Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.5.1
19.5.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497055:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. Feteris, noot onder HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, pt. 8, en meer recent Van Eijsden, noot onder HR 12 juli 2013, BNB 2014/101, pt. 8.
Zie Rosier 2001.
Zie de vorige noot.
Zie § 6.5.5.2 hiervoor.
Zie eerder Jansen en Luchtman die in hun noot onder EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland), AB 2002/343, hun vraagtekens zetten bij een scheiding van informatiestromen. Schijnbaar anders Stijnen, noot onder CRvB, 21 november 2012, AB 2013/27, pt. 2 e.v., inzake ‘Chinese walls’ tussen toezicht en boeteoplegging. Zie voorts A-G Wattel, conclusie bij HR 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer), pt. 7.13, die uit de Straatsburgse rechtspraak concludeert dat meewerkplichten met sanctiebedreigingen ingeval van een reeds verdachte burger slechts op twee manieren te verenigen zijn met ‘the right not to incriminate oneself’ ex art. 6 EVRM. Een ervan is een scheiding van informatiestromen (zie eerder § 17.4.3.1).
De huidige uitleg en toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in fiscale boetzaken als primair een bewijsuitsluitingsregel voor verklaringen, heeft ertoe geleid dat het leerstuk van nemo tenetur in de Nederlandse belastingrechtspraak niet werkelijk tot ontwikkeling is gekomen. Veel vragen zijn nog onbeantwoord, terwijl er niet of nauwelijks ruimte is voor aanpassingen aan moderne tijden en nieuwe inzichten. De praktijk van bewijsuitsluiting stimuleert de rechtsontwikkeling en -verfijning door de wetgever, rechter en/of uitvoerder niet. Zolang het recht tegen gedwongen zelfbelasting niet of nauwelijks in de weg staat aan een adequate belastingheffing respectievelijk de bestraffing van fiscale ‘non compliance’ en de Straatsburgse rechtspraak niet noopt tot een andere invulling van dat recht, dan zal deze status quo van overheidswege wel voortduren. Omdat de huidige uitleg en toepassing door de Nederlandse wetgever en rechter van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in punitieve belastingzaken – uitgaande van een bewijsverbod voor wilsafhankelijke bescheiden – voldoet aan de minimumwaarborgen die het EHRM aan dit recht stelt, is er voor nu ook geen behoefte aan een andere – betere – invulling ervan.
Alternatieve invullingen in de literatuur
Rond de eeuwwisseling zijn in de literatuur enkele alternatieve invullingen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan de orde gekomen. Ik noem hier in willekeurige volgorde de zogenoemde boete-inspecteur1; het loskoppelen van de boetegrondslag van de heffingsgrondslag2; de toepassing van het strafrechtelijk zwijgrecht in bestuurlijke boetezaken3; en de ambtshalve toezegging door de inspecteur over het (niet-)bewijsgebruik4. Uitgezonderd de overschakeling naar een strafvorderlijk scenario, hebben deze alternatieven mijns inziens nauwelijks of geen betere kaarten dan de huidige praktijk van bewijsuitsluiting. Voor zover zij zijn te herleiden tot een procedurele scheiding tussen de dwang- en sanctieprocedure, is van belang dat vanwege de materiële (‘substantive’) benadering van het EHRM het (procedurele) onderscheid tussen dwang- en straf(achtige) procedure niet voorop staat. Het gaat tenslotte om de feitelijke relatie tussen de gevorderde medewerking en de criminal charge.5 Hierbij komt dat een systematische, afdoende oplossing voor het scheiden van informatiestromen, mijns inziens in de fiscale samenloopproblematiek een hoog theoretisch gehalte heeft. De fiscale heffings- en sanctiesfeer zijn in werkelijkheid niet of onvoldoende (controleerbaar) van elkaar te scheiden.6
Toekomstgerichte invulling
Onderstaand zal ik toelichten dat ook in de (nabije) toekomst het (meer dan) lastig zal zijn om een invulling van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in fiscale boetezaken te geven, die werkelijk betere kaarten heeft dan een wettelijk zwijgrecht voor zuivere boetevragen en een (jurisprudentiële) bewijsuitsluitingsregel voor wilsafhankelijk bewijs (verklaringen, bescheiden) dat (mede) een heffingsbelang vertegenwoordigt. Daarbij maak ik een onderscheid tussen de bewijsgaring buiten de boeteling om (zie § 19.5.2) en de bewijsgaring bij de boeteling zelf (§ 19.5.3).