Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.4.1
2.3.4.1 Inleiding
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589462:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 6.
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3; en vgl. Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 2 en p. 11.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11; en Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Alsmede de bevoegdheid om de vordering vervroegd opeisbaar te maken (art. 3:246 lid 2 BW). Het ligt voor de hand dat de wetgever niet heeft gemeend dat de stille cedent, tenzij hij ook pandhouder is, bevoegd is om de vordering paraat te executeuren als zijn schuldenaar (meestal, de pandgever) in verzuim is (art. 3:248 e.v. BW) en evenmin om zich uit de opbrengst in geld te voldoen, overeenkomstig art. 3:253 lid 1 BW (art. 3:255 lid 1 BW).
De inningsbevoegdheid van de stille cedent wordt bijvoorbeeld onderbouwd onder verwijzing naar art. 3:246 BW. Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11; Rongen & Verhagen 2003, p. 690. Vgl. ook Rongen & Verhagen 2003, p. 692, die bepleiten dat 'de verbintenisrechtelijke rechtsgevolgen voor de schuldenaar van de vordering bij cessie en verpanding op gelijke wijze [worden] geregeld.'
Zie hiervóór nr. 26-31.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 10.
Ook de wetgever heeft dit met zoveel worden onderkend. Zie o.a. Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 2, 6, 7 en 11; en Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. B, p.2.
In dezelfde zin, Salomons 2004, p. 242.
35. Als de stille cedent krachtens lastgeving bevoegd blijft, is het de vraag wat naar verwachting in het normale geval de omvang van zijn bevoegdheden zal zijn dan wel zou moeten zijn, bijvoorbeeld als partijen daarover niets zijn overeengekomen, als daarover onenigheid bestaat of als partijen deze bevoegdheden willen vastleggen in een overeenkomst. In deze paragraaf (par. 2.3.4) wordt deze vraag in hoofdlijnen beantwoord aan de hand van de systematische analyse van de rechtsfiguren waarbij een derde andermans recht uitoefent.1 Betoogd zal worden dat in de regel de stille cedent krachtens lastgeving beheersbevoegd zal zijn. Eerst wordt ingegaan op de opvatting van de wetgever.
De wetgever heeft buiten de inningsbevoegdheid geen andere bevoegdheden genoemd die volgens hem aan de stille cedent zouden moeten toekomen op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW.2 Omdat volgens de wetgever voor de regeling van de stille cessie zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij de regeling van de stille verpanding,3 en aan de pandhouder in de kern alleen de inningsbevoegdheid toekomt,4 lijkt het erop dat de wetgever van mening is dat de stille cedent op grond van de wet in beginsel alleen een aantal vastomlijnde bevoegdheden toekomen, die in de kern beperkt zijn tot de inningsbevoegdheid.5 Omdat de stille cedent echter niet krachtens de tweede zin van art. 3:94lid 3 BW, maar krachtens lastgeving bevoegd is,6 bestaat geen wettelijke beperking van de bevoegdheden die aan de stille cedent kunnen worden toegekend. Uit de partijbedoeling (lastgeving) volgt waartoe de stille cedent bevoegd is.
De (kennelijke) keuze van de wetgever om aan de stille cedent alleen de inningsbevoegdheid toe te kennen vanwege (vermeende) gelijkenissen met de stille verpanding, verdient niet de voorkeur. De belangrijkste reden daarvoor is dat tussen verpanding en stille cessie principiële verschillen bestaan, die een dergelijke gelijktrekking niet rechtvaardigen. De stille cedent heeft geen recht op de opbrengst van de stil gecedeerde vordering. De stille cedent int de vordering ten behoeve van de stille cessionaris.7 Bij de stille cessie is sprake van het beheer van de vordering.8 Een pandrecht daarentegen is een zekerheidsrecht, dat de pandhouder als schuldeiser in staat stelt om de vordering te gelde te maken, om zich vervolgens op de opbrengst te kunnen verhalen.9 De pandhouder oefent zijn bevoegdheden in zijn eigen belang uit. Het verschil tussen beide rechtsfiguren rechtvaardigt dat de stille cedent tot meer bevoegd is dan een openbaar pandhouder.
Het antwoord op de vraag waartoe de stille cedent bevoegd zou moeten (of kunnen) zijn, is te vinden in de systematische analyse van de rechtsfiguren waarbij een derde andermans recht uitoefent. De omvang van de aan de derde toegekende bevoegdheden wordt uitgedrukt in de toekenning van 'technische' bevoegdheden, de 'beheersbevoegdheid' en het 'bestuur'. Ook speelt voor de omvang van de toegekende bevoegdheden een rol of de derde gezamenlijk, zelfstandig, exclusief of met toestemming bevoegd is. Uit de vergelijking van de rechtsfiguren waarbij een derde bevoegd is om andermans recht uit te oefenen, blijkt dat in de toekenning van bevoegdheden een systeem bestaat. Aan de hand van hoofdzakelijk twee factoren kan worden bepaald waartoe een derde bevoegd is. Deze factoren zijn in wiens belang de bevoegdheden zijn toegekend en of de bevoegdheden zijn toegekend ten aanzien van een of meer bepaalde goederen of een geheel vermogen.
Deze factoren en de genoemde begrippen worden hieronder eerst toegelicht. Vervolgens worden zij toegepast op de verschillende rechtsfiguren. Daaruit vloeit een overzicht voort, waaruit blijkt dat in de omvang van de toegekende bevoegdheden een systeem zit. In dat overzicht kan de stille cessie een plaats worden gegeven. Uit de plaats van de stille cessie in dit overzicht volgt dat de stille cedent in beginsel ten aanzien van de stil gecedeerde vordering niet inningsbevoegd is, maar beheersbevoegd is.