Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.2.2:5.3.2.2 Coty Germany
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.2.2
5.3.2.2 Coty Germany
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955460:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 16 juli 2015, C-580/13, ECLI:EU:C:2015:485 (Coty Germany), rov. 22-29.
HvJ EU 16 juli 2015, C-580/13, ECLI:EU:C:2015:485 (Coty Germany), rov. 36-41.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het arrest Coty Germany had betrekking op grootschalige verkoop van vervalste merkproducten via veilingplatform eBay. De persoon op wiens naam het gebruikersaccount stond, ontkende het betrokken account te hebben gebruikt en weigerde bovendien nadere informatie te verstrekken. Merkhouder Coty wendde zich daarop tot de bank van deze persoon, Stadtssparkasse Magdeburg, en verzocht om de naam van de rekeninghouder die voor de producten in kwestie had betaald. De bank voerde echter aan dat het wettelijk geregelde bankgeheim in de weg stond aan het inwilligen van een dergelijk verzoek. Het BGH verwees de zaak naar het Hof van Justitie met de vraag of een dergelijke regeling verenigbaar was met het regime van art. 8 lid 1 Handhavingsrichtlijn.
Het Hof ving aan met de overweging dat art. 8 lid 1 sub c en lid 3 sub eHandhavingsrichtlijn de naleving van verschillende rechten nastreven, namelijk het recht op informatie en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Het eerstgenoemde recht concretiseert het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte uit art. 47 van het Handvest, dat op zijn beurt een ‘noodzakelijk instrument’ vormt voor de waarborging van bescherming van intellectuele eigendom uit art. 17 lid 2 Handvest. Het recht op bescherming van persoonsgegevens is een uitwerking van het gelijknamige grondrecht uit art. 8 Handvest. Onder verwijzing naar de bekende rechtspraak overwoog het Hof dat tussen deze rechten een rechtvaardig evenwicht moest worden gezocht.1
Vervolgens constateerde het Hof dat een nationale regeling die aan een bank een onbeperkt en onvoorwaardelijk beroep op het bankgeheim zou toekennen, een belemmering vormde van het recht op informatie en en daarmee van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op intellectuele eigendom. Een dergelijke regeling zou er ook aan in de weg staan dat naar behoren rekening kon worden gehouden met de specifieke kenmerken van elk intellectuele-eigendomsrecht en, in voorkomend geval, de opzettelijke of onopzettelijke aard van de inbreuk. Naar het oordeel van het Hof leidden deze omstandigheden tot de conclusie dat de betrokken regeling een ernstige aantasting opleverde van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op intellectuele eigendom, waardoor niet was voldaan aan het vereiste van een rechtvaardig evenwicht tussen de betrokken grondrechten.2