Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.2.3.2
5.2.3.2 Uitzondering; wel dwaling?
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS500316:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Haarlem 22 oktober 1940, NI 1941, 222: Een beroep op dwaling in de rechtspersoon wordt niet gehonoreerd indien de wederpartij uit het handelsregister de aard van de rechtsvorm van de wederpartij had kunnen afleiden.
HR 17 januari 1997, NJ 1997, 222 (Geerlofs/Meinsma) r.o. 3.3 en HR 4 april 2003, NJ2003, 361 (Hoeberechts/Lourens), r.o. 3.3.4.
Het kenbaarheidsvereiste voor de wederpartij zoals opgenomen in artikel 6:228 lid 1 sub a slot BW geldt hier niet.
HR 19 januari 2001, NI 2001, 159 (Clemens/Schuring), r.o. 3.4.
Jac. Hijma, Verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer (loshl.) artikel 228, aant. 127.
Artikel 6:228 lid 1 sub b BW, HR 21 december 1990, NI 1991, 251 (Van Geest/Nederlof), to. 3.2.
Groene Kluwer (losbl.) Artikel 228, aant. 84, bewerkt door Jac. Hijma.
Hof Amsterdam 29 september 2005, WR 2006, 67.
Artikel 6:228 lid 2 BW
Zie 5.2.5.
Zie 1.3.
Aangezien een beroep op dwaling in de regel niet zal slagen, kan behandeling achterwege blijven van vervallen van vernietigingsbevoegdheid van rechtswege indien door de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst wordt voorgesteld waardoor het nadeel dat geleden wordt door de wederpartij wordt opgeheven (artikel 6:230 lidl BW). Daarnaast heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om in plaats van vernietiging de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen om het geleden nadeel op te heffen, uitsluitend op verzoek van een van de partijen.
Zie ook 5.4.
Zie 1.3.
Zie 4.5.3.1 en 4.5.3.2.
Zie 4.5.3.3.
Er is echter in geval van rechtsvormwijziging één situatie denkbaar van een onjuiste voorstelling van zaken namelijk indien een contractspartij op het moment van het sluiten van de overeenkomst al een voornemen tot rechtsvormwijziging had, waarbij al dan niet is begonnen met de uitvoeringshandelingen, en de wederpartij hiervan niet op de hoogte was. De wederpartij kan zich op het standpunt stellen dat uitgegaan is van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van de contractssluiting. De wederpartij heeft niet per definitie kennis van de voorgenomen rechtsvormwijziging aangezien een voornemen tot rechtsvormwijziging niet openbaar gemaakt wordt.1
Uitsluitend in laatstgenoemd geval dient de tweede cumulatieve eis, te weten het causale verband, onderzocht te worden. De dwalende wederpartij dient in de eerste plaats te stellen en te bewijzen dat hij indien hij van de voorgenomen rechts-vormwijziging van de contractspartij had geweten de overeenkomst niet op deze wijze gesloten zou hebben.2 Voor de rechter dient dit aannemelijk gemaakt te worden door de partij die een beroep op dwaling doet.3 Het ondervinden van nadeel is geen vereiste.4 In de tweede plaats moet aangetoond worden dat de rechtsvorm van essentieel belang is voor (bepaalde bepalingen uit) de overeenkomst om het causale verband afdoende te kunnen aantonen. Het is daarbij niet van belang of de partij zal nakomen. Die problematiek wordt beheerst door het leerstuk van wanprestatie en niet door dwaling.5 De contractspartij die van rechtsvorm wordt gewijzigd6 heeft een spreekplicht indien aan drie cumulatieve eisen wordt voldaan.7 Aan het wetenschapsvereiste wordt voldaan aangezien de betrokken contractspartij op de hoogte is van de voorgenomen rechtsvormwijziging. Daarnaast moet voor de contractspartij duidelijk zijn dat de rechtsvorm van de contractspartij voor de wederpartij relevant is (kenbaarheidsvereiste).8 Ten slotte dient rekening gehouden te worden met het feit dat de ander dwaalde. Indien de wederpartij op de hoogte was van de voorgenomen rechtsvormwijziging is daarvan geen sprake, in de overige gevallen wel.
Een tweetal omstandigheden kunnen tot gevolg hebben dat een dergelijk beroep op dwaling alsnog geen kans van slagen heeft, namelijk indien het een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft dan wel indien de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen en de omstandigheden van het geval tot gevolg kunnen hebben dat de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven.9 In die gevallen vervalt de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling.
Van een uitsluitend toekomstige omstandigheid is geen sprake indien het voornemen tot rechtsvormwijziging al bestond op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Het gaat in dat geval om een tot het heden (op het moment van sluiten van de overeenkomst) herleidbare situatie. Het feit dat de rechtsvormwijziging geëffectueerd wordt na het sluiten van de overeenkomst maakt dit gegeven niet tot een uitsluitend toekomstige omstandigheid.
Van een geslaagd beroep op dwaling is geen sprake indien de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen en de omstandigheden van het geval tot gevolg kunnen hebben dat de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Dit komt overeen met wat voortvloeit uit redelijkheid en billijkheid.10 Alle omstandigheden van het geval zijn daarvoor relevant. De mate van (dis)continuïteit van de rechtsvormwijziging speelt daarbij een ro1.11 Rechts-vormwijziging van de ene kapitaalvennootschap in de andere (kapitaalvennootschap) brengt in de regel minder discontinuïteit met zich mee dan rechtsvorm-wijziging van bijvoorbeeld een stichting in een kapitaalvennootschap. Hoe groter de verschillen tussen de soorten rechtsvormen en hoe groter de verschillen binnen de rechtsvormen des te meer discontinuïteit en des te eerder zal een beroep op dwaling door een wederpartij van een van rechtsvorm gewijzigde contractspartij in de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden kunnen slagen. Daarbij komt dat in het rechtsverkeer rekening gehouden dient te worden met het feit dat een rechtspersoon van rechtsvorm kan wijzigen. Het staat een contractspartij vrij hiermee rekening te houden. Door middel van een garantie, eventueel met boeteclausule, in de overeenkomst kan bijvoorbeeld een voorziening worden getroffen voor rechtsvormwijziging van een contractspartij.12
Een geslaagd beroep op dwaling op grond van rechtsvormwijziging van een contractspartij zal zich dan ook slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen.
`Een schenker doneert € 10 000 aan een stichting. De stichting heeft het voornemen om de rechtsvorm te wijzigen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De schenker schenkt het bedrag vanwege het doel van de stichting. '13
De schenker is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van de schenking. Dat is een gerechtvaardigde grond voor een beroep op dwaling. Het causale verband kan eveneens aangetoond worden. Als de schenker van de voorgenomen rechtsvormwijziging had geweten, had hij de schenking niet verricht aangezien de schenking werd gedaan met het oog op het doel van de stichting. Bij de beantwoording van de vraag of op grond van redelijkheid en billijkheid de dwaling voor rekening van de dwalende komt, is de rechtsvorm van de begiftigde op het moment van het aanvaarden van de schenking cruciaal. Als de rechtspersoon op het moment van het aanvaarden van de schenking al de rechtsvorm van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid had, komt de dwalende een gerechtvaardigd beroep op dwaling toe.
Ik meen dat in dit geval geen sprake van wilsovereenstemming14 is. Aan een beroep op dwaling wordt dan niet toegekomen. Bij een overeenkomst van schenking is de vorm van de rechtspersoon zo cruciaal dat de schenking niet aanvaard kan worden door een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Gezien de aard van de overeenkomst, schenking, leidt de discontinuïteit in de vorm van de rechtspersoon15 tot het ontbreken van wilsovereenstemming. Omdat er geen sprake is van wilsovereenstemming, komt geen overeenkomst van schenking tot stand. Als op het moment van het aanvaarden van de schenking de rechtspersoon de rechtsvorm van stichting heeft, valt het bedrag onder de vermogensklem en dient, in de strikte leer16, dat bedrag besteed te worden conform het stichtingsdoel. De bestemming van die gelden is hetzelfde als wanneer geen rechtsvormwijziging zou plaatsvinden. Na rechtsvormwijziging kan geen andere bestemming aan dat stichtingsvermogen gegeven worden. Van een potentieel andere bestemming is geen sprake. Op grond van de redelijkheid en billijkheid komt de schenker daarom geen beroep op dwaling toe. De gelden zullen worden besteed overeenkomstig het oude stichtingsdoel dat de schenker voor ogen had.
Wanneer de flexibele leer17 wordt aangehangen, kan voormalig stichtingsvermogen, uitsluitend na verkregen rechterlijke toestemming, een andere bestemming krijgen. De rechter zal bij de te verlenen toestemming het oorspronkelijke stichtingsdoel voor ogen houden. Indien de rechter een dergelijke vermogensbesteding goedkeurt, komt de schenker geen geslaagd beroep op dwaling toe. Indien het doel verder verwijderd is van het oorspronkelijke stichtingsdoel, zal de rechter de toestemming op grond van artikel 2:18 lid 6 BW niet verlenen. In dat geval komt een beroep op dwaling niet aan de orde aangezien de rechter de andere besteding niet goed zal keuren.