Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.2.5
3.2.5 Wet op de Inkomstenbelasting: ook navordering met verhoging (1914)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940590:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheltens merkt op, dat de oorzaak van deze ommekeer niet geheel duidelijk is (Scheltens (losbl.), par. 58).
Scheltens 1959, p. 22, Van der Poel 1942, p. 270, Scheltens (losbl.), par. 58.
Wet op de Inkomstenbelasting 1914, MvA (art. 85), Scheltens 1959, p. 22. Zie ook Feteris 2002, par. 1.3.2.
HR 23 oktober 1918, B. no. 2091.
HR 17 juni 1919, B. no. 2308, HR 7 januari 1920, B. no. 2370, HR 13 februari 1920, B. no. 2440, HR 24 maart 1926, B. no. 3790 en zelfs nog in HR 2 april 1941, B. no. 7315.
Art. 110 Wet op de Inkomstenbelasting 1914.
Zie het pré-advies inzake hervorming van het fiscale straf(proces)recht van Rombach (1926), in: Van der Poel 1942, p. 274. Daar zijn ook voorbeelden te vinden van de verzachtende bepalingen in andere wetten.
Er vond nog steeds geen individuele straftoemeting plaats in de vorm van een fijnafstemming.
Zie paragraaf 3.2.4.
Aldus ook: Adriani 1949, p. 85, Scheltens 1959, p. 37-38.
Bij de behandeling van het wetsontwerp dat de verhoging bij navordering in de inkomstenbelasting introduceerde, werd de schadevergoedingsgedachte (weer) nadrukkelijk als onderbouwing gegeven.1 Uit de parlementaire behandeling2 bleek duidelijk dat het er bij de verhoging om ging, de in het verleden vermoedelijk misgelopen belastingopbrengsten alsnog te compenseren. Het doel van de forfaitair vastgestelde, viervoudige verhoging was om het ten onrechte behaalde voordeel voor de belastingplichtige alsnog in de schatkist te laten vloeien: ‘er is hier dus meer sprake van een verlies door den belastingplichtige van genoten voordeel, dan van een bepaald rechtsnadeel’, aldus de minister.3 De rechtspraak volgde deze bedoeling van de wetgever. De Hoge Raad overwoog bijvoorbeeld in 1918 uitdrukkelijk dat er geen sprake was van een soort boete of straf, maar van een compensatie van nadeel aan de kant van de schatkist in eerdere jaren.4 Met nadruk werd ter onderbouwing gewezen op de wetsgeschiedenis, waarbij ook het verschil met de verhoging bij navordering van vermogensbelasting uit 1904 expliciet werd aanvaard (die had wél een strafkarakter). Ook in de jaren daarna hield de Hoge Raad vast aan de schadevergoedingsgedachte.5
In lijn daarmee was de eventuele schuldvraag in beginsel ook bij de verhoging in de inkomstenbelasting niet relevant. Toch werd reeds in 1914 de eerste stap gezet naar een vorm van disculpatie. De minister kreeg een discretionaire bevoegdheid om de wettelijke verhoging kwijt te schelden of te verminderen, ingeval van ‘dwaling’ of ‘verschoonbaar verzuim’.6 Ook bij andere heffingen kwamen vergelijkbare verzachtingen voor (in de vorm van discretionaire bevoegdheden tot kwijtschelding van de boete in bijzondere gevallen). Er werd ook op ruime schaal gebruik gemaakt van die bevoegdheden.7
Het eigenaardige resultaat was dat er nu een verhoging was geïntroduceerd, die een zuivere schadevergoeding betrof en dus geen strafkarakter had, maar ondertussen wel twee disculpatiegronden kende. De mate van verwijtbaarheid was dus ineens – zij het in beperkte mate8 – wél relevant geworden. Het precieze karakter van de verhoging van 1914 bleef daarmee in nevelen gehuld. Opvallend is de vrijwel volstrekte tegenstelling tot het al even inconsequente eindresultaat van de verhoging van 1904.9 Daar was duidelijk dat de verhoging bestraffend van aard was, maar moest het ontbreken van de schuldvraag ervoor zorgen dat er geen sprake was van een strafrechtelijke maatregel. Bij de verhoging van 1914 was er wél (enige) ruimte voor de verwijtbaarheid, maar werd het bestraffende karakter van de maatregel weer ontkend.
Overigens was de schadevergoedingsgedachte lastig te rechtvaardigen voor verhogingen bij tijdstipbelastingen of andere heffingen die geen periodiek karakter hebben (zoals de inkomstenbelasting dat wel heeft). Te denken valt uiteraard aan de Registratiewet en de Successiewet, waarin destijds verschillende boetes en verhogingen van de verschuldigde belasting voorkwamen (variërend van één vierde tot en met het vijfvoud). Gelet op de aard van de belastbare feiten was er voor die heffingen vaak helemaal geen redelijke verwachting dat ook in eerdere jaren ongeveer hetzelfde bedrag aan belasting verschuldigd was geweest.10