Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/3.4.14
3.4.14 Assurantiën
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300507:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 8, p. 26 lk.
Het complex van indirecte belastingen van de Registratiewet 1917 en de Zegelwet 1917. KamerstukkenII 1969/70, 10 560, nr. 3, p. 10-13 en 24 lk. Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 6, p. 1 rk. en 10 lk. Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 7-8, p. 2 lk. Kamerstukken II 1989/90, 21 342, nr. 3, p. 1.Wet van 21 juni 1990, Stb. 1990, 334.
Art. 11 lid 1 onderdeel k Wet OB 1968.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, p. 10-13. Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 6, p. 1 en 10.
Art. 44 tot en met art. 50 Zegelwet 1917.
Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 7-8, p. 2 lk.
‘De assurantiebelasting is qua rechtsgrond een wat bizarre belasting. Overigens hebben wij qua rechtsgrond wel meer bizarre belastingen. Denk maar aan de overdrachtsbelasting. Eigenlijk alle belastingen, hoor ik de staatssecretaris als goed liberaal zeggen! Het is wel een extra complicatie. De route van de assurantiebelasting is dus niet eenvoudig te volgen.’1
drs. G. Zalm,
minister van Financiën, 8 december 1999
De assurantiebelasting wordt geheven telkens ten tijde van het vervallen van de premie wegens van de toestand van verzekerd zijn ter zake van het verbruik van financiële diensten. De eerste specifieke rechtsgrond van de assurantiebelasting is om het verbruik van financiële diensten in het rechtsverkeer te doen bijdragen aan de algemene middelen, onder het ontzien van oudedags- en andere toekomstvoorzieningen, zorg-, spaar- en werkloosheidsvoorzieningen alsmede internationaal vervoer en vermijding van dubbele belastingheffing.2 Deze financiële diensten zijn buiten de heffing van de omzetbelasting gebleven.3 Het gaat volgens de bewindslieden om belangrijke vormen van het financiële verkeer.4 De tweede specifieke rechtsgrond is de historische.
De voorganger van de assurantiebelasting, het poliszegel5, bestaat al zeer lange tijd en zijn decennialang verweven in het economische verkeer. De derde specifieke rechtsgrond is de handhaving van soortgelijke belastingen in de buurlanden. De vierde specifieke rechtsgrond is dat afschaffing van het poliszegel en niet-voortzetting in de assurantiebelasting (1959) noodzakelijkerwijs zou leiden tot compensatiemaatregelen elders, waardoor een verschuiving van de belastingdruk zou kunnen ontstaan naar gebieden waar deze mogelijk zwaarder zou vallen of minder gewenste repercussies zou hebben, zoals op het gebied van de prijzen, dan bij voortzetting in de assurantiebelasting het geval zou zijn.6