Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.2.6
3.2.6 Verdere ontwikkeling van de disculpatiegronden en het verwijtbaarheidsvraagstuk (tot en met 1945)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940516:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 11 januari 1918, Stb. 1918, 5, waarbij art. 87bis in de Wet op de inkomstenbelasting 1914 werd ingevoerd.
Wet van 26 mei 1932, Stb. 1932, 220, waarbij art. 85 lid 3 in de Wet op de inkomstenbelasting 1914 werd ingevoerd onder verval van art. 87bis. Voor de Wet op de Vermogensbelasting 1892 ging het om invoering van art. 41 lid 3, dat gelijk luidde.
Besluit van 15 januari 1944, Stb. 1944, 21, waarbij art. 4 Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941 en art. 41 Wet op de Vermogensbelasting 1892 werden vastgesteld. Zie voorts Stb. 1945 (Aanvulling 1944), p. 400-401 en Stcrt. 1944, 36.
Het belang van de (mate van) verwijtbaarheid werd langzaam maar zeker verder uitgebouwd langs de lijnen van het strafrechtelijke beginsel ‘geen straf zonder schuld’. In 1918 werd voor de rechter de mogelijkheid geopend om de verhoging achterwege te laten als er sprake was van een te lage schatting te goeder trouw.1 De discretionaire bevoegdheid van de minister bij ‘dwaling’ en ‘verschoonbaar verzuim’ werd zodoende uitgebreid naar alle gevallen van goede trouw. Enige tijd later werd de bevoegdheid om de wettelijke verhoging bij goede trouw achterwege te laten zowel voor de inkomstenbelasting als voor de vermogensbelasting ook toegekend aan de inspecteur, zodat een afzonderlijke rechtsgang niet langer noodzakelijk was.2
In 1944 werd de verhoging bij navordering in een nieuw jasje gegoten.3 In de eerste plaats werd de strafmaat verlaagd: de factor van de verhoging was niet langer 4, maar 1 (de standaardverhoging werd dus beperkt tot 100 % van het nagevorderde bedrag). In de tweede plaats kwam er een wettelijke disculpatie: als aannemelijk was dat het niet door opzet of grove onachtzaamheid kwam dat te weinig belasting was geheven, dan verviel de verhoging. Het systeem van ‘ja, tenzij goede trouw’ werd dus vervangen door een systeem van ‘ja, tenzij geen kwade trouw’. Daarbij werd die kwade trouw ingekleurd met de begrippen ‘opzet’ en ‘grove onachtzaamheid’. Enerzijds bleef de straftoemeting dus forfaitair (van een echte, individuele straftoemeting die rekening houdt met alle omstandigheden van het geval was geen sprake). Anderzijds had de mate van verwijtbaarheid aan het einde van de Tweede Wereldoorlog wél een prominente plaats ingenomen bij het opleggen van de verhoging, zij het als disculpatiegrond.