Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/3.4.2
3.4.2 Wijn
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298052:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1898/99, 70, nr. 3, p. 2 lk.
Kamerstukken II 1926/27, 355, nr. 1, p. 1. Kamerstukken II 1926/27, 355, nr. 3 p. 18 lk. KamerstukkenII 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 32-34. Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 26-27.
Sickenga 1865, p. 141.
Wet van 27 juli 1822, Stb. 1822, 20. Voor wijn van binnenlandse herkomst gold de oogst als tijdstip van aanslag en het tarief was bepaald op ƒ 1.40 per vat (= 1 hectoliter). Voor wijn van buitenlandse herkomst bedroeg het tarief bij invoer ƒ 9. Bedacht moet worden dat juist de duurdere soorten werden ingevoerd.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 122 lk.
Kamerstukken II 1926/27, 58, nr. 1, p. 1 rk.
Handelingen II 1818/19, 14 mei 1819, p. 426 rk.
Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 17.
Handelingen II 1878/79, 20 december 1878, p. 559 rk. onderaan. Handelingen II 1878/79, 20 december 1878, p. 553-544. Kamerstukken II 1879/80, 127, nr. 5, p. 23 rk. Handelingen II 1883/84, 18 juni 1884, p. 1630 rk. Handelingen II 1883/84, 18 juni 1884, p. 1630-1631 en p. 1673 rk. Handelingen II 1885/86, 17 december 1885, p. 853 rk. Kamerstukken II 1896/97, 87. Kamerstukken II 1897/98, nr. 132. Kamerstukken II 1897/98, 226, nr. 3, p. 3. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 2-3. Kamerstukken II 1912/13, 207, nr. 3, p. 2 lk. Kamerstukken II 1912/13, 207, nr. 6, p. 9 rk. Kamerstukken II 1915/16, 216, nr. 3, p. 1 lk. Handelingen II 1913/14, 24 juni 1914, p. 2525-2533.Handelingen II 1915/16, 20 juli 1916, p. 2553 en 2542. Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 5, p. 1. Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 7, p. 1.
Handelingen II 1878/79, 20 december 1878, p. 557 rk. Handelingen II 1882/83, 23 december 1882, p. 932 lk. Handelingen II 1893/94, 18 december 1893, p. 574 lk.
Handelingen II 1893/94, 18 december 1893, p. 574 lk.
Kamerstukken II 1881/82, 2, nr. 5, Bijlagen A hoofdstuk I n°. 5, p. 10. Handelingen I 1892/93, 23 september 1892, p. 45-46.
Kamerstukken II 1815/16, XXXIII, nr. 3, p. 328. Wet van 15 september 1816, Stb. 1816, 38.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 rk.
Kamerstukken II 1858/59, XIV, nr. 3, p. 95 lk.
Handelingen II 1858/59, 18 maart 1859, p. 794 rk.
Vele vindplaatsen, bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1878/79, 107, nr. 5, p. 16 rk.
Kamerstukken II 1883/84, 93 en 98, nr. 6, p. 11 rk.
Handelingen II 1898/99, 30 november 1898, p. 297 lk. Handelingen II 1882/83, 23 december 1882, p. 932 lk.
Handelingen II 1893/94, 18 december 1893, p. 574 lk.
Handelingen II 1898/99, 30 november 1898, p. 297 lk.
Kamerstukken II 1853/54, 17 december 1853, p. 4965 rk. G.K. van Hogendorp, Bijdragen tot de huishoudingvan staat in het Koningrijk der Nederlanden, verzameld ten dienste der Staten-Generaal, Amsterdam: 1864.
Handelingen II 1891/92, 23 juni 1892, p. 1069 rk.
Handelingen I 1892/93, 23 september 1892, p. 45-46
Van der Poel 1927, p. 40.
Hulst 1932, p. 160.
Handelingen II 1893/94, 18 december 1893, p. 574 lk.
Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 1 rk.
Handelingen II 1882/83, 23 december 1882, p. 931 rk. Handelingen II 1878/79, 20 december 1878, p. 561.
Handelingen II 1883/84, 4 juli 1884, p. 1821 rk. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 1 rk.
Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 2 lk.
Kamerstukken II 1815/16, XXXIII, nr. 7, p. 580.
Handelingen II 1864/65, 5 mei 1865, p. 20-21.
Handelingen II 1864/65, 24 september 1864, p. 20-21. Handelingen II 1864/65, 26 mei 1865, p. 10524 lk. Handelingen II 1885/86, 17 december 1885, p. 849 rk. Handelingen I 1892/93, 23 september 1892, p. 45-65.
Kamerstukken II 1898/99, 70, nr. 3, p. 2 lk.
Handelingen II 1864/65, 6 mei 1865, p. 834 rk. Kamerstukken II 1875/76, 100, nr. 4, p. 8 rk. KamerstukkenII 1896/97, 2. Midd. 7, Bijlage A, p. 3. Handelingen II 1896/97, 19 december 1896, p. 619-621. Kamerstukken II 1897/98, 2, nr. 6, Bijlage A, p. 5 rk. Kamerstukken II 1897/98, 2, nr. 7, Bijlage A, p. 7 lk. Handelingen II 1897/98, 23 december 1897, p. 700-701. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 2 lk. Kamerstukken II 1898/99, 70, nr. 3, p. 2-3. Kamerstukken II 1898/99, 70, nr. 5, p. 7 lk. HandelingenII 1898/99, 13 juni 1898, p. 1089 rk. Kamerstukken II 1925/26, 179, nr. 3, p. 3 rk. KamerstukkenII 1926/27, 58, nr. 1, p. 1-2. Wet van 30 december 1920, Stb. 1920, 928.
Stb. 1919, 581.
Kamerstukken II 1898/99, 70, nr. 3, p. 2. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 1. Kamerstukken II 1898/99, 65, nr. 1, p. 2 lk.
Kamerstukken II 1925/26, 179, nr. 3, p. 3 rk. Kamerstukken II 1926/27, 58, nr. 1, p. 1-2.
Kamerstukken II 1926/27, 58, nr. 1, p. 1.
Kamerstukken II 1934/35, 367, nr. 3.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 18-19, en nr. 7, p. 16-17.
Handelingen II 1815/16, 7 juni 1816, p. 116 rk, en p. 121 rk.
Handelingen II 1885/86, 17 december 1885, p. 851.
Handelingen II 1878/79, 20 december 1878, p. 555-556.
Stb. 1944, E 77. Goedgekeurd bij de Wet van 1 augustus 1947, Stb. 1947, H 282. Kamerstukken II 1946/47, 433.
Overeenkomst van 25 juli 1921 tot oprichting van een economische unie tussen België en het Groothertogdom Luxemburg, Recueil des traités de la société des nations 1922, p. 224.
Kamerstukken II 1947/48, 710. Wet van 8 april 1948, Stb. 1948, I 137. Kamerstukken II 1948/49, 1115, nr. 3, p. 5-6.
Handelingen II 1965/66, 25 november 1965, p. 628 rk.
Kamerstukken II 1965/66, 8304, nr. 5. Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 6, p. 23 rk.
Handelingen II 1968/69, 21 mei 1969, p. 2967 lk.
Kamerstukken II 1957/58, 4900 hoofdstuk VII B, nr. 9, p. 10.
Art. 90 EG. HvJ EG 7 mei 1987, nr. 193/85, Cooperativa Co-Frutta Srl vs. Amministrazione delle Finanze dello Stato, Jur. 1987, p. 2085, r.o. 25. HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-166/98, Société critouridienne de distribution (Socridis) vs. Receveur principal des douanes, Jur. 1999, p. I-3791, r.o. 16. HvJ EG 11 december 1990, nr. C-47/88, EC vs. Denemarken, Jur. 1990, p. I-4509, r.o. 9. HvJ EG 11 augustus 1995, nrs. C-367/93 t/m C-377/93, F.G. Roders BV t/m Damco van Swieten BV vs. Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Jur. 1995, p. I-2229, FED 1995/624, r.o. 15 en 20-21.
Recueil des traités de la société des nations 1922, p. 224.
Zesde protocol van 26 januari 1976, Tractatenblad 1976, 46.
Art. 2 van Verordening (EEG) nr. 541/70 van de Raad van 20 maart 1970 betreffende de landbouw van het Groothertogdom Luxemburg, PbEg 1970, L 68/3, en andere daaropvolgende verordeningen.
Art. 2 van Verordening (EEG) nr. 204/90 van de Raad van 22 januari 1990 betreffende de landbouw in het Groothertogdom Luxemburg, PbEg 1990, L 22/11.
Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 3, p. 7.
Verdrag van 18 februari 1950 tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht, gewijzigd bij protocol van 26 januari 1976, Trb. 1976, 46, in verband met de invoering in België en Nederland van de bijzondere accijnzen op wijn.
De import van wijnen uit Luxemburg bedraagt anno 1975 rond 0,6% van de totale wijnimport.
Kamerstukken II 1975/76, 13 633, nr. 3, p. 8, nr. 4, p. 1, en nr. 5, p. 1-3.
Handelingen II 1975/76, 26 november 1975, p. 1497 rk.
Verordening (EG) nr. 3310/75 (PbEg 1975, nr. L 328/12). Kamerstukken II 1976/77, 14 477, nr. 3, p. 12.
Kamerstukken II 1990/91, 21 368, nr. 11, p. 2. Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 8, p. 1.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 4.
Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 8, p. 1.
Tiende Protocol tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden bij het Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht ondertekend te ’s-Gravenhage op 18 februari 1950, Trb. 1993, 19.
Stb. 1951, 215, p. 30 e.v. Trb. 1984, 122. Trb. 1989, 10.
Tiende Protocol tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden bij het Verdrag tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht ondertekend te’s-Gravenhage op 18 februari 1950, tot stand gekomen op 2 december 1992 te Brussel, Trb. 1993, 19.
Kamerstukken II 1992/93, 23 266, nrs. 353 en 1, p. 3.
Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 6, p. 11, nr. 12, p. 1-2.
Trb. 1998, 63.
Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 12, p. 5, en 22 843, nr. 7, p. 6.
Richtlijn, 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PbEg 1992, L 76).
Trb. 1970, 106. Zie voor het bijbehorende Protocol Trb. 1977, 45.
Trb. 1972, 108. Zie voor de bijbehorende Protocollen Trb. 1978, 134.
Elfde Protocol bij het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden tot unificatie van accijnzen en van het waarborgrecht, ondertekend te’s-Gravenhage op 18 februari 1950, Brussel, 22 september 1998, Brief van de Minister van Buitenlandse zaken, Staten-Generaal, 1998–1999, 198, nr. 1.
Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 7, p. 5-6. Kamerstukken II 1992/93, 22 844, nr. 10.
Kamerstukken II 1992/93, 22 697. Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 7. Wet van 24 december 1992, Stb. 1992, 711 jo. 684.
‘Volgens de artt. 196-199 der algemeene wet van 26 Augustus 1822 (Staatsblad n°. 38) hebben de ambtenaren steeds toegang tot de bergplaatsen voor verlengbaar krediet en de eerlijke wijnhandelaars hebben in die bergplaatsen geene vruchten of verboden vruchtensappen noodig.’1
mr. N.G. Pierson,
Minister van Financiën, 16 september 1898
De wijnaccijns is de zesde van de acht accijnzen van het systhema-Gogel van 1805.2
Naast het verkrijgen van algemene middelen ligt aan de wijnaccijns de volksgezondheidsratio ten grondslag: het ontmoedigen van het misbruik van alcoholhoudende dranken. ‘Men ijvert met alle vermogen, om vooral deze ten zwaarste te doen bijdragen in de gemeene lasten, te gelijker tijd dat men wenscht het verbruik zelf zooveel mogelijk te doen afnemen’, aldus Sickenga (1865) over de gedistilleerdaccijns en de wijnaccijns anno 1805.3
In de eerste helft van de 19e eeuw heeft de wijnaccijns naast de primaire taak om middelen voor ‘s Rijks schatkist te vergaren ook de functie tot bescherming van de inlandse wijnproductie.4 De wijnaccijns van ‘van buiten ingevoerden wijn’ is beduidend hoger, maar ‘voorzeker niet boven mate’.5 Dit is één van de voorbeelden van thuismarktbescherming, een doel dat aan de wijnaccijns tot aan de ratificatie van het EG-verdrag niet vreemd is, ondanks dat vanaf de afschaffing van diverse beschermende maatregelen door minister Betz (1865) als adagium geldt: ‘Een accijns dient naar zijn aard, als regel, nu eenmaal niet tot bescherming van bepaalde bedrijven’.6 Een vleugje bescherming evenwel kan wat minister Appelius betreft wel door de beugel.7
Van regeringszijde wordt consequent aangegeven dat wijn ‘een uitgesproken luxekarakter’ bezit.8 Niettemin worden fustwijnen in bredere lagen van de bevolking gedronken en wordt een zekere pariteit tussen de wijnaccijns en de gedistilleerdaccijns nagestreefd.9
Verder schrijven sommigen aan wijn geneeskundige waarden toe en bestaat de overtuiging dat een gematigd wijnaccijnstarief het misbruik van sterke drank beperkt.
Voorts kenmerkt de wijnaccijns zich doordat de opbrengst ervan daalt bij een verhoging van het tarief.10 Volgens minister Pierson moet de wijnaccijns eerder worden verlaagd om hem productiever te maken.11 Met verhogingen van de wijnaccijns moet daarom uit budgettair oogpunt voorzichtig worden omgesprongen, aldus minister Van Lynden van Sandenburg (1881).12 Deze fenomenen spelen de hoofdrol bij de bepaling van het tarief van de wijnaccijns.
Wijn is een zeer oude en tot op de dag van vandaag stabiele belastinggrondslag.
Aan het begin van de 19e eeuw wordt de wijnaccijns geheven van ‘alle wijnen, welke den Lande zullen ingevoerd, of aldaar geteeld en gewonnen worden’.13 Het stabiele karakter van luxegoed en de omstandigheid dat wijn in zijn algemeenheid een invoerproduct is, maakt wijn tot een zeer geschikte belastinggrondslag, aldus Appelius (1816) ‘terwijl de wijn bovendien, voor zoo veel de binnenlandsche consumtie betreft, een passief gedeelte van ‘s Rijks handel uitmaakt, en dus de wetgever eene reden te meer oplevert, om dien onder de geschikt voorwerpen van Indirecte Belastingen te rangschikken.’.14 Minister Van Bosse (1858) meent, dat wijn een uitnemende belastinggrondslag is.15 Aan de hoogte van de wijnaccijns moet een zeker maximum worden gesteld, omdat zowel het Rijk als de gemeenten wijnaccijnzen heffen (1858).16
De gedachte om de wijnaccijns te verhogen is in de 19e en 20e eeuw een groot aantal keren geopperd.17 Maar spreken over een verhoging van de wijnaccijns is bij achtereenvolgende bewindslieden bepaald niet populair: ‘Verhooging van den accijns op wijn zou niet vrij van bedenking zijn en althans voor het tegenwoordige niet raadzaam, om redenen waarover de ondergeteekenden thans liever niet wenschen uit te weiden’.18 ‘Tegen dat voorstel zijn terstond kreten van verontwaardiging, bijna van wanhoop, uit alle deelen des lands opgegaan’.19 ‘Bij velen bestaat het denkbeeld dat het Rijk door zoodanige verhooging nog veel zou kunnen winnen, een denkbeeld langen tijd ook door mij gedeeld. Doch ik moet bekennen dat nader onderzoek mij in die meening niet heeft bevestigd. Integendeel! Ik zoude zeer vreezen dat sterke verhooging van den wijnaccijns niet zou gevolgd worden door noemenswaardige vermeerdering van opbrengst’. ‘Door bekwame hoofdambtenaren heb ik reeds de meening hooren verkondigen dat om den wijnaccijns productiever te maken men dien zou moeten verlagen’.20 In pogingen om het vaderland voor de verhoging van de wijnaccijns te behoeden roepen sommigen zelfs om de hulp van Frankrijk. ‘Er waren zelfs patriotten, die terstond de hulp van Frankrijk inriepen om ons te bewaren voor dien ondragelijken last.’.21 Frankrijk zet regeringen van afzetlanden nogal eens onder druk wanneer deze de lasten op het Franse nationale product te hoog opschroeven.
De wijnaccijns drukt vooral op de meergegoeden in de samenleving.22 Het Tweede-Kamerlid Van Houten (1892) stelt vast: ‘Zeer zeker drinkt de arbeidende klasse veel minder vrijwillig jenever dan wij wijn’.23 In de Eerste Kamer wordt geconstateerd: ‘Het is niet te ontkennen dat het gedistilleerd een drank is voor het volk en (…) de wijn (…) den drank voor de heeren’.24 ‘Zoo belast men, ook bij den wijn ‘iedereen’, en het meest den rijke’, aldus Van der Poel (1927) die vaststelt dat ‘het van buitenlandsch ingevoerd product niet geheel hetzelfde is als het binnenlandsch vervaardigde’, en dat de binnenlands vervaardigde wijn een minderwaardig product is. De goedkope wijnen worden geconsumeerd door de middeninkomensgroepen en de duurdere soorten uit het buitenland, die in flessen op de Nederlandse markt worden gebracht, door de hogere.25 Hulst (1932) noemt de wijnaccijns in navolging van Bok ‘de weeldebelasting der gegoeden’ en stelt vast dat deze in zijn opbrengst geenszins gelijke tred heeft gehouden met de algemene stijging van de belastingen.26
Anno 1893 bestaat slechts 7% van de invoer van wijn uit wijn in flessen. ‘Daaruit kan men afleiden hoe groot het verbruik der mindere wijnsoorten is. Juist die mindere soorten hebben de concurrentie te duchten van het bier, want vele personen aarzelen of zij bier dan wel wijn zullen drinken’.27 Wijn is niet alleen een luxegoed, maar ook geneesmiddel (1898). ‘Het gebruik van wijn wordt vaak voorgeschreven aan zieken en herstellenden, en verhooging van de belasting op het artikel scheen daarom uit een hygiënisch oogpunt min wenschelijk’.28 Draagvlak en draagkracht voor verhoging van de wijnaccijns is minimaal. Wijn is een gezonde drank, misbruik van sterke drank mag niet in de hand worden gewerkt. ‘Men vergete toch niet dat wijn niet alleen een artikel van weelde, maar ook, uit een sanitair oogpunt beschouwd, een der meest gezonde dranken is.’.29 De wijnaccijns treft de goedkope wijnen het zwaarst (1898). Het tarief van de wijnaccijns mag niet stijgen om het gebruik van gedistilleerd te verminderen.
Wanneer de wijnaccijns zou worden verhoogd, treedt er ongewenste substitutie op van wijn naar bier en gedistilleerd.30 Wel mag de wijnaccijns zwaarder drukken op wijn in flessen dan op fustwijnen, naar het voorbeeld in andere landen, en in het bijzonder van champagne. De wijnhandel zou hiertegen geen bezwaar hebben.31 ‘Het belang der industrie pleit voor een zwaardere belasting op den wijn, welke met flesschen wordt ingevoerd’.32 Hieraan moet het thuismarktbeschermend oogmerk worden toegeschreven. Verhoging van de wijnaccijns ligt aan banden door het handelstraktaat met Frankrijk. De weg naar handelsafspraken met Frankrijk is moeilijk en om zover te komen moet Nederland eerst water bij de wijn doen.33 Dat water wordt de afschaffing van de gemeentelijke accijnzen waaronder die van wijn. Die afschaffing verschaft openingen om met Frankrijk met succes te onderhandelen over een tariefakkoord en handelsakkoord.34
Ten behoeve van de fruitteelt wijkt de wetgever af van het adagium dat een accijns naar zijn aard niet dient tot bescherming van bepaalde bedrijven. Oogmerk is het exploiteren van betere afzetmarkten voor binnenlands geteeld fruit, zulks op aandrang van de maatschappijen van land- en tuinbouw en van nijverheid. Daartoe worden hier te lande geproduceerde gegiste en ongegiste dranken vervaardigd uit verse boomvruchten, niet zijnde druiven, van de wijnaccijns vrijgesteld.35 Op deze vruchtenwijnaccijnsvrijstelling wordt al jaren aangedrongen.36 De goedkope buitenlandse wijnen en binnenlandse vruchtenwijnen, vooral de al vóór 1870 van wijnaccijns vrijgestelde aalbessenwijn, worden zodanig veelvuldig gebruikt ter versnijding van edeler wijn, dat de detailhandel bijna geen vruchtenwijn onder de eigen benaming van vruchtenwijn verkoopt. Veel vruchtenwijn wordt als port in kruidenierswinkels verkocht. Wijn wordt uit verlengbaar krediet met afschrijving van accijns ten uitvoer aangegeven, terwijl vermenging met vruchtenwijn plaatsvindt en van die vermenging uiterst moeilijk overtuigend bewijs is te leveren. Minister Colijn spreekt van ‘eene leemte in de fiscale wetgeving’ die overtreding van de Warenwet 191937 in de hand werkt. Fraude en andere knoeierijen met betrekking tot de wijnaccijns nemen verontrustende vormen aan.38 Zowel ‘de billijkheid tegenover den eerlijken wijnhandel, als de zorg voor de opbrengst van den wijnaccijns’ brengen minister Colijn ertoe voor te stellen de vrijstelling ongedaan te maken. ‘Zoolang toch een accijns niet gebruikt wordt als een middel om een binnenlandschen tak van nijverheid te beschermen, valt niet in te zien waarom het binnenlandsch product accijnsvrij zou zijn, te minder, waar dat binnenlandsche product maar al te gemakkelijk kan dienen om, versneden met wat buitenlandsch, voor het duurdere buitenlandsche door te gaan.’.39 Het laten voortbestaan van de vrijstelling is te duur geworden en stimuleert niet alleen knoeierijen, maar ook het ontstaan en voortbestaan van marginale bedrijven. Bovenal geldt, aldus minister Colijn, de neutraliteit van de accijnsheffing. ‘Er is echter geen enkele reden om, nu de eene soort meer en meer in zwang komende goedkoope wijn belast is, een andere soort, de vruchtenwijn, onbelast te laten. Een accijns dient naar zijn aard, als regel, nu eenmaal niet tot bescherming van bepaalde bedrijven’. De accijnsvrijstelling heeft haar doel flink gemist. ‘De ooftbouw is door geheel andere oorzaken dan de beschermingspoging tot verdere ontwikkeling gekomen’.40 Colijn‘s opvolger De Geer breidt vrijstelling nog verder uit. Wanneer de export van druiven een afnemende tendens laat zien, bevordert minister Oud (1934) de binnenlandse afzet van druivensap door ongegiste druivenmost, waaruit druivensap wordt vervaardigd, van wijnaccijns vrij te stellen. Daardoor kan druivensap eerlijk concurreren met limonades en andere uit onbelaste vruchtensappen vervaardigde dranken. Ongegiste druivenmost is met wijnaccijns belast, omdat daaruit wijn kan worden gemaakt.41 In de voorstellen voor de Wa (1989) wordt aanvankelijk nog voorgesteld onder meer bloesemwijn en brandnetelwijn onder de vruchtenwijnaccijnsvrijstelling te brengen. Tegelijkertijd geeft de staatssecretaris aan niets meer in de indertijd geldende beleidsmotieven ten aanzien van de fruitteelt te zien, maar kan die niet afschaffen, omdat het een in Beneluxverband geünificeerde vrijstelling betreft en de Benelux-partners vooralsnog niet met afschaffing kunnen instemmen. Toch leidt de staatssecretaris de afschaffing in met het motief dat na de invoering van de vrijstelling in het kader van het EG-landbouwbeleid diverse regelingen tot stand zijn gekomen voor de fruitteelt en fruitoverschotten.
Daarom is er, aldus de staatssecretaris geen aanleiding meer om de vrijstelling voor vruchtenwijn te handhaven.42
De rechtsgronden van de wijnaccijns zijn in de 19e eeuw, dat bijna alle wijn uit het buitenland komt, de wijn van eigen bodem ‘van een geringere kwaliteit’ is, en daardoor ‘aanspraak maken kan om weinig te worden gedrukt’, en het gebruik van wijn ‘zoo al niet voor een bewijs van gegoedheid, ten minste als zeker teeken mag worden aangemerkt, dat de gebruiker boven de bekrompenheid [= de dagelijkse sleur] verheven en in staat is om zich zekere overtollige geneugtens aan te schaffen, terwijl de wijn bovendien, voor zoo veel de binnenlandsche consumtie betreft, een passief gedeelte van ‘s Rijks handel uitmaakt, en dus den wetgever eene reden te meer oplevert, om dien onder de geschikte voorwerpen van Indirecte Belastingen te rangschikken’.
Het drinken van wijn wordt in zijn algemeenheid en in alle tijden beschouwd als een bewijs van gegoedheid, ondanks dat wijn in de eerste helft van de 19e eeuw in bepaalde streken in de zuidelijke Nederlanden een volksdrank is, van overigens ‘geringe kwaliteit’. Het is, aldus Staatsraad en directeur generaal der In- en Uitgaande Regten en Accijnsen Appelius: ‘buiten tegenspraak, dat bijna al de wijn welke in het Rijk gedronken wordt, is van buitenlanschen oorsprong, en dat het gebruik, zoo al niet voor een bewijs van gegoedheid, ten minste als zeker teeken mag worden aangemerkt, dat de gebruiker boven de bekrompenheid verheven en in staat is om zich zekere overtollige geneugtens aan te schaffen’. Omdat binnenlands vervaardigde wijn in bepaalde streken een volksdrank is, rust daarop aan het begin van de 19e eeuw een zeer matig tarief.43 Dikwijls is zijn afschaffing om deze en uiteenlopende andere redenen bepleit.44 Een saillant voorbeeld daarvan is het voorstel van het Tweede-Kamerlid Van Houten (1878) tot afschaffing van de wijnaccijns, omdat het ‘volstrekt niet billijk’ is ‘dat de menschen juist in verhouding tot den wijn dien zij drinken, moeten bijdragen in ‘s lands lasten, en het minst billijk is het, dat zij die slechten wijn drinken evenveel moeten betalen als zij die duren wijn drinken’.45
De accijnstarieven voor wijn en mousserende gegiste dranken zijn van 1947 tot 1993 in Benelux-verband geünificeerd geweest. Deze unificatie, ofwel harmonisatie is neergelegd in het op 22 december 1947 te Brussel gesloten protocol bij de douaneovereenkomst 1944. Deze op 5 september 1944 te Londen tussen de regeringen van België, Nederland en Luxemburg gesloten douaneovereenkomst46 vormt de basis voor de uiteindelijk te verwezenlijken douane-unie en accijnsunificatie in Benelux- verband.
De inwerkingstelling van de douaneovereenkomst 1944 met ingang van 1 januari 1948, waarbij de onderlinge douanegrens ten aanzien van de heffing van invoerrechten is opgeheven, is de eerste belangrijke stap in de richting van de vrijmaking van het onderlinge goederenverkeer. België en Luxemburg waren al sedert 1921 verenigd in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (Bleu).47 Het protocol bij de douaneovereenkomst en de bij het protocol getroffen regeling voor de wijnaccijns zijn via de nationale parlementaire goedkeuringsprocedures in de drie Benelux-landen per 1 januari 1948 in werking gekomen.48 Deze harmonisatie wordt herbevestigd bij het Benelux-verdrag 1948.
De wijnaccijns is de enige accijns die in Benelux-verband geünificeerd is geweest. ‘De heffing op de wijn is de enige, die wel is geuniformeerd (...). Het is dus niet mogelijk, zonder van het verdrag af te wijken, deze accijnzen te verhogen’49, aldus staatssecretaris Hoefnagels (1965). De unificatie van de wijnaccijns maakt het daarom bij de harmonisatie van de omzetbelasting (1967) ook niet mogelijk de hoge omzetbelastingheffing op wijn om te zetten in een accijns.50 De zich allengs openbarende onbestuurbaarheid van de wijnaccijns is voor staatssecretaris Grapperhaus (1969) aanleiding om de Tweede Kamer de toezegging te doen in Benelux-verband te komen tot een wijziging van de wijnaccijns.51 De opbrengst van de accijns van mousserende gegiste dranken blijkt in de ‘50-er jaren van de 20e eeuw zeer gering. Diverse Tweede-Kamerleden vragen zich af of het wel zin heeft om de wijnaccijns te handhaven. Minister Hofstra (1957) antwoordt geen mogelijkheid te zien de heffing van de wijnaccijns achterwege te laten, ook al is de budgettaire betekenis voor Nederland gering. De Nederlandse wijnaccijns kan moeilijk in het complex van geünificeerde accijnzen worden gemist, omdat in België en in het bijzonder in Luxemburg de opbrengst van deze accijns een niet onbelangrijk deel van de belastingopbrengst uitmaakt.52
De unificatie van de accijnzen omvat gemeenschappelijke tarieven, eenvormige maatstaven van heffing, eenvormige regelingen voor de heffing van accijnzen en het clearingmechanisme voor de verrekening van de accijnsopbrengsten tussen de schatkisten van de Benelux-lidstaten. Door deze wijze van unificatie wordt het grondgebied van België, Nederland en Luxemburg voor de toepassing van de wijnaccijns van 1958 tot 1993 beschouwd als het grondgebied van één EEG-lidstaat en worden alle in die periode in het binnenland van de Benelux geproduceerde wijnen aangemerkt als nationale producten in de zin van het Europese fiscaal-discriminatieverbod.53
Luxemburgse druivenwijn is van gemeenschappelijke wijnaccijns vrijgesteld. Deze vrijstelling was oorspronkelijk gebaseerd op artikel 6 van de Overeenkomst van 25 juli 1921 tot oprichting van een economische unie tussen België en het Groothertogdom Luxemburg (het Bleu-verdrag)54 en is later overgenomen in het Benelux-Unieverdrag van 3 februari 1958. De vrijstelling bepaalt dat natuurlijke wijn, welke in het Groothertogdom Luxemburg volgens de Luxemburgse wettelijke en administratieve bepalingen is bereid uit aldaar geoogste verse druiven, niet met de in het Benelux-verdrag bedoelde accijns kan worden belast. Bij het Zesde protocol bij het -verdrag 1950 is per 1 januari 1976 een limiet gesteld aan de vrijstelling.55 Die mag niet uitgaan boven LF 600 om verdere vergroting van het handelsvoordeel voor Luxemburgse wijnen op de interne Benelux-markt te voorkomen. De vrijstellingsregeling blijft van kracht56 tot aan de harmonisatie van de wijnaccijns in EG-verband, 1 januari 1993.57
De accijnstarieven voor wijn en mousserende gegiste dranken zijn sedert de vaststelling in 1947 niet meer bijgesteld. Ook bij het Benelux-verdrag 1972 blijven de tarieven ongewijzigd. Een bijstelling blijft ook uit vanwege de lopende onderhandelingen over de aanpassing van het nimmer in werking getreden Benelux-verdrag 1972.
Dientengevolge blijven de tarieven ver achter bij de algemene ontwikkeling van het prijspeil, hetgeen een reële verlaging van de accijnsdruk betekent. Luxemburg heeft vanwege zijn wijnbouwbelangen onoverkomelijke bezwaren tegen wijziging van de geünificeerde Benelux-tarieven.58 De omstandigheid dat Duitsland en Italië geen wijnaccijns kennen en Frankrijk slechts een zeer lage, is op het Luxemburgse standpunt van grote invloed.59
België en Nederland voeren per 1 januari 1976, naast de gemeenschappelijke Benelux-accijns van BF/LF 600, waarvan, zoals gezegd, Luxemburgse wijn is vrijgesteld, ieder eenzijdig een bijzondere wijnaccijns in, die even hoog is als de gemeenschappelijke.
In Luxemburg vervaardigde wijn zou, volgens het principe van het Braathensarrest (1999) avant la lettre, van de bijzondere wijnaccijns worden vrijgesteld60, zodat op dit punt de bestaande toestand met betrekking tot de vrijstelling van wijnaccijns voor Luxemburgse wijn zou kunnen worden bestendigd. Drie motieven bewegen de Nederlandse regering tot de eenzijdige invoering van de bijzondere wijnaccijns: de inflatoire ontwikkelingen gedurende een lange reeks van jaren, het uitblijven van resultaten van de Benelux-accijnsunificatie en de actuele moeilijke budgettaire situatie.
Tegen deze achtergronden is, aldus de bewindslieden, een verhoging van de gedistilleerdaccijns, de wijnaccijns en de accijns van mousserende dranken alleszins gerechtvaardigd, temeer daar de tarieven van deze accijnzen bij de algemene ontwikkeling van het prijspeil fors zijn achtergebleven. Het prijspeil voor de particuliere consumptie, voor gedistilleerdaccijns en voor de wijnaccijns anno 1951 gesteld op 100, is in 1976 voor de particuliere consumptie gestegen naar 301, voor de gedistilleerdaccijns naar 222 en voor de wijnaccijns naar 182.61 Aanpassing van de wijnaccijns aan de geldontwaarding wordt in de Tweede Kamer breed gesteund, ook in latere jaren, al zien veel leden zo’n maatregel liever geleidelijker ingezet en vormgegeven.62
In EG-verband blijkt echter bepaald dat de ten aanzien van Luxemburgse wijnen toegepaste preferentie in de Benelux niet groter mag zijn dan die welke op 1 januari 1975 van kracht was. De Luxemburgse wijn kan daarom niet worden vrijgesteld van de per 1 januari 1976 ingevoerde bijzondere accijns van wijn.63 Ingaande 1992 wordt de tariefstructuur van de gewone en bijzondere wijnaccijnzen geïntegreerd tot één tarief voor niet-mousserende wijn en één tarief voor mousserende wijn. Het gemeenschappelijke tariefniveau blijft in zijn totaliteit gehandhaafd; daarom komt deze integratie niet in strijd met het Benelux-accijnsverdrag 1950.64
In 1990 gaan stemmen op om het Benelux-verdrag 1950, het verdrag dat alle accijnzen in Benelux-verband zou moeten gaan harmoniseren, geheel en al op te zeggen, ook al omdat dit verdrag vereenvoudiging van belastingwetgeving in de weg staat.
Aan dubbele internationale regelgeving bestaat geen behoefte. Voor aanpassing of opzegging is een protocol vereist dat in onderlinge overeenstemming tot stand komt en in elk van de partnerlanden parlementair moet worden goedgekeurd, zo schrijven de bewindslieden.65 De vraag of tot intrekking van het Benelux-verdrag 1972 moet worden overgegaan wordt eveneens in Benelux-verband aangekaart66 en besproken.67 De besprekingen leiden tot het Tiende protocol, dat op 2 december 1992 te Brussel tot stand komt.68 Het Tiende Protocol strekt tot wijziging van het Benelux-verdrag 1950.69 Het doet de enig in werking zijnde artikelen 9, 9bis en 10 van het Benelux-verdrag 1950 betreffende de wijnaccijns vervallen per 1 januari 1993.70 Het protocol beëindigt de facto de hele Benelux-unificatie met het oog op de EG-accijnsharmonisatie.
Dit gebeurt zo, omdat de accijnsregeling voor wijn in de Benelux ingrijpend gewijzigd zou moeten worden om te voldoen aan de desbetreffende EG-richtlijnen en omdat het vervoer van wijn in de Benelux met ingang van 1 januari 1993 conform de regels van de Accijnsrichtlijn moet plaatsvinden. Anders dan bij de geünificeerde wijnaccijns moet het verkeer in beginsel onder opschorting van de accijns plaatsvinden in plaats van veraccijnsd.71 De drie verdragsartikelen zijn niet in overeenstemming met het bepaalde in de Accijnsrichtlijn en de Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken. De geünificeerde wijnaccijns kan dan ook niet meer worden geheven in overeenstemming met het EG-verdrag. Daartoe zouden deze artikelen eerst moeten worden herzien. De regeringen van de Benelux-landen besluiten daar niet meer toe over te gaan.72 Geheel in lijn met de stroperigheid waarmee de Benelux-accijnsunificatie sedert 1950 is omgeven, komt de ratificatie van het Tiende Protocol tergend langzaam tot stand. Nederland legt op 22 oktober 1993 een akte van bekrachtiging neer bij de Secretaris-Generaal van de Bleu, Luxemburg op 9 september 1997 en België op 5 februari 1998. Het Tiende Protocol treedt in werking op 1 maart 1998 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1993.73 Doordat het de drie bepalingen doet vervallen, heeft het Benelux-verdrag 1950 feitelijk geen werking meer. De staatssecretaris zegt desgevraagd niet te kunnen aangeven of de wijnaccijns nu geleidelijk opwaarts zal worden aangepast.74
In 1998 maken de Benelux-lidstaten met het Elfde Protocol een formeel einde aan de Benelux-accijnsunificatie. Vanaf 1 januari 1993 gelden de Europese regels met betrekking tot de interne markt in Europese richtlijnen met betrekking tot de structuur van de accijnsheffing, de minimumniveaus van tarieven en de vervaardiging, het verkeer en de opslag van accijnsgoederen.75 De Benelux-accijnsverdragen met bijbehorende protocollen zijn door de ontwikkelingen in EG-verband voorbijgestreefd en hebben daarom hun belang verloren. Het wordt wenselijk geacht deze dan ook in te trekken. Het Tiende protocol stelt het verdrag van 1950 al buiten werking. Voor de op 10 juni 1970 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tot eenmaking van het Benelux-accijnsgebied76 geldt dat de inwerkingtreding gekoppeld is aan het Beneluxverdrag 1972.77 Deze overeenkomst is nooit in werking getreden, omdat die nimmer door België is bekrachtigd. Het Elfde Protocol doet de overeenkomst van 1970 en de overeenkomst van 1972 vervallen.78
In de Wa is met ingang van 1 januari 1993 op budgettair neutrale wijze, dus gerelateerd aan het geünificeerde accijnsniveau, een op de EG-richtlijnen gebaseerde tariefstructuur opgenomen. Het niveau van de geünificeerde wijnaccijns is niet in strijd met het EG-minimumniveau. Een verhoging van de wijnaccijns boven het niveau van de geünificeerde wijnaccijns, is gelet op de richtlijnen niet geboden. Ter gelegenheid van de instelling van de interne markt en de daarmee gepaard gaande afschaffing van de fiscale grenzen, wordt de wijnaccijns per 1 januari 1993 verhoogd. Deze verhoging compenseert de opbrengstderving die voortvloeit uit een aanpassing van de tariefstructuur van de accijnzen van alcoholvrije dranken79, die als niet-communautaire accijnzen per gelijke datum worden opgenomen in een afzonderlijke wet, de Wet AVD.80 De verhoging van de wijnaccijns en de accijnzen van tussenproducten bedraagt 26,4%.