Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.12
7.12 Bijzondere rechtsmiddelen, waaronder de herziening van rechterlijke uitspraken
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht (2008), p. 776-797.
Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 2.
Ziel-IR 11 januari 2005, LJN AR3663. Zie voor enkele andere voorbeelden Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht (2008), p. 802.
1-112 27 september 2005, NJ 2007/453 en 10 februari 2009, NJ 2009/167.
Kamerstukken 11 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 12.
Kamerstukken 11 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 12-13.
Klip, 'Recente rechtspraak strafrecht en Europese Unie', DD 2006/75, p. 1061-1062.
HvJ EG 16 maart 2006, AB 2006/191 (Kapferer).
Novum is eigenlijk een onjuiste term, want het gaat om een nieuw gebleken omstandigheid (dus een feit dat zich al eerder voordeed) en niet om een nieuwe omstandigheid. Zie in dit verband ook Bffiring en Marseille, 'De ongekende vrijheden en beperkingen van art. 4:6 Awb', JBplus 2002/2, p. 60. De term novum is dermate ingeburgerd dat ik hem niettemin gebruik.
Onder meer 1-11( 7 september 2004, L1N AQ9834 (Schiedammer parkmoord 1), par. 5.2. en 19 december 2006, LJN AY9718, par. 6.1.1.
Bijzondere omstandigheden deden zich voor in 1-11( 26 juni 2001, NJ 2001/564 (Puttense moordzaak II).
Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 8-9.
1-112 7 oktober 2008, NJ 2009/44 (Lucia de B.)
Kamerstukken 11 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 28.
1-112 25 januari 2005, L1N AS1872 (Schiedammer parkmoord II).
Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 17.
Zie de voorgestelde art. 460-463 en 469 Sv.
Zie voor het voorgaande Crombag, Wagenaar, Van Koppen en Israƫls, 'Herziening in strafzaken. Kanttekening bij het wetsontwerp', NJB 2009/500, p. 602-608; Kamerstukken 112008-2009, 32 045, nr. 3, p. 13-14; en Mevis, 'Verruiming van de herzieningsregeling?', DD 2007/16, p. 244-246.
Zie onder meer HR 10 oktober 2006, LJN AY9744 en 16 januari 2007, IJN AZ1671.
Kooijmans, 'Het novum als ingang van herziening', DD 2007/33, p. 426-427.
HR 19 december 2006, IJN AY9718.
Zie onder meer HR 22 april 2008, LJN BC8789 en LJN BC9637. Zie voorts Van Koppen en Oomkens, 'De opkomst en ondergang van de geursorteerproef. Over honden, bewijs en herziening', DD 2010/26, p. 458-485.
Zie 1-11( 13 september 2005, L1N AU3335 en 19 december 2006, LJN AY9718.
1-11( 30 oktober 2001, NJ 2002/230 en NJ 20021231.
1-112 14 november 2000, NJ 2001/17.
1-112 22 februari 2005, L1N AR5714 (Deventer moordzaak).
Zie Kamerstukken 11 2008/09, 32 044, nrs. 2 en 3.
Kamerstukken // 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 3 en 15.
Zie voor het voorgaande ook Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 9-12.
EHRM 28 februari 2006, no. 6965/02 (Savinsky).
EHRM 24 mei 2007, no. 65582/01 (Radchikov).
EHRM 20 juli 2004, no. 50178/99 (Nikitin).
Bijlsma, 'Herziening ten nadele: de Wet hervorming herzieningsregeling en het EVRM', NJCMBulletin 2009/2, p. 153-154.
Cassatie in het belang der wet is neergelegd in art. 456 Sv. Dit rechtsmiddel komt alleen de procureur-generaal bij de Hoge Raad toe. Het cassatiemiddel heeft geen nadelige gevolgen voor partijen (art. 78 lid 6 Wet RO), hoewel het in de rede ligt dat (verdere) strafexecutie achterwege blijft in het geval de Hoge Raad tot het oordeel komt dat er ten onrechte is veroordeeld voor een feit, omdat de bewezenverklaring geen strafbaar feit oplevert of omdat jurisdictie ontbreekt. Cassatie in het belang der wet kan door de procureur-generaal worden ingesteld indien er geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan, terwijl de rechtspraktijk gebaat kan zijn met een principieel oordeel van de Hoge Raad. Corstens stelt dat aan dit rechtsmiddel in strafzaken minder behoefte bestaat dan in civilibus omdat ƩƩn van de partijen in het strafrecht altijd een aan de staat gelieerde partij is.1 De gratie is geen bijzonder rechtsmiddel. Bij gratie gaat het niet om rechterlijke toetsing, maar om bestuurlijke besluitvorming, waarbij de rechter een adviserende taak heeft (art. 122 lid 1 Grondwet).
Een veel belangrijker bijzonder rechtsmiddel dan cassatie in het belang der wet in het strafrecht vormt de herziening door de Hoge Raad. Vooral de afgelopen tien jaar zijn er geruchtmakende herzieningszaken geweest. Het middel is vaak populairder dan het instellen van gewoon cassatieberoep. Dit hangt samen met het feit dat het cassatieberoep beperkt is tot vormverzuimen en verkeerde rechttoepassing door de feitenrechter, terwijl de Hoge Raad in herzieningszaken feitenrechter is. Herziening kan worden verzocht door de veroordeelde en door de procureur-generaal bij de Hoge Raad (art. 458 lid 1 Sv). Gelet op art. 457 lid 1 en lid 2 Sv kan herziening van een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak die strekt tot een veroordeling of tot schuldigverklaring zonder strafoplegging worden aangevraagd, indien zich ƩƩn van de volgende gronden voordoet: (1) de omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, welke niet zijn overeen te brengen; (2) enige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, in het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot vrij spraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging op grond dat deze niet strafbaar was, hetzij tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling; (3) een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin is vastgesteld dat het EVRM dan wel een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit op grond van dezelfde bewijsmiddelen heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in art. 41 EVRM. Met betrekking tot deze derde grond geldt een fatale termijn. Herziening moet namelijk binnen drie maanden worden aangevraagd nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het EHRM de veroordeelde bekend is (art. 458 lid 2 Sv).
Het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele2 voorziet in wijziging van onder meer art. 457 Sv. Daarbij zal ook de volgorde van de tweede en derde herzieningsgrond worden omgedraaid. Ik zal die nieuwe volgorde aanhouden bij de bespreking van de herzieningsgronden. De eerste herzieningsgrond ziet op conflict van rechtspraak. Daarvan is sprake als niet met elkaar te rijmen bewezenverklaringen zijn uitgesproken.3 Als tweede grondslag voor een herziening kan gelet op art. 457 lid 1 Sv een uitspraak van het Europees Hof dienen, waarin is vastgesteld dat het EVRM dan wel een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit op grond van dezelfde bewijsmiddelen heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in art. 41 EVRM. Ingevolge art. 467 lid 2 Sv doet de Hoge Raad in een zodanig geval ofwel de zaak zelf af ofwel verwijst hij deze op de voet van art. 461 Sv. In twee herzieningsuitspraken, die in hoofdstuk 2 zijn genoemd, deed de Hoge Raad zelf het verzoek af door de straf te verminderen. Het betrof in die zaken een schending van art. 8 EVRM in verband met een door de politie gefaciliteerde telefoontap zonder wettelijke grondslag, maar waarbij de klachten inzake schending van art. 6 EVRM afzonderlijk niet-ontvankelijk waren verklaard door het Hof.4 Het wetsvoorstel voorziet in schrapping van het vereiste betreffende de bewijsmiddelen. Een bezwaar van dit vereiste is namelijk dat de geconstateerde schending van het EVRM geen verband hoeft te houden met de gebruikte bewijsconstructie. Verklaart het EHRM bijvoorbeeld een klacht inzake het onpartijdigheidvereiste gegrond, dan is het goed mogelijk dat er ook in zaken van medeverdachten sprake was van partijdigheid, aldus de Memorie van Toelichting.5 De medeverdachten kunnen dan ook profiteren van een arrest van het EHRM. De regering wil niet zo ver gaan om herziening mogelijk te maken in alle gevallen waarin het evident is dat het EHRM de aanvrager in zijn klacht ontvankelijk zou achten en de klacht gegrond zou verklaren. Een aantasting van het gezag van gewijsde in een groot aantal afgesloten strafzaken op basis van extrapolatie van een arrest van het EHRM dat naar aanleiding van een andere feitenconstellatie is gewezen zou namelijk geen wenkend perspectief zijn.6 Met Klip7 kan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie ā waaruit volgt dat de nationale rechter in civiele zaken niet gehouden is terug te komen van een onherroepelijke uitspraak indien die achteraf berust op een verkeerde uitleg van Unierecht8 worden afgeleid dat geen herziening van een strafrechtelijke veroordeling mogelijk is wegens schending van Unierecht, zolang art. 457 Sv enkel voorziet in reparatie vanwege een uitspraak in de betreffende zaak door het EHRM.
De derde grond, het novum,9 is in de praktijk de belangrijkste grond voor herziening. Net als in het bestuursrecht (zie het einde van het vorige hoofdstuk) doet zich hier de vraag voor wat precies een novum is. Het moet volgens de wettekst gaan om `eenige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt'. Een andersluidend oordeel van een deskundige omtrent feiten en omstandigheden waarmee de feitenrechter destijds bekend was kan dus geen ingang vormen voor een herzieningsverzoek.
`Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen.'10
Een opening biedt de zinsnede 'behoudens bijzondere omstandigheden' .11 Het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele voorziet in vervanging van de term eenige omstandigheid in een gegeven. Volgens de regering kan een gegeven een nieuwe feitelijke omstandigheid betreffen, maar ook een gewijzigd deskundigeninzicht over al bekende feiten. Door deze wijziging worden de knelpunten in de huidige regeling opgelost.12 De kritiek vanuit rechtspsychologische hoek dat de voorgestelde wijzigingen de Hoge Raad alle ruimte bieden om vast te houden aan de huidige strenge koers dat het moet gaan om een feitelijkheid die de feitenrechter voorheen niet heeft kunnen kennen, pareert de regering met de opmerking dat uit bijvoorbeeld de herzieningsuitspraken van de Hoge Raad in de zaken Lucia de B.13 en Ina Post14 kan worden afgeleid dat de vraag of het gaat om een gegeven waarmee de rechter al bekend was, niet bevestigend wordt beantwoord om de enkele reden dat het gegeven is terug te voeren op bewijsmateriaal dat aan de rechter is voorgelegd, maar dat beslissend is of de gegevens die aan dit bewijsmateriaal kunnen worden ontleend al aan de rechter bekend waren.15
De laatstgenoemde twee herzieningszaken zijn destijds aangedragen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad door de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) die door het college van procureurs-generaal was ingesteld naar aanleiding van de gerechtelijke dwaling in de Schiedammer parkmoordzaak.16 De CEAS is een uit rechtswetenschappers bestaande commissie onder voorzitterschap van Buruma. Hoewel de CEAS naar het oordeel van de regering een belangrijke taak heeft vervuld bij de toetsing van in twijfel getrokken strafzaken dient voor de langere termijn te worden gezocht naar andere, meer structurele, oplossingen die beter inpasbaar zijn in het wettelijke systeem. Er kleven volgens de regering namelijk twee nadelen aan de huidige constructie: de CEAS dient de rol van de zittende magistratuur buiten het onderzoek te laten, hetgeen in de praktijk niet goed mogelijk is, en de toetsingscriteria die de CEAS hanteert (ernstige manco's in het opsporingsonderzoek of in de behandeling van de daaruit voortkomende strafzaken die een evenwichtige feitenbeoordeling door de rechter in de weg hebben gestaan) sluiten niet goed aan bij de herzieningsgronden.17 Wel heeft de regering oog voor de bewijspositie van de veroordeelde, die in het wetsvoorstel wordt aangeduid als de gewezen verdachte. De nieuwe regeling voorziet dan ook onder meer in de mogelijkheid voor de gewezen verdachte om een onderzoek aan te vragen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Die kan een vaste adviserende commissie, die niet alleen uit rechtswetenschappers maar ook forensische deskundigen, raadplegen ter zake van het inzetten van een onderzoeksteam, bestaande uit opsporingsambtenaren die niet eerder bij de strafzaak betrokken zijn geweest. Ook kan de Hoge Raad tijdens de behandeling van een herzieningsverzoek zelf onderzoek laten verrichten. Om een te grote aanzuigende werking te voorkomen wordt het vereiste gesteld dat de gewezen verdachte uitsluitend door zijn raadsman een herzieningverzoek kan laten indienen bij de Hoge Raad, terwijl de raadsman voorts slechts bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad voor een nader onderzoek kan aankloppen indien het gaat om een veroordeling wegens een feit waar een gevangenisstraf is gesteld van maximaal twaalf jaren en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.18
Bij het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele heeft de regering stilgestaan bij de vraag of de herzieningsprocedure zelf ook dient te worden gewijzigd. De regering heeft de kritiek uit rechtspsychologische hoek dat herziening niet aan de rechterlijke macht zelf kan worden overgelaten niet gevolgd. Die kritiek miskent enerzijds dat de machtenscheiding een zeer zware kaart oplevert ten faveure voor herziening door een rechterlijk college: inhoudelijke beslissingen van rechters kunnen in het Nederlandse recht alleen door andere rechters worden heroverwogen. Ook lijkt de rechtspsychologische kritiek op het functioneren van de Hoge Raad te wortelen in de basisgedachte dat een herzieningsonderzoek een onderzoek betreft naar het functioneren van een organisatie in plaats van een onderzoek naar de juistheid van beslissingen die zijn genomen in een strafzaak. Juist vanwege het uitzonderlijke karakter van de herzieningsfiguur (het gaat uitdrukkelijk niet om een vierde instantie), de daarbij spelende vragen van ook juridische aard en het belang van de rechtseenheid ligt het in de rede om de Hoge Raad als herzieningsrechter te handhaven.19
Niet elk nieuw gegeven is relevant. Het desbetreffende gegeven zal op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar moeten schijnen, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot ā samengevat ā een (geheel) andere uitspraak. Uit de term ernstig vermoeden volgt dat er geen absolute zekerheid hoeft te bestaan dat er een andere uitspraak zou zijn gevolgd. Met name in zaken betreffende de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en zaken waarin sprake is van een persoonswisseling zal het gegeven waaruit volgt dat er ten tijde van het veronderstelde onverzekerd rondrijden wel degelijk een verzekering van kracht was respectievelijk dat sprake is geweest van een persoonswisseling steeds sprake zijn van een zodanig gegeven dat grond bestaat voor herziening.20 In meer complexe strafzaken waarin sprake is van een dodelijk slachtoffer en het bewijs ziet op een complex van handelingen en op de gevolgen van dat handelen, zal het novum de bewezenverklaring in zijn kern moeten aantasten wil de aanvraag gegrond worden verklaard.21 Indien het gerechtshof heeft vastgesteld dat de dood van het slachtoffer moet zijn veroorzaakt door de veroordeelde omdat vast staat dat hij het ernstig zieke slachtoffer een zware dosis alcohol heeft toegediend in plaats van medische hulp in te roepen, dan is het niet genoeg om twijfel te zaaien omtrent de vraag of het slachtoffer uiteindelijk is overleden ten gevolge van acute alcoholvergiftiging of ten gevolge van hartfalen.22
Een novum kan ook zien op de wijze waarop het bewijs is verkregen. Nadat in een strafzaak aan het licht was gekomen dat Oefengroep Oost zich bij de geursorteerproeven met honden structureel niet had gehouden aan de zogenoemde dubbelblindregel, die inhoudt dat niet alleen de hond maar ook de hondengeleider niet mag weten welk geurbuisj e van de verdachte is, werd een onderzoek ingesteld door de Rijksrecherche waaruit naar voren kwam dat in de periode september 1997 tot maart 2006 mogelijk duizenden geursorteerproeven op onregelmatige wijze zijn uitgevoerd. Het openbaar ministerie heeft vervolgens de verdachten die zijn vervolgd en hun raadsmannen schriftelijk bericht dat zij herziening zouden kunnen vragen. Omdat het aannemelijk werd geacht dat de onregelmatigheden rond de geursorteerproef structureel van aard waren ging de Hoge Raad er behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel van uit dat de geurproef niet door de rechter zou zijn gebruikt voor het bewijs als hij bekend was geweest met de onregelmatigheden.23 Nadat een herzieningsverzoek is afgewezen kan de gewezen verdachte een nieuw verzoek doen. Wel wordt door de Hoge Raad de eis gesteld dat de nieuwe aanvraag niet op dezelfde gronden is gebaseerd als het eerdere verzoek. Er moet dus een nieuw gegeven worden gesteld.24 Net als in het bestuursrecht hanteert ook de strafrechter een buitenwettelijke herstelmogelijkheid. Zo heeft de Hoge Raad in gevallen waarin door een administratieve vergissing een tijdig ingezonden schriftuur niet was opgemerkt een aanvullend arrest gewezen.25
Indien de Hoge Raad de aanvraag om herziening gegrond verklaard dan doet hij ofwel de zaak zelf af ofwel verwijst hij de zaak naar een gerechtshof dat de zaak nog niet eerder heeft behandeld (art. 467 Sv). Het gerechtshof heeft op grond van het art. 474 in verbinding met art. 467 Sv alleen een beperkte beslissingsruimte. Het gerechtshof kan: (a) de bestreden onherroepelijke uitspraak handhaven, of indien het gerechtshof de bestreken uitspraak vernietigt: (b) het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging, of (c) de verdachte vrijspreken, of (d) de niet-strafbare verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging, of (e) de verdachte wederom veroordelen met toepassing van een minder zware strafbepaling (er is dus sprake van een minder ernstig feit). Het is daarbij aan het gerechtshof niet toegestaan om aan de verdachte een lichtere sanctie op te leggen voor hetzelfde feit.26 Het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele brengt daarin wijziging. Het wordt opportuun geacht dat het gerechtshof de vrijheid moet hebben bij een gewijzigde bewezenverklaring de straf in neerwaartse zin bij te stellen en ook moet het rekening kunnen houden met inmiddels gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte.27 In de Deventer moordzaak kwam het Hof Den Bosch na verwijzing door de Hoge Raad opnieuw tot een bewezenverklaring door nadere specificering daarvan ten opzichte van de bewezenverklaring door het Hof Arnhem voor de herziening. Omdat de Hoge Raad het herzieningsverzoek zonder enige beperking gegrond had verklaard, had het Hof Den Bosch terecht op de voet van art. 474 Sv een onderzoek ingesteld naar alle omstandigheden die van belang waren voor het oordeel over de feiten die in de inleidende dagvaarding waren opgenomen en was het daarbij niet gebonden aan het novum dat grond opleverde voor de verwijzing door de Hoge Raad. Voorts stond het aan het gerechtshof vrij nieuw bewijsmateriaal in zijn onderzoek te betrekken en aan zijn beslissing ten grondslag te leggen. Dat dit bewijsmateriaal ten tijde van de berechting door het Gerechtshof te Arnhem nog niet bekend was deed daar volgens de Hoge Raad niet aan af.28
Tegelijk met het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele is door de regering het wetsvoorstel Wet herziening ten nadele ingediend.29 Het wetsvoorstel voorziet er onder meer in dat het college van procureurs-generaal bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ten nadele van de gewezen verdachte kan indienen indien: er na het onherroepelijk worden van de einduitspraak nieuw bewijs aan het licht is gekomen dat het ernstige vermoeden doet rijzen dat de verdachte, als de rechter daarmee bekend zou zijn geweest, zou zijn veroordeeld (novum); of dat er sprake is van ƩƩn of meer zogenaamde falsa; wanneer is vastgesteld dat er sprake was van bijvoorbeeld vals ontlastend bewijsmateriaal en het ernstige vermoeden bestaat dat als de valsheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een veroordeling van de gewezen verdachte (voorgestelde art. 482a Sv). Herziening ten nadele op grond van een novum zal alleen mogelijk zijn wanneer er sprake is van nieuw technisch bewijs of van een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of diens medeverdachte. Herziening ten nadele op grond van nova zal voorts alleen mogelijk zijn bij misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld en dat dood van een ander ten gevolge heeft. Voor de falsa gelden deze beperkingen niet. De gedachte is hier dat indien de verdachte eerder zelf heeft zorggedragen dat geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden, hij ook voor lichtere vergrijpen geen aanspraak kan maken op de rechtszekerheid dat de zaak ten einde is gekomen.30 Wel zal verjaring in de weg kunnen staan aan een tweede vervolging en kan na een tweede poging niet nogmaals om herziening worden verzocht (zie het voorgestelde art. 482b lid 3 Sv).
De herziening ten nadele zal niet in strijd zijn met de tekst van art. 68 lid 1 Sr. Want deze ne bis in idem-bepaling maakt een uitzondering voor de gevallen dat rechterlijke uitspraken vatbaar zijn voor herziening. Herziening ten nadele hoeft evenmin in strijd te komen met verdragsverplichtingen. Enerzijds heeft Nederland het Vierde Protocol bij het EVRM niet geratificeerd en heeft het een voorbehoud gemaakt bij art. 14 lid 7 EVRM. Anderzijds geeft het Vierde Protocol bij het EVRM de nodige ruimte om ingeval van nieuwe feiten of nieuw ontdekte feiten een strafzaak te heropenen en legt het Comité voor de Rechten van de Mens art. 14 lid 7 IVBPR restrictief uit, zoals de regering stelt. Ook zal art. 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst geen belemmering hoeven te vormen. De herziening ten nadele heeft immers geen gevolgen voor het vrije verkeer, het betreft immers herziening van een uitspraak van de nationale rechter (voorgestelde art. 482b lid 3, onderdeel d, Sv).31 Wel ligt er potentieel een probleem in art. 6 EVRM. Waar het tweede lid van art. 4 van het Zevende Protocol bij nova of fundamentele gebreken in de vorige procedure een nieuwe vervolging mogelijk maakt, ziet het vereiste van een fair trial op de vervolgvraag of gebruikmaking van die bevoegdheid in een voorkomend geval redelijk is. Zo is door het EHRM geoordeeld dat de mogelijkheid tot herziening niet dient te worden aangewend om onherroepelijke uitspraken die niet manifèstly unreasonable zijn open te breken32 of om het openbaar ministerie de gelegenheid te bieden alsnog een gedegen onderzoek te laten verrichten, zodat er nu wel een veroordeling kan volgen.33 Met betrekking tot de herziening ten nadele geldt enerzijds dat in beginsel pas sprake is van een vervolging waarop art. 6 EVRM ziet indien de Hoge Raad heeft beslist dat de zaak moet worden herzien, zodat het verzoek van het OM tot herziening ten nadele niet reeds een nieuwe criminal charge oplevert.34 Anderzijds voorziet het voorgestelde art. 482c Sv in de mogelijkheid om voorafgaande aan het herzieningsverzoek onderzoek te laten verrichten, indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de Hoge Raad een aanvraag gegrond zal achten en het onderzoek dringend noodzakelijk is. Zelfs kan de gewezen verdachte in bewaring worden genomen, met dien verstande dat de Hoge Raad daarover beslist (art. 482f Sv). Met Bijlsma35 meen ik dat de inzet van de onderzoeksbevoegdheden en het gebruik van dwangmiddelen voorafgaande aan de beoordeling van het herzieningsverzoek met zich kunnen brengen dat wel degelijk sprake is van een criminal charge ook voordat sprake is van een uitspraak van de Hoge Raad dat het verzoek om herziening ten nadele gegrond is. Zolang de dwangmiddelen niet worden ingezet om eerdere misslagen te herstellen, maar omdat aannemelijk is dat zich nova of falsa voordoen, voorzie ik geen echte problemen.