Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/3.4.7
3.4.7 Benzine
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301725:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 7 lk.
Kamerstukken II 1894/95, 180, nr. 9, p. 131 rk.
Zie hoofdstuk 4.
Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 3.
Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 7 lk.
Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3, p. 2 rk. Kamerstukken II 1946/47, 433, nr. 3, p. 12. KamerstukkenII 1949/50, 1703, nr. 3, p. 16-20. Handelingen II 1949/50, 3 maart 1950, p. 1499. Kamerstukken II 1963/64, 16 april 1964, p. 1665 rk.
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot exploitatie van petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië. Brugmans 1976, p. 339, 372, 476 en 506-507. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 3. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 3, p. 1-2. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13-14. Kamerstukken II 1972, 12 036, nr. 5, p. 3. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 14 lk. KamerstukkenII 1958/59, 5300 hoofdstuk IX B, nr. 14, p. 29. Kamerstukken II 1965/66, 8300, nr. 3, p. 4 rk. Kamerstukken II 1967/68, 9300, nr. 2, Hoofdstuk IX B, p. 12 lk. Kamerstukken II 1971/72, 14 oktober 1971, p. 354 rk. Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 4. Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 5. HandelingenII 1971/72, 16 november 1971, p. 1108-1110. Kamerstukken II 1967/68, 9315, nr. 5, p. 4 rk. Handelingen II 1963/64, 5 november 1963, p. 248, 279-280. Kamerstukken II 1973/74, 12 600 B, nr. 9. Handelingen II 1971/72, 3 november 1971, p. 786 rk. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 14 rk., par. 1. Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3. Kamerstukken II 1938/39, 56, nr. 2, p. 3. Kamerstukken II 1972/73, 12 436, nr. 4, p. 4 lk. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13 lk. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3200 lk. Handelingen I 1982/83, 29 maart 1983, p. 417 rk. Kamerstukken II 1982/83, 17 600, nrs. 38 en 41. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 5, p. 7. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 3, p. 1 en 5. Wet van 29 juni 1983, Stb. 1983, 298. Kamerstukken II 1982/83, 17 6 00, nrs. 38 en 41. Wet van 30 maart 1983, Stb. 1983, 144. Kamerstukken II 1982/83, 17 860, nrs. 3-4 p. 9. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3210 mk. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 7, p. 2. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797-4802. Handelingen I 1982/83, 28 juni 1983, p. 1080 rk. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797 lk. Handelingen I 1982/83, 28 juni 1983, p. 1081 lk. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 8. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4803 lk.
Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 1 en nr. 2. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 1. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 5-6. Wet van 19 december 1931 tot tijdelijke heffing van een bijzonder invoerrecht van benzine, Stb. 1931 , 527. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 6 rk. KamerstukkenII 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 2. Kamerstukken II 1931/32, 2. Hoofdstuk I., nr. 4, p. 28-29, Bijlage A. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 6 rk. Kamerstukken II 1931/32, 2. Hoofdstuk I., nr. 4, p. 28 rk., Bijlage A. Vgl. ook: Kamerstukken II 1894/95, 180, nr. 9, p. 131 rk. KamerstukkenII 1923/24, 365, nr. 3, p. 9 rk. en 11 rk. Kamerstukken II 1923/24, 365, nr. 3, III. Toelichting der tariefposten, n°. 96, Oliën en vetten, p. 48 rk. Kamerstukken II 1924/25, 66, nr. 4, p. 124 rk. Wet van 20 december 1924, Stb. 1924, n° 568.
Kamerstukken II 1967/68, 9315, nr. 3. Kamerstukken II 1967/68, 9315, nr. 4, p. 2-3. Handelingen II 1967/68, 14 november 1967, p. 387 lk. Kamerstukken II 1967/68, 9315, nr. 5, p. 3 lk. Kamerstukken II 1990/91, 22 063, nr. 1, p. 12. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 3. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 4, p. 7 lk. Handelingen II 1949/50, 3 maart 1950, p. 1481-1499. Kamerstukken II 1946/47, 433, nr. 3, p. 12. Kamerstukken II 1949/50, 1703, nr. 3, p. 16-20. Kamerstukken II 1963/64, 16 april 1964, p. 1654 en 1665. Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3, p. 2 rk. Kamerstukken II 1939/40, 403, nr. 2, p. 17 lk. Kamerstukken II 1957/58, 5005, nr. 3, p. 2 rk. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 6, p. 2 lk. Kamerstukken II 1963/64, 7185, nr. 5, p. 1.Wet van 15 juni 1951, Stb. 1951, 215. Handelingen II 1959/60, 3 december 1959, p. 355-356.
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot exploitatie van petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië. Brugmans 1976, p. 339, 372, 476 en 506-507. Kamerstukken II 1931/32, 135, nr. 3, p. 3 lk., par. 3. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 3, p. 1-2. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13-14. Kamerstukken II 1972, 12 036, nr. 5, p. 3. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 14 lk. KamerstukkenII 1958/59, 5300 hoofdstuk IX B, nr. 14, p. 29. Kamerstukken II 1965/66, 8300, nr. 3, p. 4 rk. Kamerstukken II 1967/68, 9300, nr. 2, Hoofdstuk IX B, p. 12 lk. Kamerstukken II 1971/72, 14 oktober 1971, p. 354 rk. Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 4. Kamerstukken II 1971/72, 11 508, nr. 5. HandelingenII 1971/72, 16 november 1971, p. 1108-1110. Kamerstukken II 1967/68, 9315, nr. 5, p. 4 rk. Handelingen II 1963/64, 5 november 1963, p. 248, 279-280. Kamerstukken II 1973/74, 12 600 B, nr. 9. Handelingen II 1971/72, 3 november 1971, p. 786 rk. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 14 rk., par. 1. Kamerstukken II 1938/39, 186, nr. 3. Kamerstukken II 1938/39, 56, nr. 2, p. 3. Kamerstukken II 1972/73, 12 436, nr. 4, p. 4 lk. Kamerstukken II 1935/36, 164, nr. 6, p. 13 lk. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3200 lk. Handelingen I 1982/83, 29 maart 1983, p. 417 rk. Kamerstukken II 1982/83, 17 600, nrs. 38 en 41. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 5, p. 7. Kamerstukken II 1982/83, 17 797, nr. 3, p. 1 en 5. Wet van 29 juni 1983, Stb. 1983, 298. Kamerstukken II 1982/83, 17 6 00, nrs. 38 en 41. Wet van 30 maart 1983, Stb. 1983, 144. Kamerstukken II 1982/83, 17 860, nrs. 3-4 p. 9. Handelingen II 1982/83, 22 maart 1983, p. 3210 mk. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 7, p. 2. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797-4802. Handelingen I 1982/83, 28 juni 1983, p. 1080 rk. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4797 lk. Handelingen I 1982/83, 28 juni 1983, p. 1081 lk. Kamerstukken II 1982/83, 17 936, nr. 8. Handelingen II 1982/83, 22 juni 1983, p. 4803 lk.
Wet van 4 mei 1950, Stb. 1950, 172. Kamerstukken II 1948/49, 1328, nr. 3, p. 4. Kamerstukken II 1949/50, 1328, nr. 7, p. 1. Volgens het Tweede-Kamerlid Hofstra hebben veel Tweede-Kamerleden voor het ontwerp gestemd omwille van het Benelux-argument. Handelingen II 1949/50, 9 mei 1950, p. 1739. Handelingen II 1949/50, 2 maart 1950, p. 1489-1490. Kamerstukken II 1949/50, 1328, nr. 7, p. 5.
Wet van 28 december 1956, Stb. 1956, 646. Kamerstukken II 1956/57, 4550, nr. 3. Kamerstukken II 1956/57, 4550, nr. 5, p. 2-5. Handelingen II 1968/69, 21 mei 1969, p. 2922 lk. Kamerstukken II 1963/64, 7400 Algemene financiële beschouwingen, nr. 4, p. 2 rk. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 3. Kamerstukken II 1963/64, 7560, nr. 2. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 3. Kamerstukken II 1963/64, 7533, nr. 5, p. 5 lk.
‘In economischen zin is een accijns bedoeld.’1
jhr. mr. D.J. de Geer,
minister van Financiën, 1931
Alerte Tweede-Kamerleden voorzien in 1894 een nieuw, kolossaal belastinggebied, te weten dat van gemotoriseerde rijtuigen: ‘Rijtuigen met caoutchouc- of pneumatische banden zouden dan hooger dan andere belast kunnen worden. Ook zou eene bijzondere regeling gemaakt kunnen worden voor rijtuigen, die niet getrokken worden door paarden, maar die bewogen worden door middel van stoom, electriciteit of petroleummotoren.
In Frankrijk beginnen zulke rijtuigen reeds in gebruik te komen en onlangs heeft een wedloop tusschen zulke voertuigen tusschen Parijs en Bordeaux plaats gehad. Zoodra zij in den handel tegen niet te hoogen prijs verkrijgbaar zijn, zal ook voor ons land op een ruim debiet gerekend mogen worden, waardoor de opbrengst der heffing voor paarden, in niet geringen mate zal kunnen dalen’. Dit nieuwe belastinggebied kan dan maar het best snel tot ontginning en exploitatie worden gebracht: ‘Er schenen met het oog op de waarschijnlijke toekomst, termen om de belasting voor zulke rijtuigen reeds nu te regelen’.2 Deze passage in de Handelingen der Staten-Generaal is de eerste visionaire blik op de destijds toekomstige belastingheffing van het gemotoriseerde wegvervoer. Voordat er metterdaad accijnzen van brandstoffen voor de voortbeweging van deze middelen van vervoer zouden worden geheven, is er eerst nog wel een reeks van jaren voorbijgegaan.
De oorsprong van de benzineaccijns (1931) ligt in het tarief van de invoerrechten, die door minister Betz (1862) al goeddeels van hun thuismarktbeschermende karakter waren ontdaan. De benzineaccijns is 50 jaar lang voorwerp van voornemens tot unificatie van de accijnzen in Benelux-verband (1948-1998)3 en is op basis van de Accijnsrichtlijn een communautaire accijns vanaf de instelling van de interne markt en de daarmee gepaard gaande accijnsharmonisatie in EG-verband (1993). ‘Eenvoudigheidshalve is aan de ontworpen heffing niet het karakter van een accijns, doch van een bijzonder invoerrecht gegeven’4, maar materieel is wel degelijk sprake van een accijns, zo legt minister De Geer (1932) uit. ‘Dat de voorgestelde heffing een invoerrecht en niet een accijns geworden is, heeft slechts technische oorzaken. In economischen zin is een accijns bedoeld. Aanvankelijk was zelfs het voornemen de heffing op dien voet te regelen, doch eenvoud en overzichtelijkheid bleken, nu een overgroot percentage der benzine uit het buitenland komt, door een oplossing als van het onderhavige, ontwerp gediend’.5 Voor hier te lande vervaardigde benzine wordt om redenen van eenvoud en voor de overzichtelijkheid een quasie-invoer in het leven geroepen. Volgens minister Lieftinck (1949) draagt ‘de gehele constructie een enigszins gekunsteld karakter’ en is ‘alleen historisch verklaarbaar’. Het bijzonder invoerrecht op benzine is volgens Lieftinck in feite een binnenlandse verbruiksbelasting, gelijk te stellen met een accijns. Het ligt dan ook in het voornemen de benaming in accijns te veranderen, hetgeen in het kader van de Benelux-accijnsunificatie (1950) is gebeurd.6
Naast de algemene rechtsgronden die voor de accijnzen gelden, heeft de benzineaccijns als eerste specifieke rechtsgrond de bezitters van luxe auto’s (personenauto’s) te treffen en de groei van het autoverkeer binnen de perken te houden.7 Benzine behoort tot de minerale oliën, zodat de specifieke rechtsgronden van de accijnzen van minerale oliën mutatis mutandis ook ten grondslag liggen aan de benzineaccijns. De benzineaccijns (1931) is evenwel ouder dan de accijnzen van minerale oliën (1962).
Aanvankelijk is de benzineaccijns een tijdelijke crisisbelasting, te heffen zolang de ongewone toestand en de moeilijke financiële omstandigheden in de ‘30-er jaren van de 20e eeuw aanhouden.8 Aan de keuze voor blijvende handhaving van de benzineaccijns liggen onder meer de gewenning aan de tijdelijke last, vergelijking met het buitenland, het fiscale klimaat, de economische groei, ook het klimaat voor besparingen en bezitsvorming alsmede de Benelux-accijnsunificatie ten grondslag.9
Een tweede specifieke rechtsgrond is de profijtgedachte. Vrijwel vanaf het begin van zijn bestaan bestaat er overeenstemming over de evenredigheid tussen de kosten die het autogebruik oproept en op wie die kosten moeten worden afgewenteld.
Ten derde dient de benzineaccijns niet zelden als specifiek financieringsinstrument, zoals voor de versnelde bouw van bruggen en de daarop aansluitende wegen en als geleidelijke vervanger van tolheffingen langs ‘s Rijks wegen en ‘s Rijksoeververbindingen.10 Alle veelal primair als tijdelijk bedoelde en later definitief bevestigde verhogingen van de benzineaccijns zijn budgettair. Eén ervan (1950) dient om een eind te maken aan de schaarste aan deviezen.11 Enkele ervan dienen als compensatie van oliemarktprijsdaling die de overheidsinkomsten op achterstand zetten. De meeste dienen ertoe de benzineaccijns meer in overeenstemming te brengen met die van de Benelux-partners en andere omringende landen. Voor de meeste verhogingen vormt de inflatoire ontwikkeling de rechtvaardiging, welke het instrumentele gebruik van de benzineaccijns onderstreept.12
Tot slot is er de specifieke rechtsgrond van duurzame ontwikkeling: variabilisatie van autokosten, bestrijding van overvolle wegen, luchtvervuiling, verkeersonveiligheid en geluidshinder, energiebesparing, milieubeleid, mobiliteitsbeperking, matiging van onnodig autogebruik, verbetering van de infrastructuur voor het openbaar vervoer en stimulering ongelode en zwavelarme brandstoffen.