Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.3.1
4.3.1 Karakter en reikwijdte specifieke richtlijnen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300510:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 16.
Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22 712 nr. 3, par. 2.3 voor het communautaire begrip ‘intracommunautaire verwerving’ in de btw.
S. van Thiel, De BVP is verenigbaar met het Europese recht, althans voorlopig!, WFR 1989/930.
Hetzelfde geldt voor het Europese btw-systeem, waarbij het, in relatie met een met de btw cumulerende belastingregeling, de vraag is of het bestaan of de werking van dit systeem als algemene verbruiksbelasting, strikt evenredig aan de prijs van goederen en diensten ongeacht het aantal transacties, met aftrek van voorbelasting, in gevaar wordt gebracht. HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1988, p. 1343, r.o. 15. Conclusie A-G Mancini 15 december 1987 voor HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1988, p. 1343, r.o. 5-6. HvJ EG 27 november 1985, nr. 295/84, Rousseau Wilmot SA, in receivership vs. Caisse de Compensation de l'Organisation Autonome Nationale de l'Industrie et du Commerce (Organic), Jur. 1985, p. 3759, r.o. 14 en 16. HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 18. Conclusie A-G Mischo van 27 april 1989 voor HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 54. HvJ EG 7 mei 1992, nr. C-347/90, Aldo Bozzi vs. Cassa di Previdenza ed Assistenza a Favore degli Avvocati ed Procuratori, Jur. 1992, p. I-2947, r.o. 9. HvJ EG 16 december 1992, nr. C-208/91, Raymond Beaulande vs. Directeur des services fiscaux de Nantes, Jur. 1992, p. I-6709, r.o. 12. HvJ EG 17 september 1997, nr. C-130/96, Fazenda Pública vs. Solisnor-Estaleiros Navais SA, Jur. 1997, p. I-5053, r.o. 13. Zo wordt bijvoorbeeld de draagwijdte van art. 401 BTW-richtlijn (tot 1 januari 2007: art. 33 Zesde BTW-richtlijn) bepaald naar de functie van deze bepaling in het kader van het geharmoniseerde stelsel van omzetbelasting, dat de vorm heeft van een belasting over toegevoegde waarde. Art. 33 Zesde richtlijn heeft ten doel te beletten dat de werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar wordt gebracht.
HR 14 juni 1926, Weekblad voor het Recht, nr. 11.556, Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen 1926, nr. 2837.
HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 10. Conclusie A-G Mischo van 27 april 1989 voor HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 10.
HvJ EG 15 juli 2004, nr. C-365/02, Marie Lindfors vs. Finse motorrijtuigenbelastingautoriteit (onderworpenheid aan autovero (Finse motorrijtuigenbelasting, een eenmalige, op basis van de belastbare waarde berekende belasting, die vóór de registratie of ingebruikneming van een personenauto of voertuigen van andere categorieën moet worden voldaan; over de autovero wordt bovendien krachtens de arvonlisäverolaki btw geheven) bij overbrenging van verblijfplaats naar Finland), (PbEg 2002, C 323), Jur. 2004, p. I-7183, r.o. 24.
Zo ook: Conclusie A-G Mischo van 27 april 1989 voor HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 42-43.
COM(94)127. COM(95)172 def.
COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 vervallen, Brussel: 30 juni 2006, par. 2.2.4.
Art. 2 lid 19 Verordening administratieve samenwerking.
Zoals het gebruik van eenzelfde benaming voor een categorie belastingen met eenzelfde karakter het voordeel heeft, dat belanghebbenden een beter inzicht in de werking van de verschuldigde belasting verkrijgen en een juister beeld van de opbrengsten van de accijnzen – bijzondere verbruiksbelastingen – kan worden gevormd1, zo behoort dit uitgangspunt ook te gelden voor de accijnzen in EG-verband. De gebruikte formuleringen lopen per lidstaat uiteen, omdat in de meeste lidstaten niet het woord accijns de gangbare aanduiding is, maar de formulering bijzondere verbruiksbelasting.
De inhoudelijke betekenis van deze begrippen zijn blijkens de Accijnsrichtlijn en de BTW-richtlijn hetzelfde. Door middel van het zorgvuldig gekozen gebruik in de diverse taalversies van de Accijnsrichtlijn en in artikel 401 van de BTW-richtlijn van de begrippen accijns, accijnzen, bijzondere verbruiksbelasting, bijzondere verbruiksbelastingen en andere indirecte belastingen, heeft de gemeenschapswetgever willen aangeven dat het karakter van de betreffende belasting van geval tot geval aan de hand van de feitelijke omstandigheden dient te worden vastgesteld, waarmee een overal binnen de Gemeenschap eenduidig toepasbaar communautair begrip is gecreëerd.
De inhoud van deze begrippen zijn in de lidstaten veelal historisch bepaald. In het spraakgebruik en in het economisch verkeer zijn zij naar een eenduidige betekenis toegegroeid.
De begrippen accijns en bijzondere verbruiksbelasting geven in elk concreet geval de economische werkelijkheid weer en zijn niet afhankelijk van de per lidstaat verschillende – niet-geharmoniseerde – nationale stelsels van bestuurs- en civielrecht.2
Met Van Thiel (1989) moet dus worden vastgesteld dat van een ‘historische toevalligheid’ van het gebruik van het begrip accijns in het geheel geen sprake is.3
Artikel 1 van de Accijnsrichtlijn bevat in de Duitse taalversie: ‘die Verbrauchsteuern und die anderen indirekten Steuern, die unmittelbar oder mittelbar auf den Verbrauch von Waren erhoben werden’, in de Deense taalversie: ‘varer, der pålægges punktafgifter og andre indirekte skatter, der direkte eller indirekte pålægges forbruget af disse varer’, in de Engelse taalversie: ‘products subject to excise duties and other indirect taxes which are levied directly or indirectly on the consumption of such products, in de Spaanse taalversie: ‘productos objeto de impuestos especiales y de otros impuestos indirectos que gravan directa o indirectamente el consumo de dichos productos’, in de Franse taalversie: ‘produits soumis à accise et autres impositions indirectes frappant directement ou indirectement la consommation de ces produits’, in de Italiaanse taalversie: ‘prodotti sottoposti alle accise e ad altre imposte indirette gravanti, direttamente o indirettamente, sul consumo di questi prodotti’, in de Nederlandse taalversie: ‘producten onderworpen aan accijnzen en andere indirecte belastingen die direct of indirect worden geheven op het verbruik van die producten’, en in de Portugese taalversie: ‘produtos sujeitos a impostos especiais de consumo e outros impostos indirectos que incidem directa ou indirectamente sobre o consumo desses produtos’. Artikel 401 BTW-richtlijn bevat in de Duitse taalversie: ‘verbrauchsteuerpflichtigen Waren’ en ‘Verbrauchsteuern’, in de Deense taalversie: ‘punktafgiftspligtige varer’ en ‘punktafgifter’, in de Engelse taalversie: ‘products subject to excise duty’ en ‘excise duties’, in de Spaanse taalversie: ‘productos sujetos a impuestos especiales’ en ‘impuestos especiales’, in de Franse taalversie: ‘produits soumis à accise’ en ‘d’accises’, in de Italiaanse taalversie: ‘prodotti soggetti ad accise’ en ‘accise’, in de Nederlandse taalversie: ‘aan accijns onderworpen produkten’ en ‘accijnzen’, en in de Portugese taalversie: ‘produtos sujeitos a impostas especiais sobre o consumo’ en ‘impostos (…) consumos especiais’.
Het gebruik van deze verschillende termen wijst er duidelijk op, dat de kwalificatie van een belastingregeling niet afhankelijk kan worden gesteld van benamingen of van nationale criteria. De reden daarvoor is duidelijk en kan worden gevonden in de doelstellingen van het stelsel: de accijnzen zijn belastingen waarvan de kenmerken op gemeenschapsniveau zijn geharmoniseerd en waarvan een deel van de opbrengst bijdraagt in de financiering van de Gemeenschap. Zoals in hoofdstuk 2 is geconcludeerd zijn die kenmerken: selectieve heffing ter zake van het verbruik en afwenteling op de uiteindelijke verbruiker, naar de hoeveelheid product of gewicht en eenmalig in de keten. Zij moeten in gemeenschapsrechtelijke zin worden verstaan.4 Zou dit anders zijn, dan is de eenvormige toepassing van deze bepalingen in alle lidstaten niet gewaarborgd. Een lidstaat zou een belastingregeling dan immers slechts tot accijns behoeven te bestempelen of de term accijns juist uit de weg gaan door de belastingregeling dan deze of gene naam te geven om bepaalde gevolgen te doen intreden of te vermijden, zoals bijvoorbeeld het buiten het in artikel 401 BTW-richtlijn geformuleerde verbod (heffingen mogen niet het karakter van omzetbelasting bezitten) doen vallen van de regeling. De formulering accijns in de Accijnsrichtlijn en in artikel 401 BTW-richtlijn kan niet worden geacht op elke belasting betrekking te hebben die het nationale recht van een lidstaat Staat als zodanig kwalificeert.
De verenigbaarheid van een belasting met het gemeenschapsrecht is volgens het HvJ EG niet afhankelijk van zijn benaming, noch van een nationale wetgevingsprocedure via welke zij in het nationale recht is ingevoerd, doch geheel en al van zijn objectieve kenmerken. De redenen van invoering van een nationale belasting naar het nationale recht van de betreffende lidstaat, de omstandigheden waaronder die belasting is ingevoerd of dat nationale uitvoeringsbepalingen die in eerste aanleg zijn bedoeld voor de btw of de communautaire accijnzen tevens worden benut om de nationale belasting tot uitvoering te brengen, zijn van geen belang voor de bepaling van het karakter daarvan. Evenals de Hoge Raad in zijn Speelkaartenaccijns-arrest (1926)5, acht ook het HvJ EG in het Wisselink-Abemij-arrest (1989) het karakter van een belastingregeling beslissend.6 De door het nationale recht aan een belastingregeling gegeven benaming is op zich niet doorslaggevend bij de beoordeling of een betrokken belasting een accijns is, aldus het HvJ EG in zijn arrest-Lindfors (2004).7
Het begrip accijns kan dus slechts die accijnzen of bijzondere verbruiksbelastingen omvatten, welke door het gemeenschapsrecht wegens hun intrinsieke karakter als zodanig worden aangemerkt.8 Wat dit criterium betreft maakt de gemeenschapswetgever het er niet makkelijker op. De accijnzen die zijn uitgewerkt in de Richtlijn energiebelastingen, welke de Structuurrichtlijn minerale oliën ‘betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns van minerale oliën’ en de Tariefrichtlijn minerale oliën ‘betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale olien’ op 1 januari 2004 heeft vervangen, worden consequent aangeduid als belastingen.
De accijnzen van minerale oliën zijn daarmee belastingen op minerale oliën geworden, tezamen met andere energieproducten en elektriciteit, hoewel diverse voorstukken in de twaalfjarige ontstaansgeschiedenis van de Richtlijn energiebelastingen melding maken van accijnzen van energieproducten en van wijziging in de opsomming van de heffingsobjecten van de Accijnsrichtlijn van het element minerale oliën in:
energieproducten en elektriciteit.9 De EC spreekt in haar evaluatie (2006) van de derogaties in de Richtlijn energiebelastingen over ‘de voordelen van harmonisatie van de accijns op energieproducten en elektriciteit’.10 De gemeenschapswetgever heeft toch voor enige helderheid gezorgd. Ingevolge de Verordening administratieve samenwerking (2004) wordt onder accijnzen verstaan: de onder de Accijnsrichtlijn vallende belastingen, inclusief de belastingen op energieproducten en elektriciteit uit hoofde van de Richtlijn energiebelastingen.11 Niettemin worden de accijnzen van energieproducten en elektriciteit in de Richtlijn energiebelastingen aangeduid als belastingen en niet als accijnzen. Opmerkelijk is, dat de accijnzen van minerale oliën met de komst van de Richtlijn energiebelastingen plotseling geen accijnzen meer zijn. Aan het eerste van de zeven toetsingscriteria wordt niet voldaan.