minst transparant en levert met regelmaat verbeten discussies op over nettoposities.4 Een substantiële vorm van gemeenschappelijke belastingheffing, waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk rechtstreeks naar de eigen middelen van de Gemeenschap vloeit, zal de betrokkenheid van de Europese burger bij de Europese samenwerking bevorderen.5
Deze paragraaf bevat voorstellen voor de European Payments Tax (EPT) in vier gradaties, ontsproten uit de onmogelijkheid btw te heffen van financiële diensten. De EPT heeft financiële diensten als grondslag en het nominale bedrag van betaaldiensten als maatstaf van heffing. De EPT is een bij Europese verordening vorm te geven digitaal geheven accijns met slechts één grondslag, één maatstaf van heffing en één tarief, zonder vrijstellingen of welke andere belastingdifferentiatie dan ook. Hiermee heeft de EPT het karakter van een vlaktaks. Met de EPT wordt niet getornd aan de blijkbaar onwrikbare ratio’s van de btw-vrijstelling voor financiële prestaties. De EPT wordt als eenmalige belasting geheven waar de btw dat niet kan, en vult zo het vacuüm op dat de btw-vrijstelling voor financiële diensten in stand houdt. Dat de productiekolom van financiële diensten anders van structuur is en anders werkt dan die van ‘gewone’ goederen en diensten is voor de EPT-heffing geen belemmering. Waar de btw drukt zodra geen verdere voortstuwing in de productiekolom meer plaatsvindt, komt aan de voortstuwing van geld geen einde. De voortstuwing van ‘gewone’ goederen en diensten in de diverse schakels van de bedrijfskolom is eenrichtingsverkeer van producent naar consument. Geldmiddelen en financiële activa daarentegen zijn grootheden die voortdurend in beide richtingen roteren. De EPT betrekt financiële diensten gebundeld onder het nominale bedrag van iedere betaaldienst als maatstaf van heffing op simpele en efficiënte wijze en tegen een zeer geringe administratievelastendruk in de belastingheffing.
De EPT wordt simpel geïmplementeerd met een eenvoudig bij te programmeren geautomatiseerde proceshandeling door het aanbrengen van een aangepaste chip, processor of softwaremodificatie in de bestaande hoogtechnologische geautomatiseerde betaalinfrastructuur van de betalingsinstellingen. Het aantal belastingplichtigen is beperkt: dat zijn de 9.000 banken in de EU27, de ECB, de nationale centrale banken, kredietinstellingen6, instellingen voor elektronisch geld7, postcheque- en girodiensten8 en van andere geregistreerde betaaldienstverleners9, zodat de belastingplicht is geconcentreerd in de beperkte kring van betaaldienstverleners en de heffing simpel en efficiënt verloopt via de bestaande digitale betaalinfrastructuren van de betalingsinstellingen. Op basis van ECB-cijfers van de EU15 (2005) bedraagt de grondslag van de EPT ruim € 600.000 miljard. De EPT wordt verschuldigd ter zake van zowel de debitering van de betaalrekening van de opdrachtgever als de creditering van de betaalrekening van de begunstigde, en dagelijks op aangifte aan de fiscale autoriteit voldaan.10 De EPT treft uitsluitend girale, quasi-girale en andere elektronische of digitale betalingen. Chartale betalingen zijn geen elektronische of digitale betalingen en blijven als ondoelmatig en onnavolgbaar buiten de EPT-grondslag. De chartale geldhoeveelheid bedraagt thans 5% in de EU (in Nederland: 2%) en neemt steeds verder af.
Gelijk de andere accijnzen wordt de druk van de EPT afgewenteld op de afnemers van betaaldiensten. De EPT impliceert een verhoging van transactiekosten11, gecompenseerd door de afschaffing van de belastingen die drukken op arbeid en ondernemen.
Gegeven de beschikbare prijselasticiteiten en de daarmee verband houdende verwachtingen over mogelijke effecten van een transactiekostenverhoging van financiële diensten, is niet op voorhand al denkbaar, dat de EPT onmogelijk of onverantwoord zou zijn.12 Ongetwijfeld kan met behulp van nog thans ontbrekend empirisch onderzoek zicht op de economic incidence van de EPT worden verkregen.
Financiële diensten zijn complex en vele ervan vrijgesteld van btw.13 ‘Conventional wisdom has held that, for a variety of reasons, financial services are not conducive to value-added taxation’, aldus Garber en Raboy (1989).14 Volgens Edgar (2001), Cnossen (2001), Huizinga (2002) en Kogels (2003) is btw-heffing op financiële diensten technisch onuitvoerbaar. Volgens Grubert & Mackie (2000) is btw-heffing van financiële diensten schadelijk voor economieën15, omdat die de dienstverlening op financiële markten reduceert, de dienstverlening verplaatst naar financiële centra waar geen btw wordt geheven en nadelig uitwerkt op waarden van bezittingen. Van Hilten (1992) en Braun (2002) noemen het argument dat btw-heffing van financiële diensten moeilijkheden voor de financiële sector oplevert.16 Michie (2003) schrijft in zijn inleiding over de btw op financiële diensten in de EU: ‘Different services have been exempted for a variety of reasons including political, practical and historical’.17 De officiële toelichting op de BTW-richtlijn geeft aan dat de vrijstelling is gebaseerd op historische overwegingen en op ‘redenen van algemene politieke aard’ die ‘voor alle Lid-Staten gerechtvaardigd lijken’.18 De besluitvorming over de vrijstelling is onder meer gebaseerd geweest op de aanbevelingen van het rapport-Hutchings (1973), dat de zes lidstaten van het eerste uur waarschuwde voor de complexiteit van het belasten van financiële diensten en stijgingen van de kosten van kredietverlening.19
Vergoedingen voor financiële diensten zijn veelal niet expliciet geprijsd, maar nauw verbonden met de rente, zitten verstopt in de marges van complexe financiële producten en zijn dientengevolge vaak nauwelijks waarneembaar en vaststelbaar. De rentemarge gerealiseerd door een financiële instelling is het nettoresultaat van reeksen inkomende en uitgaande kapitaal- en rentestromen uit een omvangrijk aantal spaar- en leningtransacties. Er bestaat echter binnen het huidige btw-stelsel geen handzaam mechanisme om de marge per individuele transactie te berekenen, welke maatstaf noodzakelijk is binnen het btw-systeem dat immers werkt met het factuurstelsel en vooraftrekrecht, de hoekstenen van de btw.20
Volgens Merrill & Edwards (1996), Poddar & English (1997), Terra (1997), Edgar (2001), Huizinga (2002) en Huizinga (2004) is het voor bepaalde soorten financiële diensten bepaald lastig om het bedrag vast te stellen dat voor de verleende dienst in rekening wordt gebracht om daarover btw te berekenen.21 Dit geldt in ieder geval voor financiële diensten waarvoor geen expliciete vergoedingen gangbaar zijn.22 Ook het beprijzen van bij financiële instellingen inkomende en uitgaande geldstromen is lastig. Financiële instellingen hebben kapitaal nodig om leningen uit te geven, zoals een aannemer hout en stenen aanvoert om een gebouw op te leveren, met dien verstande dat de financiële instelling de kapitalen niet koopt, maar als tegoeden van de inleggers onder zich heeft. Als gevolg van de vele samengestelde en onsplitsbare financiële diensten, de niet altijd even duidelijke wetgeving en interpretatieverschillen per land, is de juiste maatstaf van heffing voor de btw moeilijk op de juiste wijze te vatten.23 De rente is niet steeds representatief voor de toegevoegde waarde en kan daarom niet als maatstaf van heffing gelden. Rentevergoedingen betaald aan spaarders kunnen niet alleen worden gezien als vergoeding voor het gebruik van het ingelegde geldbedrag, maar deels ook als inkomen, inflatievergoeding of risicopremie, en in zoverre behoort de rentevergoeding dan ook buiten de heffing van btw te blijven.
Rentevergoedingen betaald door geldleners kunnen gezien worden als kostenvergoedingen voor het in bruikleen geven van spaargelden en het uitzetten daarvan als leningen, inclusief dividend.24
Met betrekking tot zeer vele specifieke financiële transacties, waarbij meer vraagelastische financiële producten worden gesubsidieerd door minder elastische, en het ontbreken van inzichten in risico- en toegevoegdewaardeberekeningen, is het vrijwel onmogelijk uit de transacties de marges af te leiden om de juiste waarde van de verrichte diensten vast te stellen met de hoogste zekerheid die voor belastingheffing vereist is. Zelfs in gevallen waarin brutomarges wel kunnen worden vastgesteld, is het hoogst lastig deze te specificeren naar de waarde van de dienstverlening aan spaarders dan wel leners, welke noodzakelijk is voor de vaststelling van het vooraftrekrecht van zakelijk afnemers. Voor de financiële instelling maakt het niet uit of de vergoeding exact wordt toegerekend aan de spaarder of de lener. Voor de spaarder of lener is dit anders, als hij met de volledige belastingdruk wordt geconfronteerd waarvoor hij niet aftrekgerechtigd is.25 Om deze complexiteit de baas te kunnen, scheen vrijstelling van btw de enige praktische oplossing.26 Volgens Terra (1997) heeft de financiële sector wellicht niet onwelwillend gereageerd op het zoeken van de oplossing voor dit onoplosbaar ogende probleem in een vrijstelling op basis van de veronderstelling dat het aantrekkelijk zou zijn om vrijgesteld te zijn.27 Vervolgens zijn de belastingwetgevers vanaf dat moment het zoeken naar werkbare methoden om financiële diensten ook in de btw-heffing te betrekken decennialang uit de weg gegaan28, terwijl in de laatste tien jaar vele veranderingen plaatsgevonden in de banksector die vragen om modernisering van het btw-stelsel voor financiële dienstverlening. Het huidige stelsel is een grote belemmering voor grensoverstijgende consolidatie in de banksector en het brengt banken in een achterstandspositie ten opzichte van haar concurrenten buiten de EU.
Theoretisch bestaan geen bezwaren tegen het in de heffing betrekken van financiële prestaties. De bewindslieden aan de vooravond van de totstandkoming van de Zesde BTW-richtlijn (1969) en Van Hilten (1992) bevestigen dat. Dat bepaalde financiële prestaties niet of nauwelijks in geld kunnen worden uitgedrukt, is ook volgens Van Hilten geen reden om deze prestaties niet te belasten.29 Historische overwegingen, redenen van algemene politieke aard die voor alle lidstaten gerechtvaardigd lijken en de daarmee niet-kenbare werkelijke redenen, vormen een bepaald onvoldoende motivering om een hele bedrijfstak zomaar buiten de btw-heffing te houden. De ratio’s van de vrijstelling zijn in ieder geval zo vaag dat iedere andere productiesector die een tariefsdifferentiatie zou verlangen met dergelijke argumenten in het verwerven daarvan bepaald niet zou slagen. Zolang kapitaal en arbeid als uitkomst van politieke besluitvorming algemeen gangbare en geaccepteerde belastinggrondslagen vormen, behoren deze ook met betrekking tot de financiële sector ten uitvoer te worden gelegd, op dezelfde wijze als voor iedere andere productiesector. De keuze voor de vrijstelling is een verstorende vergissing. Ook de geldschepping, de productie van geld, dat wil zeggen de vergroting van de girale geldhoeveelheid door bankinstellingen 30, is evenmin met btw belast. Dit geeft een ongelijkheid tegenover iedere andere producent dan een geldproducent, die wél voor de voortbrenging van goederen en diensten in de btw-heffing wordt betrokken.
De wél-uitvoerbaarheid om financiële diensten in de btw-heffing te betrekken zit ingevlochten in het btw-systeem zelf. Het HvJ EG heeft dit in het arrest-First National Bank of Chicago (1998) bevestigd door te beslissen, dat deviezentransacties waarbij geen provisie of directe kosten in rekening worden gebracht, diensten onder bezwarende titel zijn31, met als maatstaf van heffing het brutoresultaat van de transacties in een bepaalde periode, zijnde het bedrag dat de financiële instelling voor de deviezentransacties ontvangt en waarover zij daadwerkelijk voor eigen rekening kan beschikken.
Hiermee kan het saldo van een reeks transacties en geldstromen waarbij geen expliciete kosten of provisie voor individuele transacties kan worden berekend, als maatstaf van heffing dienen.32
Hoewel de btw-vrijstelling van financiële diensten al decennialang gangbaar is, kleven daaraan significante problemen. De vrijstelling is een groot obstakel op de weg naar een geharmoniseerde heffingsgrondslag voor de btw. Het probleem is dat de vrijstelling geen échte vrijstelling is. Het vrijgesteld zijn van btw betekent dat de vrijstellingsgenietende het aftrekrecht is ontnomen, waardoor de btw met betrekking tot vrijgestelde prestaties een a-neutrale werking heeft.33 Deze inbreuk op het neutraliteitsbeginsel is niet erg wanneer de vrijstellingsgenietenden alleen in de laatste schakel van de productiekolom zitten en particuliere consumenten als afnemers zouden hebben. Voor particuliere afnemers van financiële diensten resulteert de vrijstelling in prijzen met een lagere btw-druk vergeleken met de situatie waarin financiële diensten wel belaste prestaties zouden vormen. De financiële sector heeft echter een geheel andere positie in de productiekolom. Financiële diensten worden afgenomen door iedereen, waaronder met name juist niet-vrijstellinggenietende ondernemers, die belaste prestaties verrichten en dientengevolge aftrekgerechtigd zijn, en op wier bedrijfsvoering de effecten van de vrijstelling van grote invloed zijn. Juist in deze verhoudingen wordt de neutraliteit groot geweld aangedaan.
De vrijstelling zonder vooraftrekrecht doet talloze economische verstoringen en andere ongewenste effecten optreden in concurrentieverhoudingen op binnenlandse en internationale markten.34 Ten eerste leidt de vrijstelling tot een discriminerend lage belastingdruk voor de financiële sector, waaruit een te hoge belastingdruk volgt voor de andere productiesectoren en de productiefactoren arbeid en ondernemen. De prijzen van financiële diensten zijn te laag in relatie tot gewoon met btw belaste goederen en diensten. Deze prijsverstoring zet aan tot inefficiënte overbestedingen van een te groot deel van beschikbare middelen aan financiële diensten en tot mindere bestedingen aan normaal belaste goederen en diensten. Hierdoor blijft een efficiënte allocatie van schaarse middelen uit en de belastingdruk niet optimaal verdeeld, hetgeen onvermijdelijk leidt tot suboptimale resultaten: hogere lasten op de heffingsobjecten van het vrije goederen-, diensten en personenverkeer, met name arbeid en ondernemen.35
Ten tweede treedt cumulatie van btw op in de keten. De aftrekmogelijkheden aan de inkoopzijde voor financiële instellingen zijn beperkt tot een gedeelte pro rata van de voorbelasting dat berekend wordt op basis van het relatieve belang van belaste diensten in het totale pakket van dienstverlening. De financiële instelling die het betalingsverkeer regelt voor haar cliënten, welke doorgaans volledig aftrekgerechtigde ondernemers zijn, kan een groot deel van de voorbelasting niet in aftrek brengen. De btw die aan deze financiële instelling in rekening is gebracht ter zake van de infrastructuur die het betalingsverkeer moet effectueren, vormt dus voor de financiële instelling een kostenpost die zij in haar kostprijsberekening verdisconteert en dus afwentelt op de afnemers van haar diensten. De btw wordt dus versluierd in de prijzen van financiële diensten als kostenpost doorgeschoven naar de cliënt, die, indien en voor zover die ondernemer is en hem die btw in rekening zou zijn gebracht, die btw in aftrek had kunnen brengen. De btw cumuleert in de verder volgende schakels. Iedere ondernemer die vrijgestelde prestaties verricht en de aan zijn leveranciers betaalde btw niet in aftrek mag brengen, zal trachten deze niet-aftrekbare btw als kostenpost in de prijzen van zijn goederen en diensten op zijn afnemers af te wentelen.36
Jaarlijks worden binnen Europa door financiële instellingen vele miljarden euro’s aan betaalde btw niet in vooraftrek genomen.37 Deze miljarden worden door de financiële dienstverrichters als een accijns onzichtbaar doorberekend aan hun afnemers.
Uiteindelijk komen ze terecht in de kostprijs van de door deze afnemers voortgebrachte goederen en diensten, waarover opnieuw btw in rekening wordt gebracht. Dit leidt tot duurdere Europese goederen en diensten op internationale markten dan nodig is.38
Europese financiële instellingen zien zich in een nadeliger positie geplaatst ten opzichte van financiële instellingen in derde landen, zoals de US, waar geen btw bestaat. Door de tariefsverschillen in de lidstaten van de Gemeenschap ontmoeten vergelijkbare financiële instellingen een verschillende btw-voordruk. Naarmate het btw-tarief hoger is, hebben financiële instellingen te maken met hogere inkoopprijzen inclusief btw. Ook dit verschijnsel leidt tot ongewenste verstoringen van concurrentieverhoudingen. Dit speelt niet alleen een rol tussen lidstaten39, maar met name ook wanneer de concurrentieposities van financiële instellingen binnen de Gemeenschap worden vergeleken met die van instellingen buiten de Gemeenschap.
Financiële instellingen in derde landen die hun diensten aan afnemers binnen de Gemeenschap verrichten, kennen immers geen btw-druk, omdat in het betreffende derde land (nog) geen btw wordt geheven, of omdat vanuit de Gemeenschap naar derde landen geëxporteerde financiële diensten zijn vrijgesteld mét recht op aftrek van voorbelasting!40
Ten derde ontbreken btw-voorzieningen voor binnengrensoverschrijdende financiële transacties, waardoor cliënten tegen lagere kosten kunnen worden bediend in een lidstaat met een lagere btw-druk.41 Aldus is door de vrijstelling en de daardoor niet-aftrekbare, maar wel cumulatief afwentelbare voorbelasting de financiële dienstverlening aan zakelijke afnemers het voorwerp geworden van overbelasting (tax cascading), en resulteert de vrijstelling voorts in een onderbelasting van particuliere huishoudens.42
Een volgend probleem is dat een juiste en vooral uniforme toepassing van het belaste en het vrijstellingsregime een scherpe afbakening vergt tussen financiële diensten en niet-financiële diensten om precies te kunnen bepalen welke diensten belast zijn en welke vrijgesteld.43 Deze scheidslijn is niet duidelijk getrokken. In de BTWrichtlijn ontbreekt een definitie van het begrip ‘financiële diensten’. Wel noemt artikel 135 BTW-richtlijn enkele omschrijvingen van vrijgestelde financiële diensten. De afbakening van wat financiële diensten zijn is daarom een aangelegenheid van de nationale wetgevers, als gevolg waarvan de reikwijdten van de btw-vrijstelling in de lidstaten verschillen. Ook volgens de EC (2007) wordt de vrijstelling door de lidstaten verschillend toegepast. Een indrukwekkende reeks casuïstische arresten van het HvJ EG was nodig om hierin enige ordening aan te brengen.44 Ondanks de in iedere lidstaat bestaande regels om vrijgestelde en belaste financiële diensten uit elkaar te houden en op de juiste wijze in de heffing te betrekken, zijn in de praktijk de problemen met de toepassing van het vrijstellingsregime substantieel en is de btw-behandeling van financiële diensten een zeer gecompliceerd terrein gebleken.45 Bovendien heeft volgens Huizinga (2004) ook beleidsconcurrentie een matigende invloed op de belastingdruk op financiële diensten. Huizinga (2004) spreekt van een gebrekkige handhaving van de vrijstelling: ‘Thus, the effective zero-rating of banking for purposes of the VAT, reflecting the lax enforcement of VAT rules, leads to an unduly low a taxation of banking’.46
Verder leidt de vrijstelling, ook volgens Terra (1997), tot verticale integratie binnen financiële instellingen: zij verrichten zelf allerlei branchevreemde (vrijgestelde en belaste) activiteiten (mede en soms uitsluitend) om het nadeel van het niet of slechts gedeeltelijk kunnen aftrekken van de btw te ontlopen.47 Verticale integratie vindt meestal alleen plaats wanneer de voordelen van het vermijden van belasting groter zijn dan de voordelen van specialisatie.
Deze ernstige neutraliteitsverstoringen hebben de EC in het licht van het belang van de goede werking van de interne markt en de verdere internationalisering van financiële markten zoveel zorgen gebaard48, dat zij Poddar en English heeft gevraagd (1994) onderzoek te verrichten naar een werkbare oplossing, passend in het Europese btw-stelsel. Het onderzoek van Poddar en English heeft geresulteerd in voorstellen tot btw-heffing van financiële diensten met behulp van een reeks vernieuwde varianten van de cashflowmethode (CM).49 De CM is oorspronkelijk ontworpen door Meade (1978)50, successievelijk verfijnd door Barham, Poddar en Whalley (1987), Hoffman, Poddar en Whalley (1987), Hoffman (1988) en in het bijzonder door Ernst & Young (Poddar & English, 1998).51 Edgar (2001) noemt als alternatief voor de CM de vrijstelling met vooraftrekrecht, aangeduid als: general system of zero-rating52, waarmee de neutraliteit wordt hersteld, maar waaraan het zwaarwegende politieke nadeel kleeft van een forse belastingderving, bestaande uit de thans bij financiële instellingen niet aftrekbare btw.53 De CM is nimmer in werking gekomen; de EC acht de forse administratieve lasten54 en de hoge implementatiekosten van de CM onaanvaardbare obstakels.55 Zij laat de kwestie echter niet op haar beloop en komt56 op 28 november 2007 met een voorstel voor een richtlijn tot verbetering van het btw-regime voor financiële diensten met een tweeledig doel57: (1) bevordering van de rechtszekerheid voor marktdeelnemers en nationale belastingautoriteiten door vermindering van de administratievelastendruk ten behoeve van correcte toepassing van de btw-vrijstelling voor financiële diensten, en (2) terugdringing van de ongewenste uitwerking van in de prijzen van financiële diensten verborgen btw. Deze doelstellingen moeten worden gerealiseerd met de drie maatregelen van het richtlijnvoorstel: (1) verduidelijking en vereenvoudiging van de voorwaarden en andere regels die tezamen de btwvrijstelling voor financiële diensten vormgeven, (2) verruiming van de mogelijkheid te opteren voor de toepassing van het belaste btw-regime, en (3) de vorming van fiscale eenheden waarbinnen gezamenlijk en tegen gunstiger marktcondities kan worden geïnvesteerd in – bijvoorbeeld – informatietechnologie of specialistische kennis, waarvan de lasten binnen de btw-vrijstelling worden herverdeeld en gespreid onder de deelnemers. Het voorstel kent geen alomvattende definitie van financiële diensten, maar bevat in het voorgestelde artikel 135a BTW-richtlijn wel elf deeldefinities en gaat vergezeld van een voorstel voor een verordening met een niet-uitputtende opsomming van casuïstiek die onder de vrijstelling valt.
De eerste variant van de EPT biedt een oplossing voor de toepassing van het genoemde alternatief van Edgar voor de CM.58 Met Edgar’s general system of zero-rating wordt de neutraliteit van de btw met betrekking tot financiële diensten hersteld door deze voortaan in de btw-heffing te betrekken met toepassing van het nultarief en met het vooraftrekrecht, terwijl de EPT de btw-derving van naar schatting € 60 tot 100 miljard compenseert.59 Ceteris paribus levert de EPT met een tarief van 0,016% (=100/600.000), dat wil zeggen 0,008% van iedere debitering van betaalrekeningen en 0,008% van iedere creditering van betaalrekeningen die worden verricht door een betalingsinstelling in de Gemeenschap, een opbrengst die deze derving neutraliseert. Het beleidsmatige bezwaar van deze variant blijft, dat de toegevoegde waarde van de financiële sector onbelast blijft.60
De tweede variant van de EPT genereert voortaan als vierde middel benodigde gelden voor de EU-begroting. De landbouwheffingen, de douanerechten en de btw-middelen bezitten een zo typisch communautair karakter, dat deze als communautaire inkomstenbronnen onaangeroerd moeten blijven. Alleen het minder transparant collecteren van de BNI-middelen, het huidige vierde middel, wordt vervangen door transparante EPT-heffing. Vanzelfsprekend omsluit deze variant ook de neutraliserende eerste EPT-variant. De BNI-middelen bedragen € 75 miljard (2005). Ceteris paribus verschaft de EPT met een tarief van 0,03% (= 100 + 75/600.000), dat wil zeggen 0,015% van iedere debitering van een betaalrekening en 0,015% van iedere creditering van een betaalrekening die worden verricht door een betalingsinstelling in de Gemeenschap, de benodigde middelen voor de EU-begroting.
Met de derde variant van de EPT – zoals gezegd, een belastingregeling met een zeer lage administratievelastendruk – kan worden bereikt dat de belastingen met de hoogste administratievelastendruk verdwijnen door de opbrengsten ervan te vervangen door opbrengsten van de EPT. Het toeval wil, dat de belastingen met de hoogste administratievelastendruk juist de belastingen zijn die drukken op de productiefactoren arbeid en ondernemen. Het elimineren van de hoogste administratievelastendruk betekent dus ook het elimineren van de zwaar verstorende directe lasten op arbeid en ondernemen, tezamen in het belang van meerdere werkgelegenheid en ondernemerschap en lagere uitvoeringslasten. De afschaffing van de nationale loon-, winst- en inkomstenbelastingen van de EU15 kost € 1.200 miljard.61 Omdat de EPT een communautaire belasting op financiële diensten is, kunnen de nationale belastingen op financiële diensten in de EU15, zoals de assurantiebelastingen en overdrachtsbelastingen worden afgeschaft. Tezamen belopen deze belastingen € 75 miljard. Vanzelfsprekend omsluit deze derde EPT-variant tevens de neutraliserende eerste EPT-variant en de EU-begrotingsmiddelengenererende tweede EPT-variant. Ceteris paribus levert de EPT met een tarief van 0,25% (= 100 + 75 + 1.200 + 75/600.000), dat wil zeggen 0,125% van iedere debitering van een betaalrekening en 0,125% van iedere creditering van een betaalrekening die worden verricht door een betalingsinstelling in de Gemeenschap, de benodigde middelen om de drukverschuiving van arbeid en ondernemen naar betalingen te realiseren.
De vierde variant is een uitbreiding van de derde EPT-variant, waarbij ook de druk van de loongerelateerde premieheffing sociale zekerheid naar betalingen wordt verschoven.
Deze premieheffing bedraagt € 1.200 miljard62, zodat de EPT met een tarief van 0,4% (= 100 + 75 + 1.200 + 75 + 1.200/600.000), dat wil zeggen 0,2% van iedere debitering van een betaalrekening en 0,2% van iedere creditering van een betaalrekening die worden verricht door een betalingsinstelling in de Gemeenschap, ceteris paribus de benodigde middelen verschaft om de drukverschuiving van arbeid en ondernemen naar betalingen te realiseren. Door de EPT-heffing zal de efficiency in het betalingsverkeer toenemen.
Aangenomen dat hierdoor een kwart minder betalingstransacties plaatsvinden, moet het EPT-tarief worden gesteld op 0,5%, dat wil zeggen 0,25% van iedere debitering en 0,25% van iedere creditering van een betaalrekening.
Zoals gezegd, verhoogt de EPT de transactiekosten van het betalings- en ontvangstenverkeer.
Uitgaande van het aantal betalingstransacties vóór invoering van de EPT en uitgedrukt in percentages van nominale transactiebedragen nemen de transactiekosten in de vierde variant toe van (thans) 0,04% naar 0,48%.63 Deze factor 12 wordt gecompenseerd door de afschaffing van de belastingen op arbeid en ondernemen (€ 2.400 miljard) en de neutralisering van de btw voor financiële diensten (€ 100 miljard).
Per saldo is bij de invoering van de EPT de enorme administratievelastendruk van de belastingen op arbeid en ondernemen verdwenen. De EPT dempt prijsstabiliteitverstorende wisselkoersfluctuaties.
Zoals iedere belasting kan ook de EPT worden ontgaan. Ten eerste zou de EPT kunnen worden ontgaan door ruilhandel. Daaraan zijn echter zoveel hoofdbrekens over de waardevaststelling van de tegenprestatie en andere kosten verbonden, dat deze betalingsvorm geen bedreiging vormt. Ten tweede kan, zolang soortgelijke belastingen als de EPT nog niet mondiaal in werking zijn, de EPT worden ontgaan door betalingen buiten de Gemeenschap te laten plaatsvinden. Dergelijk ongewenst gedrag kan worden ontmoedigd met de ontzegging van bepaalde overheidsvoorzieningen aan ingezetenen die zich daaraan schuldig maken, inlichtingenuitwisseling en met prohibitieve tarieven met als grondslag de waarde van de onderliggende transactie waarvoor de buiten de Gemeenschap plaatsvindende betalingen de tegenwaarde vormen, welke worden toegepast zodra de geldstromen die linksom of rechtsom ooit weer zullen terugkeren, de Gemeenschap weer zijn binnengekomen. Voorts kan ontgaan worden voorkomen door bij de vaststelling van de verschuldigdheid van de EPT ook de afnemers en begunstigden van betaaldiensten die in de Gemeenschap zijn gevestigd en de in de Gemeenschap gevestigde begunstigden van de goederenleveringen of dienstverrichtingen bij de onderliggende transacties, waarvoor de betalingen de tegenwaarde vormen, criteria te laten zijn.
De EPT werkt progressief. Het draagkrachtbeginsel zit er van nature ingevlochten.
Chartale betalingen spelen zich af buiten de EPT-grondslag. De meergegoeden zijn goed voor een disproportioneel groot deel van het totale aantal betalingen en dragen daarom naar verhouding een groter deel van de EPT. Op wie meer schuift zal meer EPT drukken. Niet alleen wordt meer EPT verschuldigd en afgewenteld naarmate de betalingen omvangrijker zijn, maar ook naarmate de frequentie van betalingen toeneemt, zoals bijvoorbeeld bij effectentransacties. Het EPT-tarief van 0,4% op een aandelentransactie vormt voor de koper die zijn aandelenbezit voor de langere termijn uitbreidt een verwaarloosbare last. Voor degenen echter die aandelen voor de korte termijn willen bezitten, wordt de last van meer betekenis naarmate de aandelen vaker worden aan- en verkocht voor gewin op de korte termijn. Ook moet worden bedacht dat de betalingen van grote aankopen, zoals onroerende zaken, naar de nominale waarde in de heffing worden betrokken. De meergegoeden zijn goed voor een disproportioneel groot deel van het totale aantal betalingen en dragen daarom naar verhouding een groter deel van de EPT.
Met betalingen als brede heffingsgrondslag waarbij alle Europese burgers en bedrijven als verbruikers van betaaldiensten vrijwel dagelijks betrokken zijn, het beperkte aantal belastingplichtigen, de bijdrage aan een optimale spreiding van belastingdruk en de geringe uitvoeringskosten, is de EPT een breed gefundeerde en stabiele belastingregeling, die conform de typische accijnskenmerken vrijwel ongemerkt wordt geheven en een grote belastingopbrengst genereert ter financiering van een blijvende substantiële verlaging van de lasten op arbeid en ondernemen ter bevordering van werkgelegenheid en ondernemerschap. De fiscus behoeft met de EPT niet meer steeds onkundig te blijven van de persoon en de activiteit van de cliënt van de bank- of betalingsinstelling. Hij behoeft niet alleen de gebeurtenis van de betaling te constateren.64 In de samenwerking tussen banken, fiscus en opsporingsdiensten kunnen zo nodig aan de hand van betalingen bijzondere kenmerken van transacties worden geïdentificeerd in bijvoorbeeld de gezamenlijke strijd tegen belastingontgaan, witwassen en terrorisme en kunnen de toezichtsautoriteiten meer gericht toezicht uitoefenen op geldoverdrachten tussen financiële instellingen ter voorkoming van regionale en mondiale crises op financiële markten.65
De EPT zal overigens nimmer een impôt unique kunnen worden, omdat regeringen over voldoende macro-economische sturingsinstrumenten moeten kunnen blijven beschikken.