Einde inhoudsopgave
RvdW 2023/1027
OM-cassatie. 1. Oordeel dat in strijd is gehandeld met in de brief van de Ministers van J&V en I&W als ‘handhavingspraktijk’ aangeduide werkwijze is niet begrijpelijk. 2. Klacht over oordeel dat sprake is van een ‘ook overigens onredelijke vervolgingsbeslissing’ slaagt.
HR 17-10-2023, ECLI:NL:HR:2023:1307
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17 oktober 2023
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
21/05229
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1307, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑10‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:564, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑06‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑12‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑10‑2022
- Wetingang
Art. 8 lid 1 WVW 1994
Essentie
OM-cassatie. Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor rijden onder invloed van cannabis. 1. Het oordeel dat in strijd is gehandeld met de in de brief van de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat van 11 december 2018 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer als ‘handhavingspraktijk’ aangeduide werkwijze is niet begrijpelijk. 2. Ook wordt terecht geklaagd over het oordeel dat sprake is van een ‘ook overigens onredelijke vervolgingsbeslissing’.
Samenvatting
- 1.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte als bestuurder van een personenauto is aangehouden wegens een melding ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.