Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.7
7.7 De uitspraak en de motivering van het vonnis: responsieplicht of ambtshalve beoordeling?
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
1-11( 3 oktober 2006, NJ 2006/549 en 7 december 2010, LJN BN6965.
1-11( 8 december 2009, LJN BK0898.
1-11( 6 september 2005, LJN AT7553.
Franken, 'Strafrechtelijk bewijs: enkele hoofdlijnen in de recente justisprudentie', Strafblad 2006, p. 28-35.
Zie ook par. 17 van de conclusie van A-G Jbrg bij dit arrest.
HR 29 april 2008, NJ 2008/482.
Zie in gelijke zin HR 15 mei 1973, NJ1973/379 met betrekking tot verjaring. In hoofdstuk 6 kwam bij de bespreking van de beginselen van een behoorlijke procesorde al aan bod dat de wens van een demonstrant om vervolgd te worden niet kan afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van de officier van justitie om bij het nemen van beslissingen ten aanzien van het al dan niet vervolgen van een verdachte de beginselen van een goede procesorde in acht te nemen en aan de zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechter om de handelwijze van de officier van justitie aan voornoemde beginselen te toetsen; het betreft hier immers beginselen die het belang van de rechtsgemeenschap betreffen en mitsdien het belang van de onderhavige strafzaak overstijgen. De betreffende overwegingen van het gerechtshof zijn opgenomen in HR 18 februari 1997, NJ 1997/411.
Zie HR 17 mei 1988, NJ 1989/142 met betrekking tot de rechtmatigheid van het doorzoeken van het voertuig en HR 9 oktober 1990, NJ 1991/152 met betrekking tot het al dan geven van de mededeling aan de bestuurder dat hij recht heeft op een tweede bloedafname. Uit deze jurisprudentie volgt overigens niet dat uit het bewijsmiddel moet volgen dat het rechtmatig is verkregen; pas als uit de stukken van het geding een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat een onrechtmatigheid is begaan mag het niet zonder meer worden gebruikt.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 731.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken // 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 87 inzake art. 5:5 Awb: 'Het onderhavige artikel impliceert niet dat het bestuursorgaan bij iedere bestuurlijke sanctie moet onderzoeken of een rechtvaardigingsgrond aanwezig is en moet motiveren waarom dat niet het geval is. Daartoe is slechts aanleiding indien de overtreder een onderbouwd beroep doet op een rechtvaardigingsgrond of anderszins aanwijzingen bestaan dat mogelijk een rechtvaardigingsgrond aanwezig is.'
Dit verklaard ook HR 13 juni 2006, NJ 2006/368, par. 3.3: 'Nu uit de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat namens de verdachte verweren zijn gevoerd, maar deze niet in het proces-verbaal van de terechtzitting of het arrest zijn opgenomen, valt in cassatie niet na te gaan welke verweren zijn gevoerd. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de uitspraak meebrengt.'
HR 30 juni 2009, LJN BH3081 en LJN BH3084, par. 3.2.
Hof Den Haag 2 oktober 2009, LJN BIC2814.
Rb Arnhem 21 december 2009, LJN BK7288.
Er moet wel als zodanig een geldig middel van cassatie zijn ingediend. Zie de conclusie van A-G Wortel bij HR 23 januari 2007, LJN AZ3863.
HR 30 mei 2006, NbSr 2006/186; 7 november 2006, RvdW 2006/1074 en 23 januari 2007, LJN AZ3863. Zie ook HR 29 april 2011, JB 2011/130, par. 5.2.3.: 'Voor strafbare feiten waarop het Nederlandse strafrecht van toepassing is, geldt de regeling van artikel 70, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan het recht tot strafvordering vervalt door verloop van de aldaar nader omschreven termijnen. Deze regeling moet door de rechter ambtshalve worden toegepast. Zij geldt dus ongeacht of de verdachte daarop een beroep doet, zodat de rechter de regeling ook behoort toe te passen indien de verdachte afstand heeft gedaan van een beroep daarop.'
Bijvoorbeeld HR 7 oktober 2003, NJ 2004/573. Ambtshalve werd geoordeeld dat met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijke verkregen voordeel de vervangende hechtenis was komen te vervallen als strafmodaliteit (daarvoor in de plaats was lijfsdwang gekomen als executiemiddel).
Zie onder meer de overzichtsarresten HR 3 oktober 2000, NJ2000/721 en 17 juni 2008, NJ2008/358.
Zie bijvoorbeeld HR 17 april 2007, LJN AZ8823.
HR 17 juni 2008, NJ 2008/358.
Zo volgt ook uitdrukkelijk uit HR 17 juni 2008, NJ 2008/358.
Dit speelde in HR 30 mei 2006, NbSr 2006/186 en 7 november 2006, RyclIV 2006/1074. Het betrof hier het verval van strafvordering omdat de oude tekst van art. 72 lid 2 Sr uitging van een totale termijn van tweemaal de veijaringsteremijn van in dit geval twee jaar.
Corstens meent dat de ratio van deze praktijk wellicht is dat de verdachte niet mag worden verrast door een nadelige cassatie-uitspraak. Omdat de verdachte inmiddels op de conclusie van het OM mag reageren (art. 439 lid 5 Sv), kan deze praktijk volgens Corstens wel worden verlaten. Zie Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht (2008), p. 785.1k vraag me dat af. Betoogd zou kunnen worden dat hier vooral het bieden van rechtsbescherming aan de verdachte een drijfveer vormt. Gewezen kan dan worden op bestuursrechtelijke leerstukken als ongelijkheidscompensatie en het verbod van reformatie in peius, die samenhangen met het in het bestuursprocesrecht vooropstellen van het bieden van rechtsbescherming (alsmede geschilbeslechting) door de rechter.
Zo wordt niet ambtshalve gecasseerd enkel omdat het gerechtshof in strijd met art. 359 lid 3 Sv heeft verzuimd de bewijsmiddelen uit te werken. Zie HR 22 september 2009, NJ 2010/637. Deze terughoudendheid lijkt me terecht. Het gaat hier om een motiveringsverzuim, terwijl het, gelet op het aangevoerde middel, zeer onwaarschijnlijk is dat na een formele vernietiging alsnog vrijspraak zou volgen. In een dergelijk geval is er geen aanleiding voor ambtshalve cassatie. Zie ook de noot van Buruma.
HR 11 december 2007, IJN BB3055.
Aldus de conclusie van waarnemend advocaat-generaal Bleichrodt in HR 9 januari 2007, LJN AZ2526, in welk arrest de Hoge Raad vervolgens als feitenrechter nagaat of het cassatieberoep tijdig is.
HR 28 maart 2006, LJN AV1612.
Zie zijn conclusie bij HR 28 maart 2006, IJN AV1612. Zie ook Van Dorst, Cassatie in strafzaken (2009), p. 56. De achterliggende gedachte is hier volgens Van Dorst dat de verdachte wordt geacht alleen op te komen tegen voor hem nadelige beslissingen.
Zie daarover verder Project Motiveringsverbetering in Strafvonnissen (PROMIS) op rechtspraak.nl; Sterk en Ficq, `Promis: inzicht in de gedachtegang van de rechter', NJB 2008/117, p. 153-157; en `Promis: motiveringsverbetering in strafzaken', in: Bundel voor de strafrechtspleging (LOVS-bundel 2009), p. 120-125.
BR 15 mei 2007, LJN B A0424 en 15 mei 2007, IJN B A0425 . Zie voorts BR 5 januari 2010, NJ 2010/638.
De oude praktijk van kop- staartvonnissen kon eerder door de Straatsburgse beugel mede omdat in hoger beroep een nieuw onderzoek volgde en de verdachte gelet hierop en op de stukken zijn kansen in hoger beroep voldoende kon inschatten. Zie EHRM 7 december 2000, NJ 2001/558.
Par. 3 van de conclusie van A-G I5rg bij HR 12 oktober 2010, LJN BN0526 (Holleeder).
HR 12 februari 2002, LJN AD6993.
HR 12 januari 1999, NJ 1999/246. Zie voor de wijze van invordering Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 745-746.
HR 15 september 2006, LJN AV2654. Het is volgens Hof Den Haag 28 maart 2002, IJN AE1910 ook om die reden dat art. 421 lid 4 Sv een eigen hoger beroep en cassatieberoep creƫert voor de benadeelde indien de vordering in eerste aanleg door de strafrechter wordt afgewezen, terwijl de verdachte en OM niet in hoger beroep gaan tegen het vonnis.
Zie verder Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 416-419.
Indien toch uitspraak na veertien dagen wordt gedaan of indien zonder aankondiging een afsluitende pro forma-zitting plaatsheeft, zodat binnen veertien dagen nadien uitspraak kan worden gedaan, dan hoeft de zaak gelet op art. 423 Sv niet reeds om die reden door het gerechtshof te worden terugverwezen. Zie HR 6 oktober 2009, RF 2010/12 (HIM Furness).
Zie bijvoorbeeld Rb Middelburg 25 maart 2010, LJN BL8815 (Coffeeshop Checkpoint).
Tegen vonnissen die geen einduitspraak zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten, tenzij die kort gezegd betrekking hebben op gevangenhouding of gevangenneming (art. 406 Sv). Hier zal ik slechts ingaan op de einduitspraken. In deze paragraaf zal ik mij richten op een aantal met elkaar verwante kwesties. Het vonnis van de kantonrechter, politierechter of meervoudige kamer van de rechtbank en het arrest van het gerechtshof en de Hoge Raad hangt nauw samen met de motivering ervan, hetgeen ook raakt aan de vraag naar de verhouding tussen responsieplicht en ambtshalve beoordeling. Ik zal al deze kwesties derhalve hier behandelen.
Uit de art. 348 en 350 Sv volgt dat de rechtbank zich op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de rechtszitting buigt over de voorvragen (haar bevoegdheid, de ontvankelijkheid van het OM en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging) en, afhankelijk van het antwoord op de voorvragen, over de materiƫle vragen: de bewezenverklaring, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde oplevert, de strafbaarheid van de verdachte en de op te leggen straf of maatregel. In art. 359 lid 3 Sv is verder neergelegd dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, met dien verstande dat voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, een opgave van bewijsmiddelen kan volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrij spraak heeft bepleit. Het vierde tot en met het zevende lid van art. 359 Sv bevatten motiveringsplichten ter zake van de straf- of maatregeloplegging of het achterwege laten van een straf of maatregel. Hieruit lijkt te volgen dat de rechtbank al hetgeen dat van belang is voor de beantwoording van deze vragen ambtshalve in haar beoordeling betrekt. Dit hangt ook samen met het gegeven dat de strafrechter moet beslissen over een aantal zaken en niet een besluit toetst zoals de bestuursrechter. Toch verklaart dit niet alles, want ook in het civiele recht spelen de figuren van ambtshalve toetsing van kwesties van openbare orde en aanvulling van rechtsgronden binnen de omvang van het geschil, terwijl ook de civiele rechter moet beslissen op een vordering. Het belangrijkste verschil tussen het civiele recht en het strafrecht is natuurlijk dat het strafrecht veel minder een partijengeding is. Ons gematigd inquisitoire strafrecht is immers niet geworteld in de concepten van partij autonomie en contracteervrijheid. Het gaat er om dat de onafhankelijke rechter op vordering van het openbaar ministerie oordeelt over het lot van een verdachte. Daar past bij dat de rechter zich niet passief opstelt, maar zich ambtshalve buigt over een aantal zaken waaronder de schuld van de verdachte. De buitengrens van het strafrechtelijke geding, zo kan men zeggen vormt de tenlastelegging. Het bestuursprocesrecht, dat is opgetuigd naar het civiele voorbeeld, neemt een tussenpositie in. Samen met het strafrecht vormt het bestuursrecht publiekrecht. De verticale relatie tussen overheid en burger, waarbij het beslissende bestuursorgaan steeds als oogmerk dient te hebben (het deelaspect van) het algemeen belang dat zij dient te behartigen, maakt mijns inziens dat de bestuursrechter niet achterover kan leunen en voor de beoordeling van het geschil van belang zijnde rechtsvragen onbeantwoord mag laten enkel omdat het beroepschrift daarover geen grond behelst. Dit laatste geldt te meer bij bestraffende sancties. Juist dan dient de rechtsbescherming door de bestuursrechter uit meer te bestaan dan het enkel aflopen van de aangevoerde beroepsgronden, zo kwam in hoofdstuk 5 aan bod. Waar in het bestuursrecht een stammenstrij d lijkt te worden gevoerd over de precieze omvang van de ambtshalve beoordeling inzake kwesties van openbare orde en de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en de grondslag van deze activiteiten door de bestuursrechter (binnen of buiten art. 8:69 Awb), lijkt het beslissingsmodel van de strafrechter zekerheid te bieden: binnen de grondslag van de tenlastelegging gaat de strafrechter volledig zijn eigen gang.
Maar is dat echt zo? In de art. 358 lid 3 en 359 lid 2 Sv is bepaald dat de rechter in zijn vonnis gemotiveerd verweren moet weerleggen als hij tot een veroordeling komt, alsook dat hij op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van partijen dient in te gaan indien hij die standpunten niet volgt. Met betrekking tot deze responsieplicht moet voorop worden gesteld dat hier niet al teveel eisen aan de feitenrechter worden gesteld door de Hoge Raad. Voorts hebben verdachte en het OM volgens de Hoge Raad geen belang bij een cassatiemiddel ter zake van het ontbreken van een motivering op een uitdrukkelijk en onderbouwd verweer of standpunt van de wederpartij. Verdachte kan dus alleen klagen over het door het gerechtshof ongemotiveerd voorbij gaan aan een door hemzelf opgeworpen verweer.1 Een verweer moet voorts uitdrukkelijk en onderbouwd naar voren zijn gebracht alvorens de feitenrechter er gemotiveerd op in hoeft te gaan. Op een losse opmerking hoeft niet in de uitspraak te worden ingegaan. Zo overwoog de Hoge Raad dat de kantonrechter geen met redenen omgeven beslissing hoefde te geven op het verweer dat sprake was van dwaling nu door de verdachte niet was betoogd dat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging waarvan sprake kan zijn indien hij is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.2 Het betrof hier een boete van ⬠40 wegens het liggen op een grasveld in strijd met een verbod het gras te betreden. Met betrekking tot dwaling was door de raadsman aangevoerd: 'iedereen ligt en loopt over het gras dus mijn cliënt mag dat ook.' Dat de Hoge Raad de feitenrechter wil vrijwaren van een motiveringsplicht ter zake van niet onderbouwde verweren die duidelijk kant noch wal raken is begrijpelijk. Volgens Franken stelt de Hoge Raad zich echter ook buitengewoon formeel op waar het gaat om duidelijke verweren die roepen om een gemotiveerde verwerping. Hij noemt in dit verband een arrest van 6 september 2005 inzake een steekpartij waarbij de verdachte in hoger beroep een scenario schetst waarin hij de eerste klap had gekregen en het slachtoffer een mes te voorschijn had getoverd nadat verdachte het slachtoffer na de klap had achtervolgd. Franken achtte het onbegrijpelijk dat de Hoge Raad tot de volgende beoordeling kwam:
`Het Hof heeft gelet op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd de hiervoor onder 3.3.1 bedoelde verklaring van verdachte kennelijk niet opgevat als mede behelzende een beroep op noodweer. Dat is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep werd bijgestaan door een raadsman die, naar blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, anders dan bij de berechting in eerste aanleg, geen beroep heeft gedaan op noodweer.'3
Als we deze motivering geĆÆsoleerd bekijken valt daar inderdaad heel wat op af te dingen. Met Franken meen ik dat we niet een kant op moeten willen dat de rechter uitsluitend aan de hand van in juiste mantra's verpakte verweren van de raadsman van de verdachte tot enige activiteit hoeft te komen en dat het zo mogelijk nog minder aanspreekt dat de verdachte hier juist wordt tegengeworpen dat hij zich heeft laten bijstaan door een raadsman.4 Maar als we kijken naar het in het arrest opgenomen feitenrelaas van de verdachte en de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan zijn veroordeling, dan wordt algauw duidelijk dat de feitenrechter het verhaal van de verdachte volstrekt niet geloofwaardig heeft geacht, omdat de feitenvaststelling van het Hof haaks staat op het verweer.5 Als er dan geen uitdrukkelijk beroep op noodweer wordt gedaan dan is het wel te begrijpen dat er dan niet hoeft te worden gemotiveerd dat de verdachte geen beroep op noodweer toekwam. In die sleutel wordt de verwerping van het cassatietiemiddel alleszins begrijpelijk. Op de motiveringsplicht van de strafrechter ten aanzien van de weerlegging van bewijsverweren kom ik terug in hoofdstuk 9 bij de bespreking van bewijsmiddelen.
Hoe verhoudt de responsieplicht zich met de ambtshalve beoordeling die voortvloeit uit het beslissingsmodel van art 348-350 Sv? Gaat het er hier slechts om dat weliswaar alles ambtshalve wordt afgekaart door de rechtbank, maar dat de wet daarnaast vereist dat zij motiveert waar partijen iets stellen dat niet wordt gevolgd, of kan uit deze motiveringsplicht of responsieplicht a contrario worden afgeleid dat de rechtbank alleen naar verweren en standpunten kijkt indien die zijn aangevoerd? Het beslissingsmodel en het gegeven dat deze motiveringsplicht ziet op het vonnis duiden op het eerste. In een zaak waarin in cassatie werd geklaagd dat het Hof Den Bosch had verzuimd te doen blijken van zijn ambtshalve ingestelde onderzoek naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van in Belgiƫ gepleegde flessentrekkerij, namelijk wat betreft het vereiste van dubbele strafbaarheid (art. 5 lid 1, sub 2, Sr) overwoog de Hoge Raad als volgt:
`4.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 348 Sv behoort de rechter onderzoek te doen naar de geldigheid van de dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging. Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien
(a) op de voet van art. 349, eerste lid, Sv de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging of de schorsing der vervolging wordt uitgesproken, aangezien een dergelijke beslissing op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv met redenen moet zijn omkleed;
(b) in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349, eerste lid, Sv niet wordt toegepast, aangezien op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis of arrest bepaaldelijk een beslissing dient te worden gegeven omtrent zo een verweer, welke beslissing eveneens op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv met redenen moet zijn omkleed;
(c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in art. 348 Sv, aangezien op grond van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen dienen te worden gegeven die daartoe hebben geleid;
(d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet een zodanige beslissing wordt gegeven.
4.5. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen ten aanzien van voormelde voorwaarde van art. 5 Sr inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Anders dan in vroegere jurisprudentie (bijv. HR 18 november 1997, LIN ZD0859, NJ 1998, 226) is geoordeeld, behoeft de rechter die die voorwaarde inzake de dubbele strafbaarheid vervuld acht, in zijn uitspraak niet blijk te geven van zijn dienaangaande ambtshalve verrichte onderzoek. Dat lijdt alleen uitzondering in het hiervoor onder 4.4 sub d bedoelde geval.'6
Van belang is dus dat niet alleen ingeval de zaak strand op ƩƩn van de voorvragen of indien een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdachte of het OM niet wordt gevolgd een motivering van de strafrechter is vereist met betrekking tot het door hem verrichte onderzoek naar de (opgeworpen) vragen, maar ook indien uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, terwijl niet een zodanige beslissing wordt gegeven.7 In deze zaak deed zich dit laatste probleem niet voor. Uit de stukken rees juist het vermoeden dat wel degelijk was voldaan aan het vereiste van dubbele strafwaardigheid. Tussen de stukken bevond zich namelijk een verzoekschrift van de Procureur des Konings te Antwerpen tot overneming van de strafvervolging, inhoudende onder meer dat de onderhavige feiten strafbaar zijn gesteld in art. 496 van het Belgisch Strafwetboek. Ook met betrekking tot de wijze van bewijsvergaring kan dermate twijfel rijzen omtrent de rechtmatigheid ervan dat de strafrechter zich ambtshalve zal moeten buigen over de toelaatbaarheid ervan.8 Ik meen met Corstens dat de lijn van deze jurisprudentie moet worden doorgetrokken naar de vraag of zich een strafuitsluitingsgrond voordoet.9 Uit het voorgaande volgt dat de motiveringseis die aan de strafrechter wordt gesteld (iets) verder reikt dan een blote responsieplicht. In zoverre kan een vergelijking worden gemaakt met art. 8:69 Awb. De door mij verdedigde opvatting van die bepaling brengt althans met zich dat de bestuursrechter (in potentie) meer moet doen dan enkel de beroepsgronden nalopen en kwesties van openbare orde inbrengen. Indien uit de stukken naar voren komt dat het bestreden besluit materieel waarschijnlijk geen stand kan houden zal hij daar ambtshalve het bestuursorgaan over aan de tand moeten voelen.10
Het vorenstaande laat onverlet dat indien bij de feitenrechter niet een bepaald verweer is voorgedragen, waarop de responsieplicht van toepassing is, in cassatie niet snel met succes worden geklaagd dat de feitenrechter geen oordeel heeft gegeven over dat eventuele verweer. Het gerechtshof kan dan immers niet worden verweten dat het niet is ingegaan op iets dat niet is aangevoerd, terwijl in cassatie niet eerst zo'n verweer kan worden aangevoerd omdat dit een feitenonderzoek zal vergen waarvoor in cassatie geen plaats is.11 Zo overwoog de Hoge Raad in twee zaken waarin eerst in cassatie werd geklaagd dat een afgelegde verklaring niet had mogen worden gebruikt als bewijs wegens schending van het vereiste van een fair trial dat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen.12 Voor de vraag of bijvoorbeeld een juiste toepassing door de feitenrechter is gegeven aan art. 359a Sv, dat ziet op het al dan niet door de rechter verbinden van consequenties aan niet te herstellen vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, is de Hoge Raad dus niet alleen afhankelijk van de feitenvaststelling door het gerechtshof, maar is voorts van belang of in de feiteninstanties door partijen hierover het nodige te berde is gebracht, zodat het gerechtshof gehouden was hier een expliciet (rechts)oordeel over te geven. Het zijn dan ook bovenal de feitenrechters zelf die invulling moeten geven aan de bevoegdheid zich ambtshalve over een aantal zaken te buigen. In dit verband wijs ik er op dat het Hof Den Haag13 en de militaire kamer van de rechtbank Arnhem14 zich ambtshalve hebben gebogen over de bruikbaarheid van het bewijs gelet op het ontbreken van rechtsbijstand voorafgaande aan de verhoren.
Daarnaast is het zaak voor ogen te houden dat de Hoge Raad zich zelf ook als cassatierechter ambtshalve over een aantal zaken buigt, welke bevoegdheid ook volgt uit art. 440 lid 1 Sv. Voor die deze categorie gevallen geldt dus in elk geval dat ook de feitenrechter hier een ambtshalve taak heeft. Wat opvalt is dat de cassatierechter zich, indien het cassatieberoep ontvankelijk is,15 ambtshalve ā dus los van de aangevoerde middelen ā buigt over het vervallen van de vervolgingsbevoegdheid wegens verjaring (art. 70 Sr),16 over wijzigingen van de strafmodaliteiten (art. 1 lid 2 Sr en bijzonder overgangsrecht)17 en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie (art. 6 lid 1 EVRM).18 Het laatste lijkt voor de hand te liggen: de middelen kunnen zich niet richten op iets wat nog moeten komen. Toch is dit niet altijd zo: de cassatiemiddelen hoeven pas na de aanzegging dat de stukken bij de Hoge Raad zijn ingekomen te worden ingediend, zodat wel kan worden geklaagd over te trage doorzending van de stukken door het gerechtshof (zie de art. 434 lid 1, 435 lid 1 en 437 lid 2 Sv).19De Hoge Raad ziet overigens geen aanleiding zich over de redelijke termijn in feitelijke aanleg te buigen, indien in feitelijke aanleg (op dit punt) geen verweer is gevoerd, terwijl dit wel mogelijk was:
`Opmerking verdient dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vbbr de bestreden uitspraak: a. Wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd, en b. Wanneer de verdachte en/of diens raadsman daar niet zijn verschenen maar de dagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend. In deze gevallen moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de sub 3.11 bedoelde dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.'20
Het is op zich wel begrijpelijk dat de Hoge Raad uitsluitend naar de redelijke termijn in de fase voor cassatie wil kijken indien er daaromtrent een oordeel van de feitenrechter voorligt, omdat de Hoge Raad zich dan voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en appel en de daaraan te verbinden gevolgen kan beperken tot een beoordeling van de motivering van het gerechtshof op begrijpelijkheid.21 Maatstaf is daarbij of de verdachte redelijkerwijs in hoger beroep een verweer heeft kunnen voeren inzake de redelijke termijn. Niettemin blijft het onbevredigend dat de vraag of de verdachte langer dan nodig een dreiging van (verdere) vervolging boven het hoofd heeft gehangen (mede) afhankelijk wordt gesteld van een `piepsysteem'. Voor verjaring geldt evenzeer dat die beoordeling tot een beperkt feitenonderzoek noopt. Voor verjaring geldt verder dat die vraag ook al ter beslissing kan voorliggen bij de feitenrechter in eerste aanleg, indien tussen het gepleegde feit en de vervolging een te lange periode is verstreken. Verjaring kan zich echter ook voordoen omdat de zaak te lang stilligt bij de strafrechter.22 Als het gaat om art 1 lid 2 Sr en daarmee verwante kwesties zal het ervan afhangen wanneer die wijziging zich voordoet. Met betrekking tot deze kwesties valt op dat het telkens gaat om ambtshalve cassatie ten voordele van de verdachte.23 Buiten deze kwesties treedt de Hoge Raad in beginsel niet buiten de cassatiemiddelen.24
Bij het voorgaande moet worden bedacht dat net als in het bestuursrecht de termijnen voor het indienen van een rechtsmiddel van openbare orde zijn.25 Voor zover het gaat om de beoordeling van de vraag of het cassatieberoep tijdig is ingesteld doet de Hoge Raad op dezelfde wijze daarnaar onderzoek als de feitenrechter naar de ontvankelijkheid van een hoger beroep.26 Hoewel de appeltermijn dus van openbare orde is, zal de Hoge Raad zich daar als cassatierechter slechts over buigen als een middel van de verdediging of het OM daartoe strekt. Zo zag de Hoge Raad geen aanleiding om ambtshalve in te grijpen nadat het gerechtshof de zaak inhoudelijk had afgedaan terwijl de verdachte te laat hoger beroep had ingesteld.27 A-G Vellinga concludeerde dat nu de verdachte in een geval als het onderhavige, waarin aan hem in appel geen hogere straf is opgelegd dan in eerste aanleg, door het negeren van de appeltermijn niet is benadeeld en het openbaar ministerie in de overschrijding van de appeltermijn geen reden heeft gezien te requireren tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en tegen de ontvankelijkheid van het hoger beroep in cassatie niet is opgekomen, het ambtshalve uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep minder voor de hand lag. Daarbij nam de A-G in aanmerking dat, anders dan in het civiele recht, ƩƩn van de partijen is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.28
Van groot belang voor de motivering en inzichtelijkheid van de strafrechtelijke uitspraak is het Project Motiveringsverbetering in Strafvonnissen (Promis). Dat initiatief vanuit de rechterlijke macht is in 2004 gestart binnen het resort Arnhem. Het doel van Promis was tot een betere motivering van strafvonnissen te komen. In 2006 is op instigatie van het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren en de Raad voor de Rechtspraak Promis II van start gegaan. Het doel van Promis II is te komen tot een verdergaande verbetering van de bewijsmotivering en de strafmaatmotivering. De aanbevelingen van de Toetsingscommissie Promis II hebben geresulteerd in een uniforme opbouw van de bewijs- en strafmotivering. De bewijsmotivering wordt altijd opgenomen in een Promis-vonnis. Dit betekent dat er niet op een later tijdstip een aanvulling op het vonnis komt met de bewijsmiddelen. Bij de uitspraak is dus direct duidelijk op welke bewijsmiddelen de rechter zijn oordeel heeft gebaseerd. De motivering van de bewezenverklaring gebeurt in verteltrant of met een zakelijke weergave van het bewijs, met verwijzing in een voetnoot naar het bewijsmiddel waaruit de betreffende passage afkomstig is.29 Op de vraag of de Promis-werkwijze overeenkomt met de eisen van de wet heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de uitwerking van de arresten volgens het Promis-model toelaatbaar is. Wel stelt de Hoge Raad daarbij de volgende voorwaarde:
`Dat in die werkwijze de redengevende inhoud van een bewijsmiddel ā zoals hetgeen een getuige heeft waargenomen of ondervonden, of hetgeen een opsporingsambtenaar heeft gerelateerd omtrent zijn bevindingen ā zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met genoemd motiveringsvoorschrift. Daarbij zal uiteraard de redengevend geachte inhoud van het bewijsmiddel geen geweld mogen worden aangedaan.
Wel zullen de redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen ā geheel of ten dele van feitelijke aard ā die de rechter aan die feiten en omstandigheden verbindt. Waar met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, is aan het wettelijk motiveringsvereiste niet voldaan. In dit verband moet ook worden benadrukt dat het bij deze werkwijze noodzakelijk is dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, zo nauwkeurig is dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd."30
Lang niet alle uitspraken worden naar Promis-model afgedaan. Door het LOVS is in 2008 besloten om bij alle rechtbanken en hoven om het Promis-model te hanteren. Toch resulteert slechts een minderheid van de zaken in een Promis-vonnis of Promisarrest. De Achilleshiel van Promis is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van gelijkblijvende inzet van mensen en middelen, terwijl meer en beter motiveren wellicht toch meer werk lijkt op te leveren. Indien strafsectoren moeten krimpen omdat productienormen niet worden gehaald lijkt het me dan ook voor de hand liggen dat Promis het eerst bij het grofvuil wordt gezet. De wet biedt ook de mogelijkheid voor een verkort vonnis zolang geen gewoon rechtsmiddel is aangewend (art. 365a lid 1 Sv).31 Als het rechtsmiddel meer dan drie maanden na het verkort vonnis is aangewend of indien het gaat om appel bij verlofzaken, dan hoeven bewijsmiddelen niet alsnog opgenomen te worden (lid 2). In de overige zaken zal binnen vier maanden of, ingeval van voorlopige hechtenis, binnen drie maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel aanvulling met bewijsmiddelen plaats moeten hebben (lid 3).
Het is uiteraard goed dat in het strafrecht meer werk wordt gemaakt van de motivering van uitspraken. Er is er wel een keerzijde. Zo verzuchtte advocaat-generaal Rirg in zijn conclusie bij de zaak Holleeder:
`(Niet alleen) bij deze zaak doet zich het merkwaardige en (hopelijk) tot nadenken stemmende verschijnsel voor dat ā waar vroeger karige motiveringen gegeven door feitenrechters voorwerp van kritiek waren ā thans uitvoerige motiveringen (zoals in het onderhavige geval) tot een lawine aan op- en aanmerkingen leiden. Hiermee is uiteraard niet gezegd dat een motivering vanwege haar uitvoerigheid immuun voor kritiek is. Echter, wil de normstellende taak van de Hoge Raad uit de verf komen, dienen mijns inziens cruciale kwesties aan de Hoge Raad te worden voorgelegd en dient hij zich niet met details en futiliteiten bezig te houden.'32
In het vonnis komen veelal een aantal bijkomende (neven)beslissingen voor. In het vorige hoofdstuk kwam de vordering van de benadeelde partij aan de orde. Ik wijs er hier op dat de Hoge Raad zich in voorkomend geval ambtshalve kan buigen over de vraag of een benadeelde partij terecht ontvankelijk is verklaard in haar vordering als bedoeld in art. 361 lid 2 Sv.33 Op een ontvankelijke vordering zal een beslissing genomen moeten worden in het vonnis, althans gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak (art. 335 Sv). Als de vordering wordt toegewezen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr), dan moet de toewijzing van de vordering gepaard gaan met een alternatieve vergoedingsplicht.34 Een afwijzing (dus niet een niet-ontvankelijkverklaring of intrekking) van de vordering sluit de weg af naar de burgerlijke rechter.35 Verder zal de rechtbank moeten beslissen omtrent in beslag genomen voorwerpen voor zover dienaangaande nog niet een last tot teruggave is gegeven (art. 353 Sv). Indien de rechtbank valsheid in een authentieke akte aanneemt, dan verklaart zij in de uitspraak het stuk vals en wijst aan waarin de valsheid bestaat (art. 356 Sv). Ten slotte zal de rechtbank zich eventueel moeten uitlaten over de voorlopige hechtenis (art. 72 Sv). Ingeval van hoger beroep zal een voorlopige hechtenis kunnen voortduren als een vrijheidsbenemende straf is opgelegd (art. 66 lid 2 en 75 Sv).36
De uitspraak ā door het uitspreken van een verkort vonnis ā moet uiterlijk worden gedaan op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek (art. 345 lid 3 Sv). Dit is een fatale termijn; wordt die niet gehaald dan moet een nieuwe zitting plaatshebben (lid 4).37 Als tijdens de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de rechtbank op de terechtzitting bevelen dat op een door haar te bepalen terechtzitting het onderzoek wordt hervat. Ook kan in dat geval de rechtbank een onderzoek door de rechter-commissaris doen plaats vinden. In beide gevallen wordt gehandeld alsof het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst (art. 346 en 347 Sv). Bij de politierechter en bij de kantonrechter speelt dit niet. Het direct doen van uitspraak is hoofdregel; uitstel kan slechts zien op een later tijdstip op dezelfde dag (art. 378 lid 1 en 395 lid 1 Sv). De uitspraak moet worden uitgesproken op een openbare terechtzitting (art. 362 Sv). De inhoud van het vonnis wordt dan mondeling meegedeeld. Ingevolge art. 365 wordt het vonnis binnen tweemaal 24 uur na de uitspraak ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en door de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest (lid 1). Indien ƩƩn van hen daartoe buiten staat is, wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt (lid 2).38 Na ondertekening van het vonnis of na de genoemde termijn van tweemaal 24 uur kan de verdachte of zijn raadsman daarvan en van het proces-verbaal van de terechtzitting kennis nemen. De voorzitter verstrekt desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal aan de verdachte en zijn raadsman (lid 3). De voorzitter verstrekt desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal van de terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van de derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of een uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken (lid 4).