Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.7.3
2.7.3 De reikwijdte van het Aneignungsrecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644764:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wolff/Raiser (1957), p. 293, voetnoot 4; Palandt/Bassenge BGB §997 Rn 3; MüKoBGB/Raff §997 BGB Rn 30-31; Zie voor een overzicht van de verschillende meningen hierover: Staudinger/Thole (2019) BGB §997 Rn 35-38.
Zie: Staudinger/Thole (2019) BGB §997 Rn 36-38.
In Wolff/Raiser (1957), p. 293, voetnoot 4 staat dat niet de oorspronkelijke eigenaar is gerechtigd tot toe-eigening: “…aus Gründen der Praktikabilität des Rechts hat §997 BGB diese Folgerungen nicht gezogen.”
Staudinger/Thole (2019) BGB §997 Rn 37; Wieling, JZ/1985, 518. Wittig (2011), p. 112.
Wittig (2011), p. 112.
Staudinger/Thole (2019) BGB §997 Rn 39; Wittig (2011), p. 112. Overigens is er een derde (kleine) groep, die stelt dat het eigendomsrecht herleeft op het moment dat de zaak afgescheiden is van de hoofdzaak (Tobias (1903), p. 449, voetnoot 123; Zie voor een overzicht van de auteurs: Staudinger/Thole (2019) BGB §997 Rn 38. Zie ook: Tobias (1903), p. 449. Zou dat het geval zijn, dan speelt bovenstaande discussie niet meer. Op het ogenblik dat de bezitter de zaak heeft afgescheiden, herleeft het eigendomsrecht van de oorspronkelijke eigenaar. Uit niets blijkt echter dat het Duitse recht slapende eigendomsrechten kent. Sterker nog, de wet stelt, zoals in §997 BGB, dat ze slapende eigendomsrechten niet kent. Anders zou een Aneignungsrecht namelijk niet nodig zijn als de bezitter de zaak heeft afgescheiden.
Spyridakis (1966), p. 140-141.
De bezitter heeft voor het uitoefenen van zijn Wegnahmerecht geen toestemming van de eigenaar nodig, Staudinger/Bittner/Kolbe (2019) BGB §258, Rn 1: “Solange der Wegnahmeberechtigte die (haupt-)Sache besitzt, bedarf er zur Wegnahme der Zustimmung desjenigen, der Anspruch auf die Sache hat, nicht. Das ergibt sich aus dem Charakter des Aneignungsrechts.”
Staudinger/Thole (2019) BGB §997 Rn 39; Wieling (2007), §12 V 8 C, p. 193.
Door het Aneignungsrecht kan het doel van de afscheidingsrechten vervuld worden, namelijk het ongedaan maken van een ongerechtvaardigde verrijking die opgetreden is door natrekking. Maar wat als de Wegnahmeberechtigte niet degene is die verarmd is door de natrekking? Een bezitter verbindt twee zaken die aan verschillende eigenaren behoren met elkaar. Heeft hij een afscheidingsrecht én een Aneignungsrecht als de eigenaar van de hoofdzaak zijn zaak opeist? Uit de woorden van §997 BGB, waarin het Aneignungsrecht expliciet staat vermeld, is op te maken dat elke bezitter gerechtigd is de zaak af te scheiden en zich toe te eigenen.1 De heersende leer hangt deze gedachte aan.2 Ze heeft het voordeel dat zij het meest eenvoudig is.3 De bezitter van de nagetrokken zaak is (over het algemeen) gemakkelijker aan te wijzen dan de oorspronkelijke eigenaar. Hetzelfde geldt voor de andere wegneemgerechtigden die zaken van anderen met elkaar verbinden. De oorspronkelijke eigenaar heeft in plaats van een vordering tegen de eigenaar van de hoofdzaak, een vordering tegen de wegneemgerechtigde, die door zijn Aneignungsrecht eigenaar is geworden van het afgescheiden bestanddeel.
Een minderheid in de literatuur verdedigt een andere opvatting, namelijk dat het Wegnahmerecht en het Aneignungsrecht niet van toepassing zijn, als de verbinder vóór de verbinding geen eigenaar is geweest van de af te scheiden zaak.4 Dit zou immers tot wonderlijke resultaten leiden. Als bijvoorbeeld een bezitter bewust twee zaken van anderen met elkaar verbindt en de eigenaar van de hoofdzaak stelt de revindicatie in, dan verkrijgt de bezitter het eigendomsrecht van het afgescheiden bestanddeel. Zo wordt het doel van het wegneemrecht niet bereikt, aangezien de oorspronkelijke eigenaar nog steeds is “onteigend”. De (ongerechtvaardigde) verrijking aan de zijde van de hoofdeigenaar is door de afscheiding wel ongedaan gemaakt, maar deze is verschoven naar de bezitter. Bovendien is het uitgangspunt van het Duitse zakenrecht dat de zaakseenheid moet worden beschermd. Hierop wordt alleen een uitzondering gemaakt als sprake is van een gegronde reden, zoals bijvoorbeeld het verlies van een zakelijk recht tegen de wil van de gerechtigde in.5 Daarvan is geen sprake, aangezien de verbinder geen zakelijk recht heeft verloren.
Een andere reden om het Wegnahmerecht en het Aneignungsrecht niet toe te kennen, is dat de verbinder geen vermogensrechtelijk offer heeft gebracht. Dit is immers een vereiste voor het afscheidingsrecht. Onder vermogensrechtelijk offer wordt niet verstaan dat hij eventuele kosten heeft gemaakt om de verbinding tot stand te brengen. Deze kosten rechtvaardigen niet dat de bezitter zich een zaak mag toe-eigenen waarvan hij nooit eigenaar is geweest.6
Hoe het ook zij, de meningen zijn verdeeld over de reikwijdte van een afscheidingsrecht.
Een conflict tussen §951 lid 2 en §997 BGB
In de literatuur is nog een argument genoemd voor het aannemen dat een verbinder alleen een Wegnahmerecht heeft als hij eigenaar was van de zaak vóór de verbinding. Dit argument heeft betrekking op het Wegnahmerecht van de niet-bezitter (§951 lid 2 BGB). Aangezien discussie gaat over de vraag of dit recht bestaat, weegt het argument minder zwaar. Desalniettemin is zij het vermelden waard. Het argument heeft betrekking op een conflict, dat kan optreden tussen het afscheidingsrecht van de niet-bezitter en dat van de bezitter als de bezitter ook een afscheidingsrecht heeft zonder dat hij vóór de verbinding eigenaar was. Als een bezitter (B) zaken van A en C met elkaar verbindt, waardoor de zaak van A een wezenlijk bestanddeel wordt van de zaak van C, dan is sprake van een dubbele inbreuk (doppelter Eingriff) op de eigendomsrechten. Allereerst namelijk een onmiddellijke inbreuk door de verbindende partij (B) en daarnaast een middellijke inbreuk door de eigenaar van de hoofdzaak (C), aangezien die verrijkt is met de zaak van A.7 A heeft tegen C daarom een actie uit ongerechtvaardigde verrijking (Eingriffskondiktion) op grond van §951 lid 1 BGB en een Wegnahmerecht op grond van het lid 2. Als B óók een Wegnahmerecht op grond van het bezit heeft (§997 BGB), dan botst dit recht met het afscheidingsrecht van A. Welk recht heeft voorrang? Mocht zo’n geval zich voordoen dan zou het Wegnahmerecht van A voorrang hebben. Als B zijn Wegnahmerecht heeft benut, bijvoorbeeld doordat hij het bestanddeel heeft afgescheiden8, dan is hij verplicht om de angeeignete Eigentum oftewel het toegeëigende eigendomsrecht van de afgescheiden zaak over te dragen aan de vorige eigenaar A. Geen conflict tussen de wegneemrechten ontstaat, als B alleen een Wegnahmerecht heeft wanneer hij eigenaar was van de zaak vóór de verbinding. In dat geval is alleen A gerechtigd om een Wegnahmerecht in te stellen.9 De gedachte dringt zich op of de Romeinsrechtelijke leer van het terugkeerrecht (pristina causa) minder gekunsteld overkomt.