Ik heb ervoor gekozen het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (Stb. 2019, 435) hier niet integraal op te nemen omdat de relevante bepalingen daaruit reeds zijn opgenomen in de beschikking van het hof, hiervoor onder 3 geciteerd.
HR, 13-09-2022, nr. 22/00630
ECLI:NL:HR:2022:1200
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-09-2022
- Zaaknummer
22/00630
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1200, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑09‑2022; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:563
ECLI:NL:PHR:2022:563, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑06‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1200
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑04‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0161
NJ 2022/384 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 13‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Beschikking penitentiaire kamer hof op vordering OvJ ex art. 37a.7 Sr tot verlenen van machtiging voor het gebruik t.b.v. rapport van gegevens die multidisciplinaire commissie elders heeft verkregen over weigerende observandus t.z.v. verdenking van poging tot moord. OM-cassatie. HR geeft toetsingskader voor beoordeling vordering. Voor verlenen van de machtiging is o.g.v. art. 37a.6 Sr in ieder geval vereist dat verdachte wordt verdacht van misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam a.b.i. art. 38e Sr, en dat hof vaststelt dat verdachte weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek a.b.i. art. 37a.4 Sr. Bij dit laatstgenoemde oordeel moet in ieder geval zijn voldaan aan (door eisen van subsidiariteit ingegeven) voorwaarden in art. 1.1.i. Besluit om verdachte te kunnen aanmerken als ‘weigerende observandus’. Verder volgt uit wetsgeschiedenis dat beoordeling door hof mede ertoe strekt te waarborgen dat in het voorliggende geval doorbreking van het medisch beroepsgeheim en de inbreuk op verdachtes (mede door art. 8 EVRM gewaarborgde) recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, beantwoordt aan eisen van proportionaliteit. I.h.k.v. deze individuele proportionaliteitstoets moet rechter dus ook beoordelen of doorbreking van medisch beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door omstandigheden van concrete geval, waarbij o.m. aandacht kan zijn voor aard en ernst van het tlgd. feit en omstandigheden waaronder dit is gepleegd, wat overigens bekend is over (persoon van) verdachte en inhoud van rapport van multidisciplinaire commissie. Omvang van de motiveringsplicht ter zake is mede afhankelijk van wat door OM en verdediging wordt aangevoerd. Hof heeft in afwijzende beschikking dit toetsingskader niet miskend. HR merkt op dat voor behandeling door hof van vordering moet worden aangesloten bij art. 21-25 Sv over behandeling door raadkamer, v.zv. daarvan niet wordt afgeweken in art. 37a.6-37a.9 Sr. Dit brengt o.m. mee dat behandeling niet in openbaar plaatsvindt en beschikking niet in openbaar wordt uitgesproken. HR merkt verder op dat, hoewel geen voorschrift is opgenomen over termijn instellen cassatieberoep door verdachte, moet worden aangenomen dat wetgever niet van andere termijn heeft willen uitgaan dan termijn van 14 dagen die o.g.v. art. 446.2 Sv geldt voor OM. Termijn vangt aan na in art. 37a.8 Sr bedoelde schriftelijke mededeling van de beschikking aan verdachte. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00630 B
Datum 13 september 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, penitentiaire kamer, van 3 februari 2022, nummer P 21/420, op een vordering als bedoeld in artikel 37a lid 7 van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak
van
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 37a lid 7 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het voert daartoe onder meer aan dat het hof het toepasselijke toetsingskader heeft miskend en dat de afwijzing van de vordering niet zonder meer begrijpelijk is.
2.2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De multidisciplinaire commissie bedoeld in artikel 37a leden 6 en 9 Sr heeft op last van de officier van justitie een advies uitgebracht over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens van de verdachte betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte. Het advies houdt in dat dergelijke persoonsgegevens aanwezig zijn. De officier van justitie heeft vervolgens een vordering als bedoeld in artikel 37a lid 7 Sr gedaan om deze persoonsgegevens te kunnen doen gebruiken ten behoeve van een rapport of advies over de persoonlijkheid van de verdachte. De penitentiaire kamer van het hof heeft die vordering afgewezen.
2.2.2
De beschikking van het hof houdt onder meer het volgende in:
“Verloop van de zaak
Verdachte wordt ervan verdacht op 11 mei 2020 in Drachten [slachtoffer] in de rug te hebben gestoken. Dit is tenlastegelegd als primair poging moord, subsidiair poging doodslag, meer subsidiair zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade, en meest subsidiair poging zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade. Verdachte is op 3 september 2020 aangehouden en verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis op grond van het primair tenlastegelegde. Hij ontkent alle beschuldigingen.
Verdachte weigert in gesprek te gaan met psychiater [betrokkene 1] tijdens het trajectconsult van 28 oktober 2020. Onder dreiging van plaatsing in het Pieter Baan Centrum (PBC) spreekt hij op 18 november 2020 alsnog met [betrokkene 1]. Die adviseert een triple-onderzoek door een psychiater, psycholoog en milieuonderzoeker.
De deskundigen [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], aan wie dit triple-onderzoek was opgedragen, rapporteren in januari 2021 dat verdachte iedere medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd, niet naar de gespreksruimte wilde komen en ook niet wilde deelnemen aan een videogesprek. Zij adviseren opname in het PBC.
Op 10 maart 2021 beslist de rechtbank dat een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte wordt ingesteld en dat verdachte daartoe ter observatie zal worden overgebracht naar het PBC.
Verdachte verblijft van 15 juni tot 28 juli 2021 in het PBC op een afdeling voor moeilijk onderzoekbare te observeren personen (observandi). Uit de rapportage van 7 september 2021 blijkt dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Daardoor verkregen de psychiater en de psycholoog nauwelijks informatie uit eigen gesprekken. Evenmin werd test- en neuropsychologisch en medisch onderzoek verricht. Wel werd gesproken met enkele leden van het sociale netwerk van verdachte. Hij weigerde echter machtigingen te tekenen, zodat geen schriftelijke informatie kon worden ontvangen van diverse instellingen.
De deskundigen [betrokkene 5], arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van [betrokkene 6], psychiater, en [betrokkene 7], GZ-psycholoog, concluderen dat het door de beperkingen in het onderzoek niet mogelijk is geweest een volledig diagnostisch onderzoek uit te voeren en de vraagstelling niet volledig kan worden beantwoord. Alle beschikbare informatie in ogenschouw nemende achten zij het waarschijnlijk dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, maar dat het gedifferentieerd vaststellen van een diagnose niet mogelijk is. Zij hebben sterke vermoedens dat er bij betrokkene sprake is van een lichte verstandelijke beperking. Een antisociale of een andere persoonlijkheidsstoornis kan op grond van het onderzoek niet worden vastgesteld, maar er bestaan wel aanwijzingen voor een bedreigde ontwikkeling van verdachtes persoonlijkheid. Ten slotte kan er minimaal gesproken worden van cannabismisbruik, maar een ernstiger vorm van middelengebruik, namelijk afhankelijkheid van cannabis, kan niet worden uitgesloten.
Om te kunnen bepalen of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is volgens de deskundigen aanvullende informatie nodig. Zij zijn ervan overtuigd dat deze informatie in ieder geval deels voorhanden is bij een aantal instanties waarvan verdachte volgens het milieuonderzoek begeleiding of behandeling zou hebben ontvangen. Omdat verdachte zijn medewerking weigert, kan deze informatie niet door deze instanties worden verstrekt, maar kennisneming daarvan zou hoogstwaarschijnlijk leiden tot een beantwoording van de vraagstelling naar de diagnostiek.
De officier van justitie gelast bij brief van 12 oktober 2021 de voorzitter van de Adviescommissie hem te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte.
De Adviescommissie vraagt vervolgens bij de in de last genoemde behandelaren een afschrift op van het dossier met betrekking tot de behandeling van betrokkene. Volgens het advies van 23 november 2021 heeft de commissie van vier van deze behandelaren dit afschrift ontvangen, in totaal 45 unieke documenten. Daarvan acht de Adviescommissie dertien stukken vanuit medisch en psychologisch perspectief bruikbaar voor het opstellen van een rapportage. Van ieder document heeft de Adviescommissie nader omschreven welke soort bruikbare informatie het bevat.
(...)
Toepasselijke procesregels
Het hof overweegt dat artikel 37a, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) slechts een beperkte regeling bevat van de procedure die moet leiden tot de beslissing van het hof over de vordering van de officier van justitie. Deze bepaling draagt het hof op de verdachte te horen en maakt het mogelijk de voorzitter van de Adviescommissie te horen. Verder dient het hof van zijn beslissing schriftelijk mededeling te doen aan de verdachte.
In aanvulling hierop zijn naar het oordeel van het hof echter ook de wettelijke bepalingen over de behandeling door de raadkamer van toepassing op deze procedure, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in artikel 37a Sr. Het gaat hier immers om het nemen van een beslissing door een rechterlijk college waarvoor niet is voorgeschreven dat die op de terechtzitting wordt genomen of daar ambtshalve wordt genomen (artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)).
Het hof ziet in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 37a, achtste lid, Sr geen aanwijzingen dat de wetgever de toepasselijkheid van de raadkamerprocedure beoogde uit te sluiten. Daarbij dient te worden vermeld dat het oorspronkelijke ontwerp van deze regeling voorzag in een procedure bij de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbanken (Tweede Kamer 2012-2013, 32398, nr. 19). Eerst bij amendement is het oordeel over de vordering van de officier van justitie gelegd bij deze kamer van dit hof (Tweede Kamer 20122013, 32398, nr. 23). Evenmin dwingt de systematiek van artikel 37a Sr of de aard van de procedure tot het buiten toepassing laten van artikel 21, eerste lid, Sv. De voorschriften van de raadkamerprocedure bieden juist aanvullende waarborgen voor de verdachte en voor de kwaliteit van de beslissing.
De regeling ter doorbreking van het medische beroepsgeheim
Artikel 37a Sr voorziet, kort gezegd, in de mogelijkheid de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Een van de voorwaarden voor oplegging is dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit waarvoor de maatregel kan worden opgelegd een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond (artikel 37a, eerste lid onder 1°, Sr). Voor onder andere het oordeel over dit punt, laat de rechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, Sr). De eis geldt echter niet wanneer de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat voor dit advies moet worden verricht, de zogenoemde weigerende observandus (artikel 37a, vierde lid, Sr).
Bij de Wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (Stb. 2018, 38) is artikel 37a Sr aangevuld met een procedure die het onder strikte voorwaarden mogelijk maakt aan de deskundigen die over verdachte rapporteren, gegevens over de verdachte te verstrekken die afkomstig zijn van artsen en gedragsdeskundigen. Deze wetswijziging is in werking getreden op 28 november 2019. Op die datum en daarna is artikel 37a Sr nog door enkele andere wetten gewijzigd. (...)
Geval waarin de regeling kan worden toegepast
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarden van 37a, zesde lid, Sr waaronder de officier van justitie een last kan geven aan de voorzitter van de Adviescommissie. Het hof heeft in dit geval geen reden om voor de beoordeling van de vordering uit te gaan van een andere verdenking dan degene waarvoor de rechtbank ernstige bezwaren heeft aangenomen, te weten poging tot moord. Dit is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e Sr. Op grond van de omstandigheden die hiervoor zijn weergegeven bij het verloop van de zaak, concludeert het hof dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a, vierde lid, Sr. Eveneens heeft hij geweigerd medewerking te verlenen aan de verstrekking door derden van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Verder is voldaan aan de in het verlengde hiervan in artikel 1.1, aanhef en onder i, sub a, Bagwo (de Hoge Raad begrijpt: Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi) gestelde eis dat verdachte op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, in dit geval artikel 317 Sv, ter observatie opgenomen is geweest in een inrichting tot klinische observatie bestemd.
(...)
Opgevraagde gegevens
Het hof verwerpt het verweer van verdachte dat de Adviescommissie van enkele instanties geen dossier had mogen opvragen en dat ook om enkele nader aangeduide stukken niet had mogen worden verzocht. Artikel 37a, zesde lid, Sr beperkt de bevoegdheid van de Adviescommissie om persoonsgegevens op te vragen niet tot persoonsgegevens betreffende de gezondheid. Het kan ook om andere persoonsgegevens gaan. Verder kunnen deze gegevens niet alleen bij artsen, maar ook bij gedragsdeskundigen worden opgevraagd. Volgens artikel 1.1, aanhef en onder a, van het Bagwo valt ook een rechtspersoon onder de definitie van een behandelaar waar een dossier kan worden opgevraagd. De Nota van Toelichting bij het Bagwo (blz. 26) stelt hierover:
Indien een behandelend arts of gedragsdeskundige niet bij naam bekend is, wordt het verzoek tot verstrekking van het dossier gericht tot de instelling waar de weigerende observandus is behandeld of de zorgaanbieder die de weigerende observandus heeft behandeld. Om die reden omvat de definitie van «de behandelaar» tevens de rechtspersoon bij wie het dossier wordt opgevraagd. In het geval dat het dossier bij een rechtspersoon wordt opgevraagd wijzigt uiteraard niet dat uiteindelijk een dossier van een arts of gedragsdeskundige wordt opgevraagd.
Desgevraagd heeft de voorzitter van de Adviescommissie in raadkamer nader toegelicht dat bij alle instanties, oftewel rechtspersonen, die een dossier aan de commissie hebben verstrekt, verdachte hetzij werd begeleid en/of behandeld door een team met een gedragsdeskundige als (regie)behandelaar, hetzij door een gedragsdeskundige is onderzocht.
Het hof heeft geen reden aan te nemen dat tussen verdachte en de gedragsdeskundige geen geneeskundige behandelovereenkomst was gesloten of dat geen dossier is opgemaakt als bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek. Anders dan verdachte heeft aangevoerd, maakt van dit dossier ook deel uit informatie die de behandelaar buiten de patiënt om te weten komt en informatie die anderen over de patiënt aan de behandelaar verstrekken (zie ook de in 2021 algemeen beschikbaar gestelde richtlijn 'Omgaan met medische gegevens’ van de Artsenfederatie KNMG, paragraaf 1.3).
Bruikbaarheid van de gegevens
Verdachte heeft betwist dat enkele van de gegevens die in het advies van de Adviescommissie worden genoemd, bruikbaar zijn voor het opstellen van een rapport over het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze gegevens zouden hetzij te oud zijn, hetzij slechts iets kunnen zeggen over een zorgaanvraag en niet over een eventuele stoornis. Verdachte heeft verder opgemerkt dat hij niet beschikt over de stukken die worden genoemd in het advies van de commissie. Het advies had volgens hem een nadere motivering dienen te bevatten van de conclusie dat documenten bruikbaar zijn, met een omschrijving van de inhoud van de documenten.
Het hof verwerpt dit betoog. De voorzitter van de Adviescommissie heeft desgevraagd toegelicht dat ook oudere gegevens van belang kunnen zijn voor de rapporteurs omdat dit inzicht geeft in de ontwikkeling die verdachte al dan niet heeft doorgemaakt. Ook de zorg die aan verdachte mogelijk is verleend, kan een aanwijzing zijn voor het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bagwo noemt dit expliciet als een gegeven dat in de motivering van het advies van de commissie kan worden genoemd.
Verdachte heeft verder geen inhoudelijk verweer gevoerd dat het hof noodzaakte tot een nader onderzoek naar de bruikbaarheid van de gegevens. Het hof heeft verdachte gewezen op de mogelijkheid de door de commissie in het advies genoemde stukken zelf op te vragen bij de betreffende behandelaars. Verdachte heeft hieraan echter geen consequenties verbonden.
Proportionaliteit
Verdachte heeft aangevoerd dat de verstrekking van bepaalde gegeven niet proportioneel is. Daarbij heeft hij een beroep gedaan op artikel 8 EVRM.
(...)
Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat artikel 8 EVRM ook bescherming biedt tegen de openbaarmaking van medische gegevens, waaronder gegevens over de geestelijke gezondheid. Die laatste zijn naar hun aard zeer gevoelige privégegevens, ongeacht of ze duiden op een bepaalde diagnose. De reden voor deze bescherming is niet alleen gelegen in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, maar ook in het waarborgen van het vertrouwen in medische professionals en de gezondheidszorg in het algemeen. Bij het ontbreken van deze bescherming zouden degenen die medische hulp nodig hebben ervan kunnen worden weerhouden noodzakelijke medische hulp in te roepen of de voor de behandeling noodzakelijke gegevens te verstrekken (o.a. EHRM 27 februari 2018, nr. 66490/09, ro. 93 & 94 (Mocküte tegen Litouwen)). Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad is tot uitdrukking gebracht dat de bescherming van de vertrouwelijkheid van medische gegevens deze belangen dient (o.a. Hoge Raad 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369).
Het hof stelt vast dat op grond van de regeling van artikel 37a Sr het medisch beroepsgeheim op verschillende momenten kan worden doorbroken doordat zonder toestemming van de verdachte gegevens uit zijn medisch dossier worden verstrekt aan derden die niet bij de behandeling betrokken zijn. Om te beginnen is er de verstrekking aan de Adviescommissie. Daarna worden gegevens genoemd in het advies van de commissie. Hoewel daarin de inhoud van de bruikbaar geachte stukken niet wordt weergegeven, blijkt daar wel uit dat verdachte bij bepaalde instanties in behandeling is geweest of zorg heeft ontvangen en dat bepaalde onderzoeken zijn gedaan. Ook deze gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim (zie ook de eerdergenoemde paragraaf in de KNMG-richtlijn). Het hof is in deze beschikking dan ook, waar mogelijk, terughoudend met het meer specifiek noemen van deze gegevens. In het geval het hof een machtiging verleent, worden deze gegevens vervolgens verstrekt aan de deskundigen die over verdachte dienen te rapporteren. Deze gegevens kunnen uitsluitend worden gebruikt voor een rapport of advies over de persoonlijkheid van de verdachte. Er moet echter ernstig rekening mee worden gehouden dat de gegevens in dit rapport of advies worden weergegeven ter onderbouwing van de conclusies van de deskundigen, deze gegevens vervolgens op een openbare zitting zullen worden besproken en daarna in een in het openbaar uitgesproken vonnis of arrest zullen worden weergegeven ter onderbouwing van het oordeel van de rechter. De wet bevat geen waarborgen om dit te voorkomen of beperken.
(...)
Uit artikel 8 EVRM en het stelsel van de wet, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis, volgt dat het hof dient te beoordelen of de doorbreking van het medisch beroepsgeheim ook in het individuele geval proportioneel is, dat wil zeggen wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Naar het oordeel van het hof dienen daartoe alle omstandigheden van het geval te worden betrokken, zoals de aard en de ernst van het feit waarvan de verdachte wordt verdacht (in ieder geval een zogenoemd geweldsmisdrijf), de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de voor de vordering tot verstrekking aangevoerde gronden, de reden voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek, het advies van de commissie, de aard en beschreven inhoud van de in het advies genoemde gegevens alsmede de visie van de verdachte hierop, aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een stoornis die nader onderzoek vergt en aanwijzingen voor het gevaar dat de verdachte een strafbaar feit zal begaan.
Bij die beoordeling dient te worden betrokken dat, zoals hiervoor uiteengezet en anders dan in de parlementaire geschiedenis is betoogd, de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden. Zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt zijn de gegevens immers kenbaar. Dit is een verschil met het aangehaalde arrest van het EHRM van 25 februari 1997 (Z. tegen Finland) waarin belang werd gehecht aan waarborgen om de medische gegevens geheim te houden (ro. 103 en 107). Verder is in deze zaak de noodzaak voor de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gevonden in het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en de vervolging van de daders (ro. 97). Doorbreking van het beroepsgeheim op grond van artikel 37a Sr vindt zijn reden in het minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, terwijl nog niet is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor oplegging is voldaan. Dat wordt juist onderzocht. Dit dient te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.
Bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, komt daarom ook betekenis toe aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Het hof wijst er in dit verband op dat artikel 1.1, onder i, aanhef, Bagwo onder een weigerende observandus de verdachte verstaat ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt.
In de voorliggende zaak heeft het hof in de reden voor de weigering van medewerking aan het onderzoek en in de aard en beschreven inhoud van de bruikbaar geachte documenten, geen bijzondere redenen gevonden voor toewijzing of afwijzing van de vordering. Enerzijds stelt het hof vast dat het PBC-rapport aanwijzingen bevat dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verder heeft de verdenking betrekking op een ernstig geweldsmisdrijf, namelijk poging moord. Anderzijds overweegt het hof, zonder af te willen doen aan de gevolgen die het feit heeft gehad voor het slachtoffer, dat geen sprake is van een voltooid levensdelict. Verder is het delict niet gepleegd onder bijzondere omstandigheden. Het PBC-rapport bevat geen overwegingen over het recidivegevaar dat uitgaat van verdachte. Het hof stelt vast dat het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte geen eerdere zware geweldsmisdrijven vermeldt. Uit dit uittreksel volgt ook dat verdachte, vergeleken met de populatie van personen met een terbeschikkingstelling, relatief oud was toen hij voor het eerst in aanraking kwam met justitie.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en evenmin anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is.”
2.3.1
Artikel 37a Sr luidt als volgt:
“1. Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechter gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat:
1°. bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; en
2°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet.
2. Bij toepassing van het vorige lid kan de rechter afzien van het opleggen van straf, ook indien hij oordeelt dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend.
3. Ten behoeve van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over dit advies.
4. Het derde lid blijft buiten toepassing, indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk rapporteren de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel een ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen.
5. Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid neemt de rechter in aanmerking de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf.
6. Indien betrokkene verdacht wordt van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht en hij weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid kan de officier van justitie de voorzitter van de multidisciplinaire commissie, bedoeld in het negende lid, gelasten dat die commissie aan hem een advies uitbrengt over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene, ten aanzien waarvan de verdachte niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking. De leden van de multidisciplinaire commissie zijn bevoegd persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, op te vragen van artsen en gedragsdeskundigen en daarvan kennis te nemen. Op een verzoek van de multidisciplinaire commissie is de arts of gedragsdeskundige verplicht de persoonsgegevens van betrokkene aan de multidisciplinaire commissie te verstrekken. De multidisciplinaire commissie brengt uiterlijk 30 dagen na de last, bedoeld in de eerste volzin, gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie over de aanwezigheid en bruikbaarheid van de persoonsgegevens in relatie tot de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit. Van een last, bedoeld in de eerste volzin, doet de officier van justitie mededeling aan de verdachte, onder medezending van het advies van de multidisciplinaire commissie.
7. De persoonsgegevens van betrokkene die aan de multidisciplinaire commissie zijn verstrekt, kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een rapport of advies als bedoeld in het vijfde lid. Voor de toepassing van de eerste volzin behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de penitentiaire kamer. Bij deze vordering legt de officier van justitie het advies van de multidisciplinaire commissie over. Indien de officier van justitie, op basis van het advies van de multidisciplinaire commissie, afziet van het doen van een vordering, doet hij hiervan mededeling aan de verdachte en de commissie. In dit artikel wordt onder penitentiaire kamer verstaan: de meervoudige kamer, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, in de samenstelling, bedoeld in het derde lid van dat artikel.
8. Alvorens te beslissen, hoort de penitentiaire kamer de verdachte. De penitentiaire kamer kan de voorzitter van de multidisciplinaire commissie horen. De penitentiaire kamer doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan de verdachte. De gegevens blijven onder de multidisciplinaire commissie, totdat de penitentiaire kamer een onherroepelijke beslissing heeft genomen. Indien de penitentiaire kamer machtiging verleent voor het gebruik van de persoonsgegevens, verstrekt de voorzitter van de multidisciplinaire commissie onverwijld de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen, bedoeld in het vierde lid. Binnen negentig dagen na een onherroepelijke afwijzende beslissing van de penitentiaire kamer of een mededeling van de officier van justitie aan de commissie dat geen vordering wordt gedaan als bedoeld in het zesde lid, worden de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van betrokkene die de commissie onder zich heeft, vernietigd. Tegen de beschikking van de penitentiaire kamer staat voor het openbaar ministerie of de verdachte beroep in cassatie open. De artikelen 446 tot en met 448 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Onze Minister stelt een multidisciplinaire commissie in die tot taak heeft te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende de gezondheid. De multidisciplinaire commissie bestaat uit een tweetal artsen, onder wie een psychiater, een gedragsdeskundige en een tweetal juristen. De voorzitter van de commissie is een arts, die tevens psychiater is. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de werkwijze, de geheimhouding, en de besluitvorming van de multidisciplinaire commissie, alsmede over de gegevens in het advies.”
2.3.2
In artikel 1.1, aanhef en onder i., van het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (hierna: het Besluit) is gedefinieerd onder welke voorwaarden de verdachte kan worden aangemerkt als een weigerende observandus ten aanzien van wie de multidisciplinaire commissie haar in artikel 37a lid 6 Sr omschreven bevoegdheden kan uitoefenen. Artikel 1.1, aanhef en onder i., van het Besluit luidt:
“In dit besluit wordt verstaan onder:
(...)
de weigerende observandus: een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van de wet, ten aanzien van wie de rechter toepassing van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht overweegt en die:
a) op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering ter observatie opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd,
b) weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid van artikel 37a van de wet, en
c) niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.”
2.3.3
De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 37a leden 6 tot en met 9 Sr houdt onder meer het volgende in:
- de toelichting op de tweede nota van wijziging:
“De regeling is met grote waarborgen omkleed, onder meer door de toetsing van de commissie, de rechterlijke toets en het feit dat de gegevens zijn afgeschermd en onder de geheimhouding van de leden van de commissie vallen, totdat de rechter een machtiging geeft. Bij een onherroepelijke afwijzende beslissing van de rechter-commissaris worden de gegevens vernietigd.
(...)
De regeling wordt niet standaard toegepast, maar slechts ingezet als ultimum remedium. In alle gevallen wordt eerst getracht de medewerking van de verdachte te verkrijgen, dan wel op een alternatieve wijze voldoende zicht op de geestvermogens van de verdachte te krijgen om een rapportage op te kunnen stellen. De persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de verdachte worden enkel gevorderd in het geval een verdachte weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek en eveneens weigert om toestemming te verlenen voor de verstrekking van persoonsgegevens betreffende zijn gezondheid, terwijl evenmin sprake is van bruikbare rapporten of adviezen die in een eerdere strafzaak over hem zijn opgemaakt. Met andere woorden, het betreft uitsluitend die gevallen waarin de vordering van de gegevens noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf leed aan een geestesstoornis, omdat een andere - voor de verdachte minder ingrijpende - wijze om dit vast te stellen door zijn eigen toedoen ontbreekt. Aan het subsidiariteitvereiste is daarmee voldaan. Gezien het grote belang dat met de regeling wordt gediend en de waarborgen waarmee deze is omkleed, afgezet tegen de zeer beperkte kring van personen waarbinnen de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de verdachte gedeeld worden, voldoet de regeling tevens in algemene zin aan het proportionaliteitsvereiste. Door de rechterlijke toets is tevens geborgd dat een rapportage over de geestvermogens van de weigerende observant met gebruikmaking van gevorderde medische gegevens enkel tot stand zal komen wanneer dit ook in het individuele voorliggende geval proportioneel wordt geacht.”
(Kamerstukken II 2012/13, 32398, nr. 19, p. 17, 21.)
- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“Het op grond van de voorgestelde regeling inzake weigerende observandi vorderen en verwerken van persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de verdachte zonder zijn toestemming is aan te merken als een inmenging in diens recht op eerbiediging van zijn privéleven. Wij zijn evenwel van oordeel dat wij tot een zorgvuldige regeling zijn gekomen, die aan de daaraan te stellen eisen voldoet en dat deze inmenging in het privéleven mitsdien gerechtvaardigd is.
(...)
Voor wat betreft de subsidiariteit van de maatregel merken wij op dat de regeling niet automatisch wordt toegepast ten aanzien van alle verdachten die weigeren mee te werken aan de pro Justitia-rapportage. Het vorderen van eerdere persoonsgegevens betreffende de gezondheid betreft een ultimum remedium. In alle gevallen wordt eerst getracht de medewerking van de verdachte te verkrijgen en vervolgens wordt bezien of op een andere wijze voldoende zicht op de geestvermogens van de verdachte kan worden verkregen om een rapportage op te kunnen stellen. Dat kan een intensivering van de observatie betekenen, of het gebruik van rapporten of adviezen die in een eerdere strafzaak over betrokkene zijn opgemaakt. Uitsluitend wanneer dit allemaal geen soelaas biedt en betrokkene evenmin toestemming geeft voor de verstrekking van eerdere medische gegevens, kan de officier van justitie besluiten dat het noodzakelijk is dat op basis van de voorgestelde regeling gegevens worden gevorderd. Het betreft dus uitsluitend gevallen waarin een andere - voor de verdachte minder ingrijpende - wijze om een mogelijke stoornis vast te stellen door zijn eigen toedoen ontbreekt. Aan het subsidiariteitvereiste is dan ook voldaan.
Mede bezien in het licht van de positieve verplichting om maatregelen te treffen om ernstige geweldsmisdrijven te voorkomen en de beoordelingsmarge die aan de nationale wetgever toekomt, is aan het proportionaliteitsvereiste eveneens voldaan. Zoals in het kader van de noodzakelijkheid al uiteen is gezet, is het belang dat met de regeling wordt gediend groot. De regeling is voorts met afdoende waarborgen omkleed. Dit afgezet tegen het beperkt aantal misdrijven waarbij de regeling - als ultimum remedium - kan worden toegepast, het beperkte doel waarvoor de gegevens mogen worden gebruikt (enkel het vaststellen van de aanwezigheid van een geestesstoornis) en de zeer beperkte kring van personen waarbinnen de persoonsgegevens worden gedeeld, maakt dat de regeling in algemene zin voldoet aan het proportionaliteitsvereiste. Met betrekking tot de proportionaliteit in het individuele geval merken we op dat het vorderen van gegevens betreffende de gezondheid en het verwerken van deze gegevens in een rapportage op grond van deze regeling niet standaard wordt toegepast. De regeling bevat verschillende beslismomenten waarop wordt bezien of het vorderen en de verdere verwerking van de gegevens in het voorliggende geval is aangewezen. Wanneer een verdachte van een misdrijf waarvoor ongemaximeerde tbs met dwangverpleging zou kunnen worden opgelegd weigert om mee te werken aan enige rapportage, een rapportage niet anderszins kan worden opgesteld en de verdachte weigert om toestemming te geven voor het verstrekken van medische gegevens, kan de officier van justitie ertoe besluiten de multidisciplinaire commissie opdracht te geven die gegevens op basis van de voorgestelde regeling te vorderen. De multidisciplinaire commissie beoordeelt vervolgens of er relevante gegevens aanwezig en bruikbaar zijn en op basis van het advies van die commissie beslist de officier van justitie of hij de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zal verzoeken om een machtiging af te geven om de gegevens ter beschikking te stellen aan de rapporteurs. Of de gegevens ook daadwerkelijk beschikbaar worden gesteld, is aan het gerechtshof of eventueel na cassatieberoep aan de Hoge Raad. Bij die beslissing weegt het advies van de multidisciplinaire commissie zwaar mee. Bovendien wordt de verdachte door het gerechtshof gehoord en kan ook de voorzitter van de multidisciplinaire commissie gehoord worden. Totdat onherroepelijk op het verzoek is beslist, blijven de gegevens onder de commissie. Voorafgaand aan de feitelijke verstrekking van de gegevens aan de gedragsrapporteurs zijn in de regeling mitsdien voor verschillende instanties de nodige afwegingsmomenten opgenomen. Dat het gebruik van de gevorderde gegevens voor de rapportage ook in het individuele geval proportioneel is, is geborgd door de rechterlijke toets. De rechter weegt daarbij per individueel geval het belang van het gebruik van de eerdere gegevens door de rapporteurs af tegen het belang van de vertrouwelijkheid van medische gegevens, waarbij hij het advies van de multidisciplinaire commissie omtrent de aanwezigheid en bruikbaarheid van gegevens zwaar laat meewegen.
(...)
Nu wij een zeer zorgvuldige procedure met afdoende waarborgen voor de verdachte hebben ontwikkeld, achten wij het proportioneel om hiervoor het medisch beroepsgeheim te doorbreken.
(...)
De penitentiaire kamer beslist vervolgens op basis van het advies van de commissie en alle andere relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval op het verzoek van de officier van justitie.”
(Kamerstukken I 2012/13, 32398, F, p. 13-14, 17-20 en 24.)
2.4.1
Met de invoering van artikel 37a leden 6 tot en met 9 Sr, in samenhang met het Besluit, heeft de wetgever willen voorzien in een met waarborgen omgeven regeling, waarin in specifieke gevallen het medisch beroepsgeheim kan worden doorbroken met als doel de rechter inzicht te geven in de vraag of tijdens het begaan van het feit bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Lid 7 van die bepaling vereist onder meer dat de penitentiaire kamer van het hof machtiging verleent om, kort gezegd, de persoonsgegevens die de multidisciplinaire commissie heeft verkregen te gebruiken bij een op te stellen rapport of advies over de persoonlijkheid van de verdachte.
2.4.2
Voor het verlenen van de machtiging is op grond van artikel 37a lid 6 Sr in ieder geval vereist dat de verdachte wordt verdacht van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e Sr, en dat het hof vaststelt dat de verdachte weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a lid 4 Sr. Bij dit laatstgenoemde oordeel moet in ieder geval zijn voldaan aan de - door eisen van subsidiariteit ingegeven - voorwaarden in artikel 1.1, aanhef en onder i., van het Besluit om de verdachte te kunnen aanmerken als ‘weigerende observandus’.
2.4.3
Verder volgt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis dat de beoordeling door het hof mede ertoe strekt te waarborgen dat in het voorliggende geval de doorbreking van het medisch beroepsgeheim en de inbreuk op verdachtes - mede door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde - recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, beantwoordt aan de eisen van proportionaliteit. In het kader van deze individuele proportionaliteitstoets moet de rechter dus ook beoordelen of de doorbreking van het medisch beroepsgeheim wordt gerechtvaardigd door de omstandigheden van het concrete geval, waarbij onder meer aandacht kan zijn voor de aard en de ernst van het tenlastegelegde feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd, wat overigens bekend is over (de persoon van) de verdachte, en de inhoud van het rapport van de multidisciplinaire commissie. De omvang van de motiveringsplicht ter zake is mede afhankelijk van wat door het openbaar ministerie en de verdediging wordt aangevoerd.
2.5
In deze zaak heeft het hof met zijn hiervoor weergegeven overwegingen het onder 2.4.2 en 2.4.3 weergegeven toetsingskader niet miskend. De overwegingen van het hof die erop neerkomen dat na het verlenen van een machtiging de persoonsgegevens van de verdachte (indirect) openbaar kunnen worden tijdens de behandeling ter terechtzitting van de hoofdzaak, en dat op het moment van zijn beslissing niet vaststaat of zal zijn voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling, kon het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting betrekken bij zijn beoordeling of in dit geval aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Mede gelet op de overige omstandigheden van het tenlastegelegde feit en (de persoon van) de verdachte die het hof in aanmerking heeft genomen, is zijn beslissing ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheden dat het ging om een verdenking van poging tot moord en het hof beschikte over rapporten die aanwijzingen bevatten dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, brengen niet noodzakelijk mee dat de verstrekking van medische gegevens gerechtvaardigd zou zijn.
2.6
Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
2.7
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.8
Opmerking verdient nog het volgende. Voor de behandeling door het hof van de vordering als bedoeld in artikel 37a lid 7 Sr moet, zoals in de kern ook het hof heeft overwogen, worden aangesloten bij de artikelen 21 tot en met 25 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) over behandeling door de raadkamer, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in artikel 37a leden 6 tot en met 9 Sr. Dit brengt onder meer mee dat de behandeling van de vordering niet in het openbaar plaatsvindt en de beschikking van het hof niet in het openbaar wordt uitgesproken (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1410, rechtsoverweging 2.3, met betrekking tot artikel 24 lid 1 Sv in verbinding met artikel 22 lid 1 Sv).
2.9
Wat betreft de termijn voor het instellen van cassatieberoep door de verdachte tegen de beschikking van het hof merkt de Hoge Raad verder het volgende op. Hoewel noch in artikel 37a Sr noch in enige andere bepaling een voorschrift is opgenomen over die termijn, moet worden aangenomen dat de wetgever voor de verdachte niet van een andere termijn heeft willen uitgaan dan de termijn van veertien dagen die op grond van artikel 446 lid 2 Sv geldt voor het openbaar ministerie. De termijn van veertien dagen voor de verdachte vangt aan na de in artikel 37a lid 8 Sr bedoelde schriftelijke mededeling van de beschikking van het hof aan de verdachte.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2022.
Conclusie 14‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG over de regeling weigerende observandi, art. 37a lid 6 t/m 9 Sr. OM-cassatie. Hof heeft vordering tot verlening van een machtiging tot verstrekking van persoonsgegevens van de verdachte aan de rapporteurs t.b.v een TBS-rapport afgewezen. De AG gaat nader in op de regeling, het door de penitentiaire kamer aan te leggen toetsingskader en de (beperkte) toetsing in cassatie. De AG komt tot de conclusie dat de afwijzing van het hof niet onbegrijpelijk is gemotiveerd en adviseert tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00630 B
Zitting 14 juni 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
De penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 3 februari 2022 de vordering van de officier van justitie tot verlening van een machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens van de verdachte als bedoeld in art. 37a lid 7 Sr afgewezen.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens het openbaar ministerie door de advocaat-generaal bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de afwijzing van voornoemde vordering van de officier van justitie.
2. De procedure waar het in deze zaak om gaat
2.1.
De verdachte wordt ervan beschuldigd op 11 mei 2020 een ander in de rug te hebben gestoken. Dit is ten laste gelegd als onder meer poging tot moord. De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoeken door een psychiater, psycholoog en milieuonderzoeker. De rechtbank heeft de verdachte daarop naar het Pieter Baan Centrum (PBC) laten overbrengen om hem gedragskundig te laten onderzoeken. De deskundigen is daarbij opdracht gegeven om door observatie een zo volledig mogelijke Pro Justitia rapportage op te maken, waarin vragen van de rechtbank over de aan- of afwezigheid van een stoornis, de relatie daarvan met de ten laste gelegde strafbare feiten en de noodzaak voor het opleggen van een tbs-maatregel worden beantwoord. De verdachte heeft ook in het PBC alle medewerking aan onderzoek geweigerd en is dus een zogenoemde ‘weigerende observandus’. De deskundigen vonden het waarschijnlijk dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, maar kwamen tot de conclusie dat het door de beperkingen van het onderzoek niet mogelijk was een volledig diagnostisch onderzoek uit te voeren en de vraagstellingen volledig te beantwoorden. Een gedifferentieerde diagnose was daarom niet mogelijk. Om te kunnen bepalen of er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, was volgens de deskundigen aanvullende informatie nodig, die mogelijk voorhanden zou zijn bij een aantal instanties waarvan de verdachte – volgens enkele leden van het sociale netwerk van de verdachte – in het verleden begeleiding of behandeling zou hebben ontvangen.
2.2.
Sinds 28 november 2019 voorziet de wet in een regeling voor de weigerende observandus die het onder voorwaarden mogelijk maakt aan de rapporteurs in een strafzaak persoonsgegevens van de verdachte te verstrekken die afkomstig zijn van eerdere behandelaren van de verdachte. De officier van justitie heeft hiervan gebruik gemaakt en op grond van art. 37a lid 6 Sr de voorzitter van de Adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (hierna: adviescommissie) gelast een advies uit te brengen over de mogelijke aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit bij mogelijke eerdere behandelaren.
2.3.
De adviescommissie heeft vervolgens bij de betreffende instanties een afschrift opgevraagd van volledige behandeldossiers van de verdachte. De adviescommissie kwam tot het advies dat een aantal stukken bruikbaar was voor het opstellen van een rapportage door de deskundigen.
2.4.
De officier van justitie heeft daarop een vordering ex art. 37a lid 7 Sr ingediend bij de penitentiaire kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden tot verlening van een machtiging tot verstrekking van de betreffende persoonsgegevens van de verdachte aan de rapporteurs in de strafzaak van de verdachte.
2.5.
Het hof heeft deze vordering afgewezen. Tegen deze beslissing staat op grond van art. 37a lid 8 Sr (enkel) beroep in cassatie open.
2.6.
2.7.
Het middel dat door het openbaar ministerie wordt voorgesteld houdt in dat het hof het toetsingskader voor het verlenen van een machtiging ex art. 37a lid 7 Sr heeft miskend en ten onrechte de innerlijke waarde of billijkheid van de wet heeft beoordeeld. Daarnaast wordt gesteld dat het concrete oordeel in deze zaak – namelijk dat er in dit geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaat, om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en de met de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaarde gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand te rechtvaardigen – niet zonder meer begrijpelijk is.
3. De beschikking van de penitentiaire kamer
De bestreden beschikking van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Standpunt van verdachte
Verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het hof de machtiging tot gebruik van de gegevens moet afwijzen omdat niet duidelijk is of voldaan is aan de formele vereisten. Subsidiair dienen enkele nader aangeduide stukken te worden uitgesloten van gebruik omdat dit geen gegevens zijn als bedoeld in de wet. Daartoe heeft verdachte aangevoerd dat slechts gegevens kunnen worden opgevraagd met betrekking tot een behandeling. Daarbij dient dus sprake te zijn geweest van een patiëntrelatie met een medische professional. Dat was bij twee van de vier instanties die een dossier hebben verstrekt niet het geval. Van de andere twee instanties zijn de beschikbare gegevens te oud om bruikbaar te zijn. Verder is hem onvoldoende duidelijk wat de gegevens inhouden. Verdachte heeft desgevraagd aangegeven niet zelf over de gegevens te beschikken. Het verstrekken van de informatie maakt inbreuk op het recht van privacy van verdachte, dat wordt beschermd door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het delen van andere gegevens dan de medische gegevens is niet te rechtvaardigen. Ten slotte heeft de Adviescommissie niet binnen de wettelijke termijn advies uitgebracht.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot afgifte van een machtiging om de gegevens te gebruiken. Daarbij heeft zij uiteengezet dat de regeling tot doorbreking van het medisch beroepsgeheim die hier wordt toegepast, in overeenstemming is met artikel 8 EVRM. Verder blijkt uit het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (Bagwo) dat de Adviescommissie wel degelijk ook andere dan medische gegevens kan opvragen. De verstrekking van de gegevens is ten slotte gerechtvaardigd en proportioneel gelet op de ernst van de verdenking en omdat niet op een andere, minder ingrijpende wijze tot een advies gekomen kan worden over verdachtes geestvermogens.
Het oordeel van het hof
Toepasselijke procesregels
Het hof overweegt dat artikel 37a, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) slechts een beperkte regeling bevat van de procedure die moet leiden tot de beslissing van het hof over de vordering van de officier van justitie. Deze bepaling draagt het hof op de verdachte te horen en maakt het mogelijk de voorzitter van de Adviescommissie te horen. Verder dient het hof van zijn beslissing schriftelijk mededeling te doen aan de verdachte. In aanvulling hierop zijn naar het oordeel van het hof echter ook de wettelijke bepalingen over de behandeling door de raadkamer van toepassing op deze procedure, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in artikel 37a Sr. Het gaat hier immers om het nemen van een beslissing door een rechterlijk college waarvoor niet is voorgeschreven dat die op de terechtzitting wordt genomen of daar ambtshalve wordt genomen (artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). Het hof ziet in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 37a, achtste lid, Sr geen aanwijzingen dat de wetgever de toepasselijkheid van de raadkamerprocedure beoogde uit te sluiten. Daarbij dient te worden vermeld dat het oorspronkelijke ontwerp van deze regeling voorzag in een procedure bij de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbanken (Tweede Kamer 2012-2013, 32398, nr. 19). Eerst bij amendement is het oordeel over de vordering van de officier van justitie gelegd bij deze kamer van dit hof (Tweede Kamer 2012-2013, 32398, nr. 23). Evenmin dwingt de systematiek van artikel 37a Sr of de aard van de procedure tot het buiten toepassing laten van artikel 21, eerste lid, Sv. De voorschriften van de raadkamerprocedure bieden juist aanvullende waarborgen voor de verdachte en voor de kwaliteit van de beslissing.
De regeling ter doorbreking van het medische beroepsgeheim
Artikel 37a Sr voorziet, kort gezegd, in de mogelijkheid de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Een van de voorwaarden voor oplegging is dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit waarvoor de maatregel kan worden opgelegd een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond (artikel 37a, eerste lid onder 1°, Sr). Voor onder andere het oordeel over dit punt, laat de rechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, Sr). De eis geldt echter niet wanneer de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat voor dit advies moet worden verricht, de zogenoemde weigerende observandus (artikel 37a, vierde lid, Sr). Bij de Wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (Stb. 2018, 38) is artikel 37a Sr aangevuld met een procedure die het onder strikte voorwaarden mogelijk maakt aan de deskundigen die over verdachte rapporteren, gegevens over de verdachte te verstrekken die afkomstig zijn van artsen en gedragsdeskundigen. Deze wetswijziging is in werking getreden op 28 november 2019. Op die datum en daarna is artikel 37a Sr nog door enkele andere wetten gewijzigd. De relevante bepalingen van dit artikel luiden nu als volgt.
6. Indien betrokkene verdacht wordt van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht en hij weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid kan de officier van justitie de voorzitter van de multidisciplinaire commissie, bedoeld in het negende lid, gelasten dat die commissie aan hem een advies uitbrengt over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene, ten aanzien waarvan de verdachte niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking. De leden van de multidisciplinaire commissie zijn bevoegd persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, op te vragen van artsen en gedragsdeskundigen en daarvan kennis te nemen. Op een verzoek van de multidisciplinaire commissie is de arts of gedragsdeskundige verplicht de persoonsgegevens van betrokkene aan de multidisciplinaire commissie te verstrekken. De multidisciplinaire commissie brengt uiterlijk 30 dagen na de last, bedoeld in de eerste volzin, gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie over de aanwezigheid en bruikbaarheid van de, persoonsgegevens in relatie tot de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit. Van een last, bedoeld in de eerste volzin, doet de officier van justitie mededeling aan de verdachte, onder medezending van het advies van de multidisciplinaire commissie.
7. De persoonsgegevens van betrokkene die aan de multidisciplinaire commissie zijn verstrekt, kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een rapport of advies als bedoeld in het vijfde lid. Voor de toepassing van de eerste volzin behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de penitentiaire kamer. Bij deze vordering legt de officier van justitie het advies van de multidisciplinaire commissie over. Indien de officier van justitie, op basis van hei advies van de multidisciplinaire commissie, afziet van het doen van een vordering, doet hij hiervan mededeling aan de verdachte en de commissie. In dit artikel wordt onder penitentiaire kamer verstaan: de meervoudige kamer, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, in de samenstelling, bedoeld in het derde lid van dat artikel.
8. Alvorens te beslissen, hoort de penitentiaire kamer de verdachte. De penitentiaire kamer kan de voorzitter van de multidisciplinaire commissie horen. De penitentiaire kamer doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan de verdachte. De gegevens blijven onder de. multidisciplinaire commissie, totdat de penitentiaire kamer een onherroepelijke beslissing heeft genomen. Indien de penitentiaire kamer machtiging verleent voor het gebruik van de persoonsgegevens, verstrekt de voorzitter van de multidisciplinaire commissie onverwijld de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen, bedoeld in het vierde lid. Binnen negentig dagen na een onherroepelijke afwijzende beslissing van de penitentiaire kamer of een mededeling van de officier van justitie aan de commissie dat geen vordering wordt gedaan als bedoeld in het zesde lid, worden de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van betrokkene die de commissie onder zich heeft, vernietigd. Tegen de beschikking van de penitentiaire kamer staat voor het openbaar ministerie of de verdachte beroep in cassatie open. De artikelen 446 tot en met 448 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Onze Minister stelt een multidisciplinaire commissie in die tot taak heeft te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende de gezondheid. De multidisciplinaire commissie bestaat uit een tweetal artsen, onder wie een psychiater, een gedragsdeskundige en een tweetal juristen. De voorzitter van de commissie is een arts, die tevens psychiater is. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de werkwijze, de geheimhouding, en de besluitvorming van de multidisciplinaire commissie, alsmede over de gegevens in het advies.
De in de laatste zin bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (Stb. 2019, 435). Voor zover van belang, is daaraan het volgend ontleend.
Artikel 1.1
In dit besluit wordt verstaan onder: a. de behandelaar: de arts, gedragsdeskundige of rechtspersoon bij wie de voorzitter het dossier met betrekking tot de behandeling van een weigerende observandus opvraagt.
(...)
c. het dossier met betrekking tot de behandeling: het dossier als bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek.
(…)
i. de weigerende observandus: een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van de wet, ten aanzien van wie de rechter toepassing van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht overweegt en die:
a) op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering ter observatie opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd,
b) weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid van artikel 37a van de wet, en
c) niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.
Artikel 2.2
1. Na ontvangst van een last als bedoeld in artikel 37a, vijfde [het hof begrijpt: zesde lid], van de wet, brengt de commissie binnen dertig dagen gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie. 2. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de last is ontvangen.
Artikel 2.3
1. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de last vraagt de voorzitter schriftelijk een afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus op bij de in de last genoemde behandelaren. Indien een dossier met betrekking tot de behandeling namen bevat van overige behandelaren van de weigerende observandus, vraagt de voorzitter ook bij die behandelaren schriftelijk een afschrift op van het dossier met betrekking tot de behandeling van betrokkene. (...)
Artikel 2.9
1. Het advies van de commissie is gemotiveerd. De commissie benoemt in het advies de gegevens die zij bruikbaar acht, voor het opstellen van een rapportage over de mogelijke aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de weigerende observandus tijdens het begaan van het feit, dan wel de mogelijke afwezigheid daarvan. De motivering bevat in ieder geval een aanduiding over het al dan niet aanwezig zijn van bruikbare gegevens betreffende:
a. een diagnose of een classificatie van een stoornis, dan wel overige symptomen of factoren die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van een stoornis;
b. de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de verdachte en
c. het soort verleende zorg, het soort behandeling, de periodes van behandeling en het type behandelaar, alsmede over het al dan niet afronden van de behandeling en bijzonderheden met betrekking tot de behandeltrouw van de weigerende observandus. (...)
Geval waarin de regeling kan worden toegepast
Naar het oordeel van het hof is voldaan aan de voorwaarden van 37a, zesde lid, Sr waaronder de officier van justitie een last kan geven aan de voorzitter van de Adviescommissie. Het hof heeft in dit geval geen reden om voor de beoordeling van de vordering uit te gaan van een andere verdenking dan degene waarvoor de rechtbank ernstige bezwaren, heeft aangenomen, te weten poging tot moord. Dit is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e Sr. Op grond van de omstandigheden die hiervoor zijn weergegeven bij het verloop van de zaak, concludeert het hof dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan enig onderzoek als bedoeld in artikel 37a, vierde lid, Sr. Eveneens heeft hij geweigerd medewerking te verlenen aan de verstrekking door derden van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Verder is voldaan aan de in het verlengde hiervan in artikel 1.1, aanhef en onder i, sub a, Bagwo gestelde eis dat verdachte op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering, in dit geval artikel 317 Sv, ter observatie opgenomen is geweest in een inrichting tot klinische observatie bestemd.
Termijnoverschrijding
De Adviescommissie heeft de last van de officier van justitie ontvangen op 21 oktober 2021. Zij heeft haar advies uitgebracht op 23 november 2021. Verdachte heeft er terecht op gewezen dat de commissie daarmee de wettelijke adviestermijn van dertig dagen heeft overschreden (artikelen 37a, zesde lid, Sr en 2.2 Bagwo). De wet verbindt echter geen consequenties aan een dergelijke termijnoverschrijding. Dit wordt bevestigd in de Nota van Toelichting bij het Bagwo (blz. 29):
De in het eerste lid neergelegde adviestermijn van dertig dagen is reeds wettelijk bepaald. Dit is geen fatale termijn in die zin dat er geen rechtsgevolgen zijn verbonden aan het niet binnen die termijn afkomen van een advies.
De termijn van dertig dagen moet daarom worden gezien als een inspanningsverplichting voor de Adviescommissie. De enkele overschrijding van deze termijn kan daarom niet leiden tot afwijzing van de vordering.
Opgevraagde gegevens
Het hof verwerpt het verweer van verdachte dat de Adviescommissie van enkele instanties geen dossier had mogen opvragen en dat ook om enkele nader aangeduide stukken niet had mogen worden verzocht. Artikel 37a, zesde lid, Sr beperkt de bevoegdheid van de Adviescommissie om persoonsgegevens op te vragen niet tot persoonsgegevens betreffende de gezondheid. Het kan ook om andere persoonsgegevens gaan. Verder kunnen deze gegevens niet alleen bij artsen, maar ook bij gedragsdeskundigen worden opgevraagd. Volgens artikel 1.1, aanhef en onder a, van het Bagwo valt ook een rechtspersoon onder de definitie van een behandelaar waar een dossier kan worden opgevraagd. De Nota van Toelichting bij het Bagwo (blz. 26) stelt hierover:
Indien een behandelend arts of gedragsdeskundige niet bij naam bekend is, wordt het verzoek tot verstrekking van het dossier gericht tot de instelling waar de weigerende observandus is behandeld of de zorgaanbieder die de weigerende observandus heeft behandeld. Om die reden omvat de definitie van «de behandelaar» tevens de rechtspersoon bij wie het dossier wordt opgevraagd. In het geval dat het dossier bij een rechtspersoon wordt opgevraagd wijzigt uiteraard niet dat uiteindelijk een dossier van een arts of gedragsdeskundige wordt opgevraagd.
Desgevraagd heeft de voorzitter van de Adviescommissie in raadkamer nader toegelicht dat bij alle instanties, oftewel rechtspersonen, die een dossier aan de commissie hebben verstrekt, verdachte hetzij werd begeleid en/of behandeld door een team met een gedragsdeskundige als (regie)behandelaar, hetzij door een gedragsdeskundige is onderzocht.
Het hof heeft geen reden aan te nemen dat tussen verdachte en de gedragsdeskundige geen geneeskundige behandelovereenkomst was gesloten of dat geen dossier is opgemaakt als bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek. Anders dan verdachte heeft aangevoerd, maakt van dit dossier ook deel uit informatie die de behandelaar buiten de patiënt om te weten komt en informatie die anderen over de patiënt aan de behandelaar verstrekken (zie ook de in 2021 algemeen beschikbaar gestelde richtlijn 'Omgaan met medische gegevens’ van de Artsenfederatie KNMG, paragraaf 1.3).
Bruikbaarheid van de gegevens
Verdachte heeft betwist dat enkele van de gegevens die in het advies van de Adviescommissie worden genoemd, bruikbaar zijn voor het opstellen van een rapport over het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze gegevens zouden hetzij te oud zijn, hetzij slechts iets kunnen zeggen over een zorgaanvraag en niet over een eventuele stoornis. Verdachte heeft verder opgemerkt dat hij niet beschikt over de stukken die worden genoemd in het advies van de commissie. Het advies had volgens hem een nadere motivering dienen te bevatten van de conclusie dat documenten bruikbaar zijn, met een omschrijving van de inhoud van de documenten.
Het hof verwerpt dit betoog. De voorzitter van de Adviescommissie heeft desgevraagd toegelicht dat ook oudere gegevens van belang kunnen zijn voor de rapporteurs omdat dit inzicht geeft in de ontwikkeling die verdachte al dan niet heeft doorgemaakt. Ook de zorg die aan verdachte mogelijk is verleend, kan een aanwijzing zijn voor het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bagwo noemt dit expliciet als een gegeven dat in de motivering van het advies van de commissie kan worden genoemd. Verdachte heeft verder geen inhoudelijk verweer gevoerd dat het hof noodzaakte tot een nader onderzoek naar de bruikbaarheid van de gegevens. Het hof heeft verdachte gewezen op de mogelijkheid de door de commissie in het advies genoemde stukken zelf op te vragen bij de betreffende behandelaars. Verdachte heeft hieraan echter geen consequenties verbonden.
Proportionaliteit
Verdachte heeft aangevoerd dat de verstrekking van bepaalde gegeven niet proportioneel is. Daarbij heeft hij een beroep gedaan op artikel 8 EVRM Deze bepaling luidt als volgt:
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is . in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat artikel 8 EVRM ook bescherming biedt tegen de openbaarmaking van medische gegevens, waaronder gegevens over de geestelijke gezondheid. Die laatste zijn naar hun aard zeer gevoelige privégegevens, ongeacht of ze duiden op een bepaalde diagnose. De reden voor deze bescherming is niet alleen gelegen in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, maar ook in het waarborgen van het vertrouwen in medische professionals en de gezondheidszorg in het algemeen. Bij het ontbreken van deze bescherming zouden degenen die medische hulp nodig hebben ervan kunnen worden weerhouden noodzakelijke medische hulp in te roepen of de voor de behandeling noodzakelijke gegevens te verstrekken (o.a. EHRM 27 februari 2018, nr. 66490/09, ro. 93 & 94 (Mocküte tegen Litouwen)). Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad is tot uitdrukking gebracht dat de bescherming van de vertrouwelijkheid van medische gegevens deze belangen dient (o.a. Hoge Raad 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369).
Het hof stelt vast dat op grond van de regeling van artikel 37a Sr het medisch beroepsgeheim op verschillende momenten kan worden doorbroken doordat zonder toestemming van de verdachte gegevens uit zijn medisch dossier worden verstrekt aan derden die niet bij de behandeling betrokken zijn. Om te beginnen is er de verstrekking aan de Adviescommissie. Daarna worden gegevens genoemd in het advies van de commissie. Hoewel daarin de inhoud van de bruikbaar geachte stukken niet wordt weergegeven, blijkt daar wel uit dat verdachte bij bepaalde instanties in behandeling is geweest of zorg heeft ontvangen en dat bepaalde onderzoeken zijn gedaan. Ook deze gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim (zie ook de eerdergenoemde paragraaf in de KNMG-richtlijn). Het hof is in deze beschikking dan ook, waar mogelijk, terughoudend met het meer specifiek noemen van deze gegevens. In het geval het hof een machtiging verleent, worden deze gegevens vervolgens verstrekt aan de deskundigen die over verdachte dienen te rapporteren. Deze gegevens kunnen uitsluitend worden gebruikt voor een rapport of advies over de persoonlijkheid van de verdachte. Er moet echter ernstig rekening mee worden gehouden dat de gegevens in dit rapport of advies worden weergegeven ter onderbouwing van de conclusies van de deskundigen, deze gegevens vervolgens op een openbare zitting zullen worden besproken en daarna in een in het openbaar uitgesproken vonnis of arrest zullen worden weergegeven ter onderbouwing van het oordeel van de rechter. De wet bevat geen waarborgen om dit te voorkomen of beperken.
In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de wettelijke regeling ter doorbreking van het medisch beroepsgeheim, is de wetgever verschillende keren ingegaan op de overeenstemming van deze regeling met artikel 8 EVRM.
De Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer vermeldt daarover het volgende:
De leidende uitspraak van het EHRM inzake de vertrouwelijkheid van medische gegevens is de uitspraak van 25 februari 1997 in de zaak Z. tegen Finland (appl. no. 22009/93). In die uitspraak heeft het EHRM overwogen dat de bescherming van medische gegevens essentieel is voor een effectief genot van het recht op eerbiediging van het privéleven. De vertrouwelijkheid van medische gegevens is een fundamenteel beginsel dat wezenlijk is, niet alleen omwille van het gevoel van respect voor zijn privacy van de patiënt, maar ook om zijn of haar vertrouwen in de medische professie en in de gezondheidszorg in het algemeen te behouden. Aan de bescherming van de vertrouwelijkheid van medische gegevens komt dan ook een zwaar gewicht toe en een beperking hierop is slechts dan gerechtvaardigd wanneer deze wordt ingegeven door een dwingende eis in het algemeen belang («overriding requirement in the public interest»). Uit deze uitspraak volgt ook dat een zodanige «dwingende eis van algemeen belang» gelegen kan zijn in strafrechtelijke belangen. Het EHRM erkent uitdrukkelijk dat de belangen van de patiënt en van de maatschappij in het algemeen bij de vertrouwelijkheid van medische gegevens hoewel fundamenteel, onder omstandigheden toch ondergeschikt kunnen zijn aan strafrechtelijke belangen. Dit is het geval wanneer is aangetoond dat die strafrechtelijke belangen even zwaar of zwaarder wegen dan het belang van de vertrouwelijkheid van gegevens. Het op grond van de voorgestelde regeling inzake weigerende observandi vorderen en verwerken van persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de verdachte zonder zijn toestemming is aan te merken als een inmenging in diens recht op eerbiediging van zijn privéleven. Wij zijn evenwel van oordeel dat wij tot een zorgvuldige regeling zijn gekomen, die aan de daaraan te stellen eisen voldoet en dat deze inmenging in het privéleven mitsdien gerechtvaardigd is. De voorgestelde regeling berust allereerst op een formeel-wettelijke grondslag, die een duidelijk beeld geeft van de omstandigheden waaronder en van, aan en door wie de persoonsgegevens betreffende de gezondheid kunnen worden gevorderd, verstrekt dan wel verwerkt (…)
Mede naar aanleiding van opmerkingen uit het veld en de Tweede Kamer hebben wij in die regeling bovendien de nodige waarborgen opgenomen. In dit verband wijzen wij graag in het bijzonder op het volgende:
(...)
• over de reden van de weigering van de verdachte om mee te werken aan enig onderzoek wordt zo mogelijk gerapporteerd zodat deze reden kenbaar is en door de officier van justitie respectievelijk de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij de beoordeling kan worden betrokken;
• de kring van personen aan wie de persoonsgegevens betreffende de gezondheid worden verstrekt is zo beperkt mogelijk gehouden. Deze worden in eerste instantie uitsluitend verstrekt aan en verwerkt door een onafhankelijke multidisciplinaire commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de gedragsdeskundigen ten behoeve van het opstellen van een rapport of advies over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis;
(...)
• voor het ter beschikking stellen van de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen is een schriftelijke machtiging van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vereist. In de vordering tot verlening van een schriftelijke machtiging zet de officier van justitie zijn redenen voor de vordering uiteen. Wanneer de vordering volgt op een negatiefadvies van de commissie, dan rust op hem daarbij een zwaardere motiveringsplicht;
(...)
• voordat de penitentiaire kamer beslist op de vordering hoort hij de verdachte. Aldus is geborgd dat de rechter bij zijn beslissing naast het advies van de commissie en het standpunt van de officier van justitie tevens alle voor de verdachte relevante feiten en omstandigheden, waaronder de reden voor diens weigering om medewerking te verlenen aan enige rapportage en zijn visie op het gebruik van de bestaande medische gegevens, kan betrekken. Wanneer de penitentiaire kamer daartoe aanleiding ziet, kan deze ook de voorzitter van de commissie horen;
• tegen de beslissing van de penitentiaire kamer kan cassatie worden ingesteld. In de regeling zoals wij die hadden voorgesteld, werd de schriftelijke machtiging afgegeven door de rechter-commissaris, waarna eerst hoger beroep en vervolgens cassatie openstond. Als gevolg van het aangenomen amendement Van Toorenburg (nr. 23), dat werd ingegeven door het advies van de Raad voor de rechtspraak, is niet langer de rechter-commissaris, maar de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd tot het afgeven van de schriftelijke machtiging. Dit heeft tot gevolg dat het oorspronkelijk voorziene hoger beroep is komen te vervallen. Tegen dit verlies van een extra aan te wenden rechtsmiddel staat echter dat in de samenstelling van de penitentiaire kamer, waarvan een psychiater en een psycholoog deel uitmaken, een nieuwe extra waarborg is gelegen;
(...)
De regeling dient voorts meerdere in het tweede lid van artikel 8 EVRM opgesomde gelegitimeerde doelen. Dit betreft zowel de bescherming van toekomstige slachtoffers (de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen), als de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid (van de toekomstige slachtoffers) of de goede zeden.
(...)
Dat de noodzaak om het probleem van de weigerende observandi aan te pakken is aan te merken als een dwingende eis in het algemeen belang, staat voor ons buiten twijfel. Wij wijzen er op dat eerdere medische gegevens op grond van deze regeling niet ten aanzien van alle «tbs-waardige» delicten kunnen worden gevorderd, maar alleen ten aanzien van de zogeheten «geweldsmisdrijven» in de zin van artikel 38e Sr, waarvoor ongemaximeerde tbs met dwangverpleging kan worden opgelegd. Dit betreft ernstige misdrijven als moord en verkrachting, ten aanzien waarvan ook het EHRM heeft overwogen dat op de Staat een positieve verplichting rust om (preventieve) maatregelen te treffen teneinde dergelijke misdrijven zoveel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting betrekken wij bij de invulling van onze beoordelingsruimte. Dergelijke misdrijven, waarbij sprake is van een aantasting van of gevaar voor het lichaam van het slachtoffer, grijpen niet alleen zeer diep in de levens van de slachtoffers en eventuele nabestaanden maar raken ook de maatschappij als geheel, omdat zij het gevoel van maatschappelijke veiligheid aantasten. Wanneer iemand een stoornis heeft, is het zaak dat hij daarvoor de juiste behandeling ontvangt. Dat geldt in het algemeen, maar geldt ook in het bijzonder voor verdachten van zeer ernstige misdrijven. Bij die verdachten dient in het kader van de strafoplegging te worden vastgesteld of ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake was van een geestesstoornis. In dat geval kan er immers sprake zijn van een grote kans op recidive en is tbs mogelijk de meest adequate sanctie en juiste zorgplek. Voorkomen dient te worden dat geen tbs kan worden opgelegd enkel en alleen vanwege het gegeven dat een verdachte medewerking aan het pro Justitiaonderzoek weigert, terwijl er wel gegevens beschikbaar zijn die zouden kunnen bijdragen aan de vaststelling van de aanwezigheid van een mogelijke geestesstoornis (...)
De regeling is voorts met afdoende waarborgen omkleed. Dit afgezet tegen het beperkt aantal misdrijven waarbij de regeling - als ultimum remedium - kan worden toegepast, het beperkte doel waarvoor de gegevens mogen worden gebruikt (enkel het vaststellen van de aanwezigheid van een geestesstoornis) en de zeer beperkte kring van personen waarbinnen de persoonsgegevens worden gedeeld, maakt dat de regeling in algemene zin voldoet aan het proportionaliteitsvereiste (...) Of de gegevens ook daadwerkelijk beschikbaar worden gesteld, is aan het gerechtshof of eventueel na cassatieberoep aan de Hoge Raad. Bij die beslissing weegt het advies van de multidisciplinaire commissie zwaar mee. Bovendien wordt de verdachte door het gerechtshof gehoord en kan ook de voorzitter van de multidisciplinaire commissie gehoord worden (...) Dat het gebruik van de gevorderde gegevens voor de rapportage ook in het individuele geval proportioneel is, is geborgd door de rechterlijke toets. De rechter weegt daarbij per individueel geval het belang van het gebruik van de eerdere gegevens door de rapporteurs tegen het belang van de vertrouwelijkheid van medische gegevens, waarbij hij het advies van de multidisciplinaire commissie omtrent de aanwezigheid en bruikbaarheid van gegevens zwaar laat meewegen. (Eerste Kamer 2012-2013, 32398, F, blz. 13-18)
Uit artikel 8 EVRM en het stelsel van de wet, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis, volgt dat het hof dient te beoordelen of de doorbreking van het medisch beroepsgeheim ook in het individuele geval proportioneel is, dat wil zeggen wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Naar het oordeel van het hof dienen daartoe alle omstandigheden van het geval te worden betrokken, zoals de aard en de ernst van het feit waarvan de verdachte wordt verdacht (in ieder geval een zogenoemd geweldsmisdrijf), de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de voor de vordering tot verstrekking aangevoerde gronden, de reden voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek, het advies van de commissie, de aard en beschreven inhoud van de in het advies genoemde gegevens alsmede de visie van de verdachte hierop, aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een stoornis die nader onderzoek vergt en aanwijzingen voor het gevaar dat de verdachte een strafbaar feit zal begaan.
Bij die beoordeling dient te worden betrokken dat, zoals hiervoor uiteengezet en anders dan in de parlementaire geschiedenis is betoogd, de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden. Zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt zijn de gegevens immers kenbaar. Dit is een verschil met het aangehaalde arrest van het EHRM van 25 februari 1997 (Z. tegen Finland) waarin belang werd gehecht aan waarborgen om de medische gegevens geheim te houden (ro. 103 en 107). Verder is in deze zaak de noodzaak voor de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gevonden in het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en de vervolging van de daders (ro. 97). Doorbreking van het beroepsgeheim op grond van artikel 37a Sr vindt zijn reden in het minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, terwijl nog niet is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor oplegging is voldaan. Dat wordt juist onderzocht. Dit dient te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.
Bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, komt daarom ook betekenis toe aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Het hof wijst er in dit verband op dat artikel 1.1, onder i, aanhef, Bagwo onder een weigerende observandus de verdachte verstaat ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt.
In de voorliggende zaak heeft het hof in de reden voor de weigering van medewerking aan het onderzoek en in de aard en beschreven inhoud van de bruikbaar geachte documenten, geen bijzondere redenen gevonden voor toewijzing of afwijzing van de vordering. Enerzijds stelt het hof vast dat het PBC-rapport aanwijzingen bevat dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verder heeft de verdenking betrekking op een ernstig geweldsmisdrijf, namelijk poging moord. Anderzijds overweegt het hof, zonder af te willen doen aan de gevolgen die het feit heeft gehad voor het slachtoffer, dat geen sprake is van een voltooid levensdelict. Verder is het delict niet gepleegd onder bijzondere omstandigheden. Het PBC-rapport bevat geen overwegingen over het recidivegevaar dat uitgaat van verdachte. Het hof stelt vast dat het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte geen eerdere zware geweldsmisdrijven vermeldt. Uit dit uittreksel volgt ook dat verdachte, vergeleken met de populatie van personen met een terbeschikkingstelling, relatief oud was toen hij voor het eerst in aanraking kwam met justitie.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en evenmin anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is.
Verstrekking van het advies van de commissie
Mocht deze beschikking onherroepelijk worden, dan zullen de door de Adviescommissie verzamelde gegevens overeenkomstig artikel 37a, achtste lid, Sr worden vernietigd. De wet bevat echter geen regeling voor de vernietiging of geheimhouding van het advies van de commissie. Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen over de inbreuk op het medisch beroepsgeheim die al in het advies zelf is gelegen, acht het hof het in strijd met artikel 8 EVRM als bij een afwijzing van de vordering tot verstrekking van persoonsgegevens, het advies van de commissie alsnog in het strafdossier zou worden gevoegd.
BESLISSING
Het hof:
— wijst af de vordering tot verlening van een machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens van [verdachte] .”
4. Het middel
4.1.
Het middel valt als gezegd uiteen in twee deelklachten.
De eerste klacht is dat het hof door de regeling in haar algemeenheid te toetsen op de proportionaliteit, buiten de kaders van de beoordeling van de proportionaliteit in het onderhavige geval is gegaan. Betoogd wordt dat het hof daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en in strijd met art. 11 Wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van de wet heeft beoordeeld.
De tweede klacht is dat het oordeel van het hof dat in dit geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en de met de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaarde gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is, niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de omstandigheden die het hof daarbij heeft betrokken.
4.2.
De regeling van het vergaren van vertrouwelijke (medische) informatie over de weigerende observandus zoals neergelegd in art. 37a leden 6 e.v. Sr is betrekkelijk nieuw. Nu de onderhavige zaak de eerste is die in cassatie voorligt, zal ik, voordat ik de klachten bespreek na het citeren van de wetsbepaling achtereenvolgens ingaan op de parlementaire behandeling, de procedure en het toetsingskader dat de penitentiaire kamer dient te hanteren bij het al dan niet verlenen van een machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens ten behoeve van de Pro Justitia rapportage. Tot slot zal ik aandacht besteden aan de vraag in hoeverre de beschikking van de penitentiaire kamer in cassatie kan worden getoetst.
4.3.
De wettelijke regeling1.
Art. 37a Sr luidt als volgt2.:
“1. Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechter gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat:
1°. bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; en
2°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet.
2. Bij toepassing van het vorige lid kan de rechter afzien van het opleggen van straf, ook indien hij oordeelt dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend.
3. Ten behoeve van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over dit advies.
4. Het derde lid blijft buiten toepassing, indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk rapporteren de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel een ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen.
5. Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid neemt de rechter in aanmerking de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf.
6. Indien betrokkene verdacht wordt van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht en hij weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid kan de officier van justitie de voorzitter van de multidisciplinaire commissie, bedoeld in het negende lid, gelasten dat die commissie aan hem een advies uitbrengt over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene, ten aanzien waarvan de verdachte niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking. De leden van de multidisciplinaire commissie zijn bevoegd persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, op te vragen van artsen en gedragsdeskundigen en daarvan kennis te nemen. Op een verzoek van de multidisciplinaire commissie is de arts of gedragsdeskundige verplicht de persoonsgegevens van betrokkene aan de multidisciplinaire commissie te verstrekken. De multidisciplinaire commissie brengt uiterlijk 30 dagen na de last, bedoeld in de eerste volzin, gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie over de aanwezigheid en bruikbaarheid van de persoonsgegevens in relatie tot de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit. Van een last, bedoeld in de eerste volzin, doet de officier van justitie mededeling aan de verdachte, onder medezending van het advies van de multidisciplinaire commissie.
7. De persoonsgegevens van betrokkene die aan de multidisciplinaire commissie zijn verstrekt, kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een rapport of advies als bedoeld in het vijfde lid. Voor de toepassing van de eerste volzin behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de penitentiaire kamer. Bij deze vordering legt de officier van justitie het advies van de multidisciplinaire commissie over. Indien de officier van justitie, op basis van het advies van de multidisciplinaire commissie, afziet van het doen van een vordering, doet hij hiervan mededeling aan de verdachte en de commissie. In dit artikel wordt onder penitentiaire kamer verstaan: de meervoudige kamer, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, in de samenstelling, bedoeld in het derde lid van dat artikel.
8. Alvorens te beslissen, hoort de penitentiaire kamer de verdachte. De penitentiaire kamer kan de voorzitter van de multidisciplinaire commissie horen. De penitentiaire kamer doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan de verdachte. De gegevens blijven onder de multidisciplinaire commissie, totdat de penitentiaire kamer een onherroepelijke beslissing heeft genomen. Indien de penitentiaire kamer machtiging verleent voor het gebruik van de persoonsgegevens, verstrekt de voorzitter van de multidisciplinaire commissie onverwijld de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen, bedoeld in het vierde lid. Binnen negentig dagen na een onherroepelijke afwijzende beslissing van de penitentiaire kamer of een mededeling van de officier van justitie aan de commissie dat geen vordering wordt gedaan als bedoeld in het zesde lid, worden de persoonsgegevens betreffende de gezondheid van betrokkene die de commissie onder zich heeft, vernietigd. Tegen de beschikking van de penitentiaire kamer staat voor het openbaar ministerie of de verdachte beroep in cassatie open. De artikelen 446 tot en met 448 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Onze Minister stelt een multidisciplinaire commissie in die tot taak heeft te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende de gezondheid. De multidisciplinaire commissie bestaat uit een tweetal artsen, onder wie een psychiater, een gedragsdeskundige en een tweetal juristen. De voorzitter van de commissie is een arts, die tevens psychiater is. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de werkwijze, de geheimhouding, en de besluitvorming van de multidisciplinaire commissie, alsmede over de gegevens in het advies.”
4.4.
Parlementaire totstandkoming van de regeling weigerende observandi
4.4.1.
Het wetgevingsproces van de regeling weigerende observandi ex art. 37a leden 6 t/m 9 Sr kent een wat onstuimig verloop. Directe aanleiding voor deze regeling lijkt een burgerinitiatief te zijn dat met een voorstel is gekomen dat een persoon die een ernstig misdrijf begaat wettelijk wordt verplicht om mee te werken aan een gedragskundig onderzoek en dat voor bepaalde delicten zonder gedragskundig onderzoek de maatregel van tbs moet kunnen worden opgelegd. De aanleiding voor het initiatief was de indruk dat aan verdachten die weigerden mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoeken geen tbs werd opgelegd. De toenmalig staatssecretaris van Justitie meende weliswaar dat een dergelijke meewerkverplichting indruist tegen het nemo-teneturbeginsel, maar was met de indieners van oordeel dat weigeren niet mocht lonen. Mede gezien de destijds teruglopende tbs-opleggingen en in aantal toenemende weigerende observandi, stond de staatssecretaris open voor een aanpassing van de tbs-regeling. Hij kondigde op 17 februari 2011 aan te zullen voorzien in een wettelijke regeling die het mogelijk moest maken dat rapporteurs, zonder toestemming van de verdachte, de beschikking zouden krijgen over documenten van instanties waar de verdachte eerder in behandeling was geweest, zodat zij – en uiteindelijk de rechter – een completer beeld konden verkrijgen van de van de geestesgesteldheid van de verdachte.3.Bij nota van wijziging bij het toen reeds ingediende Wetsvoorstel forensische zorg (Wfz) is voorgesteld art. 37a Sr aan te vullen met de bepaling dat, indien de verdachte medewerking aan rapportage door een gedragskundige over zijn geestesgesteldheid weigert, de rechter op vordering van het openbaar ministerie kan gelasten dat gegevens van vroegere behandelingen ter beschikking van de forensische rapporteurs worden gesteld. Deze doorbreking van het medisch beroepsgeheim werd gerechtvaardigd geacht gelet op de belangen die zijn gemoeid met een dergelijk onderzoek, te weten de veiligheid van de samenleving.4.
4.4.2.
Het wetsvoorstel werd kritisch door de Tweede Kamer ontvangen.5.Met name de hiermee gepaard gaande schending van het recht op privacy en het medisch beroepsgeheim werd niet lichtvaardig opgenomen. Ook de noodzaak van de regeling werd ter discussie gesteld, gelet op het beperkte aantal weigerende observandi dat geen tbs kreeg opgelegd (toen jaarlijks ongeveer 35) en de heersende misvatting dat de rechter bij deze groep geen tbs zou kunnen opleggen zonder een dergelijke voorziening. Vervolgens is een tweede nota van wijziging ingediend, waarin de regeling werd opgetuigd met een multidisciplinaire adviescommissie en rechtsmiddelen. Op advies van de Raad van State6.is ook aandacht besteed aan de gesignaleerde spanning van de regeling met art. 8 EVRM, in het bijzonder waar het de proportionaliteit en subsidiariteit van de regeling betrof.7.De voorgestelde regeling is op de valreep8.nog door verschillende instanties, waaronder de RSJ en de GGZ, bekritiseerd. Daarbij zijn met name vraagtekens geplaatst bij de verenigbaarheid van het voorstel met art. 8 EVRM vanwege de schending van de privacy-rechten en het medisch beroepsgeheim. Ook werd kritiek geuit op de (nog) niet-aangetoonde effectiviteit van de voorgestelde regeling. Voorts werd gevreesd dat kwetsbare personen als gevolg van deze regeling zorg zou gaan mijden, wat juist weer een gevaar op zichzelf zou betekenen.9.Het wetsvoorstel werd desalniettemin – met op het nippertje nog een amendement waarbij als toetsende rechterlijke instantie de rechter-commissaris werd vervangen door de penitentiaire kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden10.– door de Tweede Kamer aangenomen.11.Het wetsvoorstel stuitte ook in de Eerste Kamer op (forse) kritiek12., die de toenmalige staatssecretaris telkens uitgebreid heeft voorzien van repliek.13.
4.4.3.
De behandeling van het wetsvoorstel heeft vervolgens langere tijd stilgelegen, omdat de Eerste Kamer van oordeel was dat de Wet forensische zorg gezamenlijk diende te worden behandeld met de wetsvoorstellen voor de Wet zorg en dwang en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.14.Na een wederom uitvoerige discussie over de voorgestelde regeling tussen de fracties en de toenmalig minister voor rechtsbescherming in de Eerste Kamer15., is het wetsvoorstel op 23 januari 2018 aangenomen.16.Hierna is ook het ontwerp-Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi (hierna: het Besluit) ingediend17.en nader toelicht.18.De wet en het Besluit zijn in werking getreden op 28 november 2019.19.Een eindevaluatie is voorzien in 2023.20.
4.5.
De procedure
4.5.1.
Hierna zal ik kort stilstaan bij de procedure, zoals die volgt uit art. 37a lid 6 t/m 9 Sr en het Besluit.
4.5.2.
Het hof heeft erop gewezen dat de wettelijke regeling weigerende observandi weinig procedurele voorschriften bevat en de algemene bepalingen van de raadkamerprocedure van toepassing geacht. Dat lijkt mij terecht, zie hierna onder 4.5.7.
4.5.3.
Aan een verdachte kan onder de in art. 37a lid 1 t/m 3 Sr genoemde voorwaarden tbs met dwangverpleging worden opgelegd. Deze voorwaarden houden kort gezegd in dat (i) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die oplegging eist, (ii) bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en (iii) het een misdrijf betreft waarop een gevangenisstraf van vier jaar of hoger is gesteld dan wel die is genoemd in lid 1 sub 2. De rechter zal zich daarbij moeten baseren op een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan een gedragskundig onderzoek ten behoeve van een Pro Justitia rapportage, geldt deze laatste eis niet. Voor zover mogelijk rapporteren de gedragsdeskundigen dan over de reden van de weigering en de rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een tbs maatregel kan voorlichten. Tot zover de ‘reguliere tbs regeling’.
4.5.4.
De regeling weigerende observandi bevat een uitzondering op de reguliere procedure en houdt op hoofdlijnen het volgende in.21.De officier van justitie kan onder hierna te noemen voorwaarden een daartoe ingestelde adviescommissie22.gelasten aan hem een advies uit te brengen over de aanwezigheid en bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit. Het gaat dan om persoonsgegevens die de verdachte weigert te (laten) verstrekken. De adviescommissie vraagt deze persoonsgegevens vervolgens op bij vermoedelijke (oud-)behandelaren van de verdachte, neemt daarvan kennis en brengt – uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de gegeven last23.– een gemotiveerd advies uit waarin zij de gegevens benoemt die zij al dan niet bruikbaar acht voor het opstellen van een rapportage over de mogelijke aan- of afwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de weigerende observandus tijdens het begaan van het feit.24.Het advies bevat niet de medische gegevens zelf, maar een abstracte beschrijving daarvan, bijvoorbeeld of er informatie beschikbaar is in de vorm van een diagnose of classificatie van een stoornis.25.
4.5.5.
De officier van justitie kan deze procedure in gang zetten als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
(i) de verdachte wordt verdacht van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam ex art. 38e Sr (‘geweldsmisdrijf’, zie art. 37a lid 6 Sr);
(ii) de rechter overweegt ten aanzien van de verdachte oplegging van tbs (zie Besluit art. 1.1 onder i);
(iii) de verdachte is ter klinische observatie opgenomen geweest (zie Besluit art. 1.1 onder i);
(iv) de verdachte weigert medewerking te verlenen aan enig gedragskundig onderzoek.
De officier van justitie doet van de door hem gegeven last mededeling aan de verdachte, onder medezending van het uitgebrachte advies van de adviescommissie (art. 37a lid 6 Sr). De persoonsgegevens van de verdachte die aan de commissie zijn verstrekt, kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een Pro Justitia rapportage in de betreffende strafzaak. De officier van justitie heeft voor het verstrekken van deze gegevens een schriftelijke machtiging van de penitentiaire kamer van hof Arnhem-Leeuwarden nodig. De officier van justitie legt bij de vordering tot verlening van een machtiging het advies van de adviescommissie over. Als de officier van justitie afziet van het doen van een vordering, doet hij hiervan mededeling aan de verdachte en de adviescommissie.
4.5.6.
De penitentiaire kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden is samengesteld uit drie raadsheren en twee niet-rechterlijke gedragsdeskundigen.26.Deze kamer hoort de verdachte en kan de voorzitter van de adviescommissie horen. De penitentiaire kamer doet schriftelijk mededeling van zijn beslissing aan de verdachte.
4.5.7.
Ik meen dat het oordeel van het hof dat de algemene wettelijke bepalingen over de behandeling door de raadkamer van toepassing zijn op deze procedure, juist is, althans het meest voor de hand ligt, ook al valt dat uit art. 37a lid 8 Sr en het Besluit niet met zoveel woorden op te maken.27.Uit art. 21 lid 1 Sv volgt immers dat in alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, de behandeling door de raadkamer geschiedt. Daarbij komt dat art. 37a lid 8 Sr rept over een ‘beschikking’ van de penitentiaire kamer en beschikkingen worden gewezen door een raadkamer. Dat betekent tevens dat de behandeling van de raadkamer, omdat niet anders wettelijk is voorgeschreven, niet in het openbaar plaatsvindt (art. 22 lid 2 Sv). Ook in de wetsgeschiedenis zijn aanknopingspunten te vinden dat de wetgever een besloten raadkamerprocedure voor ogen had.28.Dat de raadkamerprocedure van toepassing is, betekent dat eveneens de algemene voorschriften als voorzien in art. 23 t/m 25 Sv moeten worden nageleefd. Dit houdt onder meer in dat als uitgangspunt geldt dat de uitspraak van de beschikking niet in het openbaar plaatsvindt29., dat de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers hoort, dat de beschikking onverwijld wordt toegezonden aan de deelnemers30.en dat de beschikking, het proces-verbaal van de raadkamer en ‘de verdere tijdens het onderzoek in de raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de processtukken worden gevoegd’ (art. 25 lid 4 Sv). Ik vraag mij wel af hoe dit laatste voorschrift zich verhoudt tot de overweging van het hof dat het hof het in strijd met art. 8 EVRM acht dat bij een afwijzende beslissing het advies van de Adviescommissie in het dossier wordt gevoegd, maar dat merk ik voor dit moment slechts terzijde op en laat ik hier verder rusten.
4.5.8.
De door de commissie verkregen persoonsgegevens blijven berusten onder de commissie totdat de penitentiaire kamer een onherroepelijke beslissing heeft genomen. Indien de penitentiaire kamer machtiging verleent voor het gebruik van de gegevens, verstrekt de voorzitter van de commissie onverwijld de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen die over de verdachte moeten rapporteren. Terstond hierna stelt de voorzitter de behandelaar die deze gegevens heeft verstrekt daarvan op de hoogte (art. 2.10 Besluit). Binnen negentig dagen na verstrekking, een onherroepelijke afwijzende beslissing van de penitentiaire kamer of een mededeling van de officier van justitie aan de commissie dat geen vordering wordt ingediend, worden de persoonsgegevens vernietigd (art. 2.11 Besluit).
4.5.9.
Tegen de beschikking van de penitentiaire kamer kan binnen veertien dagen (enkel31.) beroep in cassatie worden ingesteld. Hoewel wettelijk geen speciale termijnen zijn verbonden aan deze cassatieprocedure, ligt het gezien de aard van de procedure voor de hand zulke zaken met de nodige spoed te behandelen. Kennelijk is daar overleg over geweest. Ik leid dit af uit de toelichting van de toenmalig minister voor Rechtsbescherming op het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi, waarin hij vermeldt:
“Conform de adviezen van de NOvA en de NVvR ben ik in overleg getreden met de Hoge Raad om cassatieberoepen tegen de machtiging tot verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs versneld te behandelen. De Hoge Raad heeft aangegeven het belang van een versnelde afdoening te onderkennen en zich in te zullen spannen om zo snel mogelijk op deze beroepen te beslissen.”32.
4.6.
Aan te leggen toetsingsmaatstaf door de penitentiaire kamer
4.6.1.
Noch uit de wet noch uit het Besluit kan worden opgemaakt welke toets de penitentiaire kamer dient aan te leggen bij de beslissing al dan niet een machtiging te verlenen. Vanzelfsprekend is dat de penitentiaire kamer nagaat of aan de formele voorwaarden zoals hiervoor onder 4.5.5. weergegeven is voldaan (geweldsmisdrijf, rechter overweegt tbs en weigerende observandus is klinisch geobserveerd).
4.6.2.
Uit de parlementaire behandeling, die deels ook door de penitentiaire kamer in de beschikking wordt aangehaald, kan echter worden afgeleid dat de wetgever een concrete individuele proportionaliteitstoets voor ogen stond, waarbij de rechter ‘alle belangen’ tegen elkaar afweegt.33.In ieder geval dient daarbij het belang van het gebruik van de persoonsgegevens door de rapporteurs te worden afgewogen tegen het belang van de vertrouwelijkheid van die gegevens.34.Ook kan de rechter bij zijn beslissing het advies van de commissie, het standpunt van het OM en ‘alle voor de verdachte relevante feiten en omstandigheden, waaronder de reden voor diens weigering om medewerking te verlenen aan enige rapportage en zijn visie op het gebruik van de bestaande medische gegevens’ betrekken.35.Slechts als de doorbreking van het beroepsgeheim in het concrete geval opweegt tegen de ernst van het ten laste gelegde feit, zal de rechter de vordering kunnen toewijzen. Voor de hand ligt dat de penitentiaire kamer alle informatie die zij tot haar beschikking heeft over de gesteldheid van de verdachte en het toekomstige gevaar dat mogelijk van hem uitgaat bij haar beslissing kan betrekken.
4.6.3.
Verder kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de regeling weigerende observandi als ultimum remedium is bedoeld om in geval van zeer ernstige misdrijven ten behoeve van het opstellen van een aanvullende rapportage over een mogelijke geestesstoornis bij de verdachte, zonder diens toestemming bestaande medische gegevens over de verdachte op te vragen bij zijn behandelaren.36.Dat uitgangspunt wordt ook genoemd in de toelichting op het Besluit:
“Bij de uitwerking van de regeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1. de regeling wordt alleen ingezet als ultimum remedium. De regeling wordt niet standaard ingezet, maar alleen in die gevallen waarin alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen niet afdoende zijn om tot een zorgvuldig oordeel te komen omtrent de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis. Alternatieve maatregelen zijn bijvoorbeeld het verlengen van de observatietermijn of het plaatsen van de weigerende observandus op de zogeheten weigerafdeling van het Pieter Baan Centrum (PBC). Niet bij alle weigerende observandi zal het echter de inschatting zijn dat het inzetten van een bepaalde alternatieve maatregel tot een grotere onderzoeksopbrengst zal leiden. Welke alternatieve maatregelen eerst ingezet moeten worden voordat gesproken kan worden van een ultimum remedium, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit vergt in eerste instantie een beoordeling van de rapporteurs die de pJ-rapportage opstellen en van de OvJ die een last tot advisering aan de commissie afgeeft en staat, als onderdeel van de proportionaliteitstoets, uiteindelijk ter beoordeling van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden;
2. geborgd moet zijn dat de rapporteurs alle gegevens ontvangen die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis;
3. de inbreuk op het medisch beroepsgeheim mag niet verder gaan dan voor dat doel strikt noodzakelijk is, (…)”37.
4.6.4.
In de toelichting op het Besluit wordt ook aandacht besteed aan de verenigbaarheid met art. 8 EVRM waarover tijdens de totstandkoming van de Wfz uitvoerig is gedebatteerd. Met name daarom bevat de regeling weigerende observandi de nodige waarborgen, waaronder het vereiste van een rechterlijke machtiging voor de verstrekking van de persoonsgegevens en het daartegen in te stellen cassatieberoep dat schorsende werking heeft. In de toelichting op het Besluit staat in dat verband nog het volgende:
“- gezien het grote belang dat met de regeling wordt gediend en de waarborgen waarmee deze is omgeven, afgezet tegen de zeer beperkte kring van personen waarmee de gegevens worden gedeeld, voldoet de regeling tevens in algemene zin aan het proportionaliteitsvereiste;
- door de rechterlijke toets is tot slot geborgd dat een rapportage over de psychische toestand van een weigerende verdachte met gebruikmaking van gevorderde medische gegevens alleen tot stand komt wanneer dit ook in het individuele geval proportioneel wordt geacht.”38.
4.6.5.
Op grond van het voorgaande kan in onderhavig cassatieberoep tot uitgangspunt worden genomen dat de penitentiaire kamer een grote vrijheid heeft al hetgeen zij van belang acht voor de individuele proportionaliteitstoets bij haar oordeel te betrekken en dat in het kader van deze proportionaliteitstoets het uitgangspunt geldt dat de regeling slechts als ultimum remedium mag worden ingezet.
4.7.
Toets in cassatie
4.7.1.
Duidelijk is dat de wetgever er alles aan gedaan heeft de inbreuk op het medisch beroepsgeheim die met de regeling voor weigerende observandi gepaard gaat van de nodige waarborgen te voorzien zoals hiervoor beschreven. Nu de beoordeling van een vordering tot verlening van een machtiging als bedoeld in art. 37a lid 7 Sr door de penitentiaire kamer vrijwel uitsluitend van feitelijke aard is, rijst de vraag welke betekenis het rechtsmiddel cassatie in dit verband heeft. Hofstee merkt hierover in zijn commentaar in T&C Strafrecht op: “Wat de wetgever hier van ook nog eens een beroep in cassatie bij de Hoge Raad (als cassatierechter) precies verwacht, is mij geheel onduidelijk.”39.
4.7.2.
Naar mijn mening zal een toets in cassatie slechts een zeer marginale kunnen zijn, die alleen betrekking kan hebben op de formaliteiten die verbonden zijn aan de procedure zoals hiervoor onder 4.5.5. geschetst en op de vraag òf de penitentiaire kamer een individuele proportionaliteitstoets heeft toegepast en de hiermee gepaard gaande belangenafweging toereikend en niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Voor een verdergaande inhoudelijke toetsing van het oordeel van de penitentiaire kamer is naar mijn mening in cassatie geen plaats. Dat is bij de beoordeling van de klachten ook het uitgangspunt dat ik zal hanteren, maar het is uiteraard aan de Hoge Raad zelf om hierin de piketpalen te slaan.
4.8.
Beoordeling van de klachten
4.8.1.
Dan kom ik nu toe aan de bespreking van de klachten.
4.8.2.
De eerste klacht, dat het hof de lat voor het verlenen van een machtiging veel te hoog heeft gelegd en daarmee het toetsingskader te buiten is gegaan door de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen, is in de cassatieschriftuur uitvoerig toegelicht en vervolgens als volgt samengevat:
“Uit hetgeen hiervoor onder 3.1 t/m 3.3 is betoogd, en ook overigens uit de gehele wetsgeschiedenis, volgt dat de wetgever van oordeel was dat de wettelijke regeling zoals die thans bestaat, in overeenstemming is met art. 8 EVRM. Met zijn overwegingen i) dat ten aanzien van de mogelijkheid dat de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden, zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt, ii) dat doorbreking van het beroepsgeheim op grond van art. 37a Sr haar reden vindt in het, naar het oordeel van het hof, minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en iii) dat - zo begrijpt rekwirant 's hofs onder 3.3 vermelde overweging - er weinig ruimte is om tot het oordeel te komen dat er een noodzaak bestaat voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim indien de rechter al oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overweegt, is het hof naar de mening van rekwirant getreden buiten de kaders van de beoordeling van de proportionaliteit in het onderhavige geval en heeft het daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee heeft het hof tevens de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordeeld, hetgeen in strijd is met art. 11 Wet algemene bepalingen. Daar doet niet aan af dat het hof heeft overwogen dat deze overwegingen dienen te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.”
4.8.1.
De toelichting op het middel lijkt ook de inhoudelijke toetsing van het hof te bestrijden. De schriftuur houdt in zoverre nog het volgende in:
“Het hof heeft, onder meer met verwijzing naar het arrest Z. tegen Finland, bij zijn beoordeling teveel waarde toegekend aan de omstandigheid dat de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar zouden kunnen worden, nu, zoals hiervoor is betoogd onder 3.1, de wettelijke regeling er juist op is gericht om op dit punt de inbreuk op art. 8 EVRM zo beperkt mogelijk te houden. Het hof heeft tevens ontoereikend gemotiveerd waarom dit mogelijke gevaar voor een inbreuk op de privacy van verdachte niet in overeenstemming zou zijn met art. 8 EVRM. Daarnaast heeft het hof geen, althans onvoldoende aandacht besteed aan de uit art. 2, maar ook art. 8 EVRM voortvloeiende verplichting voor de Staat om (preventieve) maatregelen te nemen teneinde het in die artikelen gegarandeerde recht op leven en het recht op bescherming van het privéleven en de lichamelijke en geestelijke integriteit van (toekomstige) slachtoffers effectief te beschermen. Dit klemt temeer, nu verdachte wordt verdacht van poging tot moord en de rapporten van de psycholoog, de psychiater, de reclassering en meer in het bijzonder het PBC aanwijzingen bevatten - de rapporteurs van het PBC spreken overigens van sterke vermoedens - dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens tijdens het begaan van dit misdrijf, zoals het hof heeft vastgesteld. Indien dit bij nader onderzoek, ten behoeve waarvan de onderhavige vordering is gedaan, inderdaad het geval zou blijken te zijn, bestaat de reële mogelijkheid dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd. Met zijn overwegingen legt het hof de drempel voor het verlenen van een machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens als bedoeld in art. 37a lid 8 Sr wel erg hoog en in ieder geval veel hoger dan de wetgever heeft beoogd. is als gezegd dat het hof, door de regeling in zijn algemeenheid te toetsen op de proportionaliteit, buiten de kaders van de beoordeling van de proportionaliteit in het onderhavige geval is gegaan, en daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en in strijd met art. 11 Wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van de wet heeft beoordeeld.”
4.8.2.
Ik volg de steller van het middel niet dat het hof buiten de kaders van zijn toetsingsbevoegdheid is getreden. Er is naar mijn mening niets op tegen dat het hof de consequenties die de regeling weigerende observandi met zich brengt en méér heeft het hof in mijn ogen niet gedaan - betrekt bij zijn proportionaliteitstoets in het onderhavige geval. Deze consequenties kunnen immers van belang zijn voor de vraag of in het individuele geval verstrekking van persoonsgegevens en de doorbreking van het medische beroepsgeheim proportioneel is in het licht van art. 8 EVRM. Daarbij is een zekere zelfstandige toetsing door de rechter onontbeerlijk. Dat het hof hierbij betrekt dat anders dan in de parlementaire geschiedenis is betoogd, de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden zodra deze in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt, acht ik dan ook niet ongeoorloofd. Ik zie ook niet in waarom het hof buiten de kaders van zijn bevoegdheid is getreden door te verwijzen naar de zaak Z. tegen Finland. Als ik de betreffende overweging van het hof goed begrijp ging het bij deze verwijzing niet zozeer over de geheimhouding van de verstrekte gegevens, maar over het feitencomplex dat aan de zaak Z. tegen Finland ten grondslag lag, met name dat de noodzaak voor de doorbreking van het medisch beroepsgeheim werd gevonden in het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en de vervolging van de daders. Dat het hof in dat verband heeft opgemerkt en meegewogen dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim in het onderhavige geval haar reden vindt in het minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van tbs, acht ik niet ontoelaatbaar noch onbegrijpelijk. Daarmee heeft het hof zich ook niet in algemene zin uitgelaten over de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling met de uitgangspunten die door het EHRM in de zaak Z. tegen Finland zijn geformuleerd.
4.8.3.
Gelet op de rol die de penitentiaire kamer door de wetgever is toebedeeld, zoals hiervoor onder 4.6.2. is beschreven kan ook niet worden gezegd dat het hof de drempel voor het verlenen van een machtiging “wel erg hoog legt en in ieder geval veel hoger dan de wetgever heeft beoogd”, zoals de steller van het middel betoogt.
4.8.4.
Daarnaast ziet de klacht ook op de volgende overweging van het hof:
“Bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, komt daarom ook betekenis toe aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Het hof wijst er in dit verband op dat artikel 1.1, onder i, aanhef, Bagwo onder een weigerende observandus de verdachte verstaat ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt.”
4.8.5.
Hoewel ik toegeef dat deze overweging niet uitblinkt in helderheid, lees ik deze niet zo, dat er volgens het hof ‘weinig ruimte is om tot het oordeel te komen dat er een noodzaak bestaat voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim indien de rechter al oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overweegt’ zoals de steller van het middel betoogt. Dit zou immers betekenen dat er in vrijwel geen enkel geval een belangenafweging zou kunnen worden gemaakt, omdat de overweging van de rechter de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen een van de voorwaarden is om de procedure van art. 37a lid 6 Sr in gang te zetten (zie 4.5.5). Naar mijn mening bedoelt het hof in deze overweging tot uitdrukking te brengen dat ook de mate waarin in het individuele geval de bescherming van anderen en voorkoming van recidive speelt, onderdeel kan zijn van de beantwoording van de vraag of er een dwingende eis in het algemeen belang bestaat het medisch beroepsgeheim te doorbreken. In zoverre berust de klacht op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
4.8.6.
Ik kom dan ook tot de conclusie dat de eerste klacht geen doel treft.
4.8.7.
Datzelfde geldt voor de tweede klacht, die inhoudt dat het concrete oordeel van het hof, dat in dit geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en de met de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaarde gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is, niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de omstandigheden die het hof daarbij heeft genoemd.
4.8.8.
In de toelichting op deze klacht wordt samengevat aangevoerd dat de door het hof betrokken omstandigheden (i) dat geen sprake is van een voltooid delict en het delict niet zou zijn gepleegd onder bijzondere omstandigheden, (ii) dat het PBC-rapport geen overwegingen bevat over het recidivegevaar, (iii) dat de Justitiële Documentatie van verdachte geen eerdere zware geweldsmisdrijven vermeldt en dat hij, vergeleken met de populatie van personen met een tbs, relatief oud was toen hij voor het eerst in aanraking kwam met justitie, ieder op zichzelf onbegrijpelijk zijn. Tot slot wordt (iv) betoogd dat het hof ten onrechte het advies van de adviescommissie niet kenbaar heeft betrokken bij zijn afweging.
4.8.9.
Ook deze klacht stuit in mijn ogen af op de omstandigheid dat het de penitentiaire kamer zoals hiervoor bij de bespreking van het juridische kader is uiteengezet, vrij staat om bij de beoordeling van de proportionaliteit van de gebruikmaking van de gevorderde medische gegevens van de verdachte, alle omstandigheden en belangen te betrekken die zij relevant acht. Ik kan mij voorstellen dat de overweging van de penitentiaire kamer, dat het PBC-rapport geen overwegingen bevat over het recidivegevaar, wat merkwaardig over komt omdat in het PBC-rapport nu juist staat dat hierover geen uitlatingen kunnen worden gedaan. Maar ik lees deze overweging zo dat het hof hiermee bedoelt dat uit de onderzoeksgegevens waarover de deskundigen wel de beschikking hebben gehad, geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die op (hoog) recidivegevaar duiden. Ook indien deze overweging buiten beschouwing zou worden gelaten, is het oordeel van het hof gelet op de overige omstandigheden die het hof hierbij verder nog in aanmerking heeft genomen (namelijk de aard van het delict, de omstandigheden waaronder het is begaan, dat het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte geen eerdere zware geweldsmisdrijven vermeldt en dat de verdachte, vergeleken met de populatie van personen met een terbeschikkingstelling, relatief oud was toen hij voor het eerst in aanraking kwam met justitie) voldoende gemotiveerd. Onbegrijpelijk is dit oordeel ook niet en voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
4.8.10.
Tot slot is de klacht dat het hof ten onrechte het advies van de adviescommissie niet kenbaar heeft betrokken bij zijn afweging in mijn ogen eveneens ongegrond. Uit de parlementaire behandeling kan worden afgeleid dat de rechter het advies van de adviescommissie kán betrekken bij zijn afweging, daartoe is hij echter niet gehouden. Het advies is voor de beoordeling of een machtiging dient te worden verstrekt bovendien slechts van belang voor zover daaruit volgt dat er bruikbare gegevens aanwezig zijn.
4.8.11.
Het middel faalt.
5. Ambtshalve opmerking over de publicatie van deze conclusie en de beschikking van de Hoge Raad
5.1.
In deze conclusie heb ik uiteengezet dat mijns inziens in de onderhavige procedure de behandeling van de raadkamer bij de penitentiaire kamer in het hof Arnhem-Leeuwarden (en bij de Hoge Raad) besloten dient plaats te vinden. Dat is bij het hof ook gebeurd. Ik meen dat dit meebrengt dat ook de uitspraak van de beschikking in beginsel niet in het openbaar plaatsvindt.40.In dit geval leid ik uit de beschikking niet af dat deze in beslotenheid is uitgesproken. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Bovendien is de beschikking van het hof reeds geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
5.2.
Voor de procedure in cassatie stel ik mij op het standpunt dat er – gezien de omstandigheid dat de beschikking van het hof reeds is gepubliceerd – geen redenen zijn deze conclusie en de beschikking van de Hoge Raad niet in het openbaar uit te spreken en te publiceren. De rechtseenheid en -ontwikkeling zijn bij die openbaarheid gebaat.41.
6. Conclusie
6.1.
Het middel faalt.
6.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑06‑2022
De leden 6 t/m 9 zijn sinds de inwerkingtreding op 28 november 2019 niet gewijzigd.
Kamerstukken II 2010/2011, 29 452, nr. 138 (beleidsbrief).
Kamerstukken II 2011/2012, 32 398, nr. 10 (nota van wijziging), p. 8-9, 22-23.
Zie het amendement Bouwmeester strekkende tot schrapping van de voorgestelde regeling (Kamerstukken II 2011/2012, 32 398, nr. 14) en het verslag van het wetgevingsoverleg van 4 april 2012, Kamerstukken II 2011/2012, 32 398, nr. 15).
Raad van State, brief van 9 augustus 2012, no. W03-12.0268/II.
Kamerstukken II 2011/2012, 32 398, nr. 19 (tweede nota van wijziging).
De adviezen zijn op zodanig korte termijn verzocht, dat een groot deel ervan pas ná de algemene beraadslaging in Tweede Kamer zijn ontvangen.
Zie bijvoorbeeld het advies van GGZ Nederland van 3 december 2012, de adviezen van de RSJ van 1 februari 2012 en 29 november 2012 en van de Nederlandse Orde van Advocaten van 26 november 2012, bijlagen bij Kamerstukken II 2012/2013, 32 398, nr. 24 (reactie op de adviezen).
Kamerstukken II 2012/2013, 32 398, nr. 23 (amendement Van Toorenburg), naar aanleiding van het advies van de Raad voor de Rechtspraak van 3 december 2012 (bijlage bij Kamerstukken II 2012/2013, 32 398, nr. 24 (reactie op de adviezen). Men is toen kennelijk vergeten de mogelijkheid van hoger beroep te schrappen. Hierin is alsnog voorzien bij de veegwet Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013, zie Kamerstukken II 2013/2014, 33 771, nr. 9 en Kamerstukken I 2013/2014, 33 771, nr. A, p. 21. Reeds voor de inwerkingtreding van de regeling is het hoger beroep dus uit de wet verdwenen.
Handelingen II 2012/2013, 32 398, nr. 36, 22-45 (stemming in de Tweede Kamer).
Kamerstukken I 2012/2013, 32 398, E (voorlopig verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie) en Handelingen I 2013/2014, 32 398, 25-7, p. 6-9, 11-13.
Kamerstukken I 2014/2015, 32 398, K (brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 6 november 2014).
Kamerstukken I 2014/2015, 32 398, M (brief van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van 25 februari 2015).
Handelingen I 2017/2018, 32 398, nr. 14-3 en 15-3.
Aanleiding was de aanhouding op 12 oktober 2017 van Michael P. als verdachte van de moord op Anne Faber, die de discussie weer deed oplaaien en waarop de Tweede Kamer bij de Eerste Kamer informeerde wat de status was van (onder meer) dit wetsvoorstel, zie Kamerstukken I 2017/2018, 32 398, N; Handelingen I 2017/2018, 32 398, nr. 16-6.
Handelingen I 2018/2019, 32 398, nr. R.
Handelingen I 2018/2019, 32 398, nr. S.
Stb. 2019, 435.
M.H. Nagtegaal, De effectiviteit van de aanpak weigerende verdachten in het Pro Justitia onderzoek. Achtergrond en contouren van een onderzoeksprogramma, WODC Cahier 2021-16.
Zie voor een bespreking van de procedure ook P.C. Vegter, ‘Grote stappen snel thuis? Iets over de nieuwe procedure bij weigering van gedragskundig onderzoek’, Sancties 2019/73.
Op eventuele overschrijding van deze termijn zijn geen sancties gesteld; het gaat om een inspanningsverplichting voor de commissie. Zie de toelichting op het Besluit onder 2.2.
Zie voor de minimale eisen waaraan het advies moet voldoen art. 2.9 van het Besluit.
Zie de toelichting op het Besluit onder 2.2: “Cruciaal hierbij is dat het advies niet de medische gegevens zelf bevat. Beschrijving daarvan gebeurt alleen op een zeker abstractieniveau. Dit omwille van het zo beperkt mogelijk houden van de inbreuk op het medisch beroepsgeheim.”
Vegter (a.w.), veronderstelt in voetnoot 7 van zijn bespreking van de regeling in Sancties dat kennelijk niet bedoeld is de behandeling een behandeling door een raadkamer te laten zijn en dat de algemene voorschriften die daarop van toepassing zijn gelden. Hij signaleert ook dat de voorschriften voor de behandeling door de penitentiaire kamer bijzonder summier zijn. Zo wordt er niet verwezen naar andere voor de penitentiaire kamer geldende voorschriften, is niet afzonderlijk voorzien in rechtsbijstand, wordt niet bepaald of betrokkenen in elkaars aanwezigheid dienen te worden gehoord en is het aantal en de inhoud van de processtukken zeer beperkt.
Zie de mededeling van toenmalig staatssecretaris Teeven tijdens de algemene beraadslaging in de Tweede Kamer, Handelingen II 2012/2013, 32398, nr. 25-3, p. 7: “Dat betekent dat de gegevens niet kunnen worden verstrekt zolang de beschikking van de rechter-commissaris niet onherroepelijk is. De procedure is wat gesloten; de zittingsrechter komt er uiteindelijk niet aan te pas. Je kunt deze procedure een beetje vergelijken met de procedure van artikel 226a Wetboek van Strafvordering, waarin het gaat om een deal met een kroongetuige en om de vraag of iemand zich terecht kan beroepen op afscherming van persoonsgegevens. Die procedure verloopt ook via een beschikking van de rechter-commissaris, en dan hoger beroep. Dat is een gesloten systeem binnen het open systeem van de waarheidsvinding op de rechtbank. Dit kun je hiermee vergelijken. Deze gegevens komen dus niet in enig dossier voordat de gesloten procedure helemaal is afgerond.”
Zie HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1410. Dit heeft ook consequenties voor de onderhavige zaak, hierop kom ik later terug.
Niet is vereist dat dit per aangetekende brief wordt gedaan, zie anders: P.C. Vegter, (a.w.).
De mogelijkheid van hoger beroep is als gezegd al met een veegwet van 2013 uit het wetsvoorstel verdwenen, zie voetnoot 10.
Zie de toelichting op het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi, Stb. 2019, 435, p. 24.
Handelingen I 2017/2018, 32 398, 15-3, p. 24.
Zie onder meer Kamerstukken II 2012/13, 32 398, nr. 19 (tweede nota van wijziging), p. 17 e.v. en Kamerstukken I 2012/13, 32 398, F (memorie van antwoord), p. 13 e.v.
Zie de Toelichting op het Besluit onder 1.3 (p. 11).
Zie de Toelichting op het Besluit onder 3.1 (p. 16).
E.J. Hofstee in T&C Strafrecht, art. 37a Sr, aant. 6d (actueel t/m 26-02-2022). Zie ook Vegter, a.w., die daarnaast opmerkt dat de incidentele rechtsvragen die zich zouden kunnen voordoen net als bij beslissingen van de penitentiaire kamer over de verlening van de tbs beter passen in het rechtsmiddel cassatie in het belang der wet en er ook op wijst dat het cassatieberoep, ook al wordt daarin de nodige spoed betracht, op zijn minst enkele maanden in beslag zal nemen en zeer vertragend zal werken.
HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1410, NJ 2020/184, m.nt. Rozemond.
Zie eveneens HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1410, rov. 2.7.
Beroepschrift 04‑04‑2022
CASSATIESCHRIFTUUR
Registratienummer: P21/420
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de penitentiaire kamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2022, waarbij het Hof de vordering van de advocaat-generaal tot verlening van een machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens van:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1998,
heeft afgewezen.
Rekwirant kan zich met deze beschikking en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom een middel van cassatie voor.
Inleidende opmerkingen
De onderhavige zaak betreft de eerste zaak waarin de officier van justitie de multidisciplinaire commissie als bedoeld in art. 37a lid 9 Sr (hierna: Adviescommissie) heeft gelast om haar advies uit te brengen over de aanwezigheid en bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte en waarin vervolgens de advocaat-generaal bij de penitentiaire kamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft gevorderd dat het Hof machtiging verleent voor het gebruik van die gegevens. Het Hof heeft de vordering van de advocaat-generaal afgewezen.
Het Hof heeft uitgebreide algemene overwegingen gewijd aan de totstandkoming van de wettelijke regeling en de vraag of de inbreuk die daarmee wordt gemaakt op het recht op privacy van de verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand, gerechtvaardigd is en in overeenstemming is met art. 8 EVRM.
Naast het belang in de onderhavige zaak is het cassatieberoep ingegeven door het belang voor de rechtspraktijk dat de Hoge Raad zich uitspreekt over de vraag of en in hoeverre de huidige regeling in overeenstemming is met art. 8 EVRM en over het toetsingskader dat geldt voor het wel of niet afgeven van een machtiging voor het gebruik van de van de verdachte opgevraagde persoonsgegevens.
In deze schriftuur stelt rekwirant zich in de eerste plaats op het standpunt dat het Hof, mede gelet op de wetsgeschiedenis, de lat voor het verlenen van een machtiging als bedoeld in art. 37a lid 8 Sr (veel) te hoog legt, en daarmee blijk heeft gegeven van miskenning van het toepasselijke toetsingskader en/of in strijd met art. 11 Wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van de wet heeft beoordeeld. Daarnaast heeft het Hof naar de mening van rekwirant ontoereikend gemotiveerd dat in het onderhavige geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en evenmin anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is. Tevens wordt aangevoerd dat 's Hofs oordeel hieromtrent niet zonder meer begrijpelijk is. De Hoge Raad heeft aangegeven het belang van een versnelde afdoening van cassatieberoepen als het onderhavige te onderkennen en zich in te zullen spannen om zo snel als mogelijk op deze beroepen te beslissen.1.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 2 en 8 EVRM, art. 11 Wet algemene bepalingen en/of art. 37a Sr, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het Hof de lat voor het verlenen van een machtiging als bedoeld in art. 37a lid 8 Sr (veel) te hoog legt, en daarmee blijk heeft gegeven van miskenning van het toepasselijke toetsingskader en/of in strijd met art. 11 Wet algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van de wet heeft beoordeeld, en/of ' s Hofs oordeel dat in het onderhavige geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en evenmin anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is, niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting
1.
De advocaat-generaal heeft op 21 december 2021 gevorderd dat de penitentiaire kamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden een machtiging verleent voor het gebruik van door tussenkomst van de Adviescommissie verkregen persoonsgegevens van verdachte. Nadat het Hof heeft overwogen dat in de onderhavige zaak aan de wettelijke vereisten is voldaan — met uitzondering van de adviestermijn van dertig dagen, waaraan geen consequenties worden verbonden — heeft het Hof de vordering afgewezen en daartoe — voor zover thans relevant — overwogen:
‘Proportionaliteit
Verdachte heeft aangevoerd dat de verstrekking van bepaalde gegeven niet proportioneel is. Daarbij heeft hij een beroep gedaan op artikel 8 EVRM.
Deze bepaling luidt als volgt:
- 1.
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
- 2.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat artikel 8 EVRM ook bescherming biedt tegen de openbaarmaking van medische gegevens, waaronder gegevens over de geestelijke gezondheid. Die laatste zijn naar hun aard zeer gevoelige privégegevens, ongeacht of ze duiden op een bepaalde diagnose. De reden voor deze bescherming is niet alleen gelegen in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, maar ook in het waarborgen van het vertrouwen in medische professionals en de gezondheidszorg in het algemeen. Bij het ontbreken van deze bescherming zouden degenen die medische hulp nodig hebben ervan kunnen worden weerhouden noodzakelijke medische hulp in te roepen of de voor de behandeling noodzakelijke gegevens te verstrekken (o.a. EHRM 27 februari 2018, nr. 66490/09, ro. 93 & 94 (Mockute tegen Litouwen)). Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad is tot uitdrukking gebracht dat de bescherming van de vertrouwelijkheid van medische gegevens deze belangen dient (o.a. Hoge Raad 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369).
Het hof stelt vast dat op grond van de regeling van artikel 37a Sr het medisch beroepsgeheim op verschillende momenten kan worden doorbroken doordat zonder toestemming van de verdachte gegevens uit zijn medisch dossier worden verstrekt aan derden die niet bij de behandeling betrokken zijn. Om te beginnen is er de verstrekking aan de Adviescommissie. Daarna worden gegevens genoemd in het advies van de commissie. Hoewel daarin de inhoud van de bruikbaar geachte stukken niet wordt weergegeven, blijkt daar wel uit dat verdachte bij bepaalde instanties in behandeling is geweest of zorg heeft ontvangen en dat bepaalde onderzoeken zijn gedaan. Ook deze gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim (zie ook de eerder genoemde paragraaf in de KNMG-richtlijn). Het hof is in deze beschikking dan ook, waar mogelijk, terughoudend met het meer specifiek noemen van deze gegevens. In het geval het hof een machtiging verleent, worden deze gegevens vervolgens verstrekt aan de deskundigen die over verdachte dienen te rapporteren. Deze gegevens kunnen uitsluitend worden gebruikt voor een rapport of advies over de persoonlijkheid van de verdachte. Er moet echter ernstig rekening mee worden gehouden dat de gegevens in dit rapport of advies worden weergegeven ter onderbouwing van de conclusies van de deskundigen, deze gegevens vervolgens op een openbare zitting zullen worden besproken en daarna in een in het openbaar uitgesproken vonnis of arrest zullen worden weergegeven ter onderbouwing van het oordeel van de rechter. De wet bevat geen waarborgen om dit te voorkomen of beperken.
In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de wettelijke regeling ter doorbreking van het medisch beroepsgeheim, is de wetgever verschillende keren ingegaan op de overeenstemming van deze regeling met artikel 8 EVRM. De Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer vermeldt daarover het volgende:
‘De leidende uitspraak van het EHRM inzake de vertrouwelijkheid van medische gegevens is de uitspraak van 25 februari 1997 in de zaak Z. tegen Finland (appl. no. 22009/93). In die uitspraak heeft het EHRM overwogen dat de bescherming van medische gegevens essentieel is voor een effectief genot van het recht op eerbiediging van het privéleven. De vertrouwelijkheid van medische gegevens is een fundamenteel beginsel dat wezenlijk is, niet alleen omwille van het gevoel van respect voor zijn privacy van de patiënt, maar ook om zijn of haar vertrouwen in de medische professie en in de gezondheidszorg in het algemeen te behouden. Aan de bescherming van de vertrouwelijkheid van medische gegevens komt dan ook een zwaar gewicht toe en een beperking hierop is slechts dan gerechtvaardigd wanneer deze wordt ingegeven door een dwingende eis in het algemeen belang (‘overriding requirement in the public interest’). Uit deze uitspraak volgt ook dat een zodanige ‘dwingende eis van algemeen belang’ gelegen kan zijn in strafrechtelijke belangen. Het EHRM erkent uitdrukkelijk dat de belangen van de patiënt en van de maatschappij in het algemeen bij de vertrouwelijkheid van medische gegevens hoewel fundamenteel, onder omstandigheden toch ondergeschikt kunnen zijn aan strafrechtelijke belangen. Dit is het geval wanneer is aangetoond dat die strafrechtelijke belangen even zwaar of zwaarder wegen dan het belang van de vertrouwelijkheid van gegevens.
Het op grond van de voorgestelde regeling inzake weigerende observandi vorderen en verwerken van persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de verdachte zonder zijn toestemming is aan te merken als een inmenging in diens recht op eerbiediging van zijn privéleven. Wij zijn evenwel van oordeel dat wij tot een zorgvuldige regeling zijn gekomen, die aan de daaraan te stellen eisen voldoet en dat deze inmenging in het privéleven mitsdien gerechtvaardigd is. De voorgestelde regeling berust allereerst op een formeel-wettelijke grondslag, die een duidelijk beeld geeft van de omstandigheden waaronder en van, aan en door wie de persoonsgegevens betreffende de gezondheid kunnen worden gevorderd, verstrekt dan wel verwerkt (…)
Mede naar aanleiding van opmerkingen uit het veld en de Tweede Kamer hebben wij in die regeling bovendien de nodige waarborgen opgenomen. In dit verband wijzen wij graag in het bijzonder op het volgende:
(…)
- •
over de reden van de weigering van de verdachte om mee te werken aan enig onderzoek wordt zo mogelijk gerapporteerd zodat deze reden kenbaar is en door de officier van justitie respectievelijk de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij de beoordeling kan worden betrokken;
- •
de kring van personen aan wie de persoonsgegevens betreffende de gezondheid worden verstrekt is zo beperkt mogelijk gehouden. Deze worden in eerste instantie uitsluitend verstrekt aan en verwerkt door een onafhankelijke multidisciplinaire commissie en in voorkomende gevallen tevens aan de gedragsdeskundigen ten behoeve van het opstellen van een rapport of advies over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis;
(…)
- •
voor het ter beschikking stellen van de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen is een schriftelijke machtiging van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vereist. In de vordering tot verlening van een schriftelijke machtiging zet de officier van justitie zijn redenen voor de vordering uiteen. Wanneer de vordering volgt op een negatief advies van de commissie, dan rust op hem daarbij een zwaardere motiveringsplicht;
(…)
- •
voordat de penitentiaire kamer beslist op de vordering hoort hij de verdachte. Aldus is geborgd dat de rechter bij zijn beslissing naast het advies van de commissie en het standpunt van de officier van justitie tevens alle voor de verdachte relevante feiten en omstandigheden, waaronder de reden voor diens weigering om medewerking te verlenen aan enige rapportage en zijn visie op het gebruik van de bestaande medische gegevens, kan betrekken. Wanneer de penitentiaire kamer daartoe aanleiding ziet, kan deze ook de voorzitter van de commissie horen;
- •
tegen de beslissing van de penitentiaire kamer kan cassatie worden ingesteld. In de regeling zoals wij die hadden voorgesteld, werd de schriftelijke machtiging afgegeven door de rechter-commissaris, waarna eerst hoger beroep en vervolgens cassatie openstond. Als gevolg van het aangenomen amendement Van Toorenburg (nr. 23), dat werd ingegeven door het advies van de Raad voor de rechtspraak, is niet langer de rechter-commissaris, maar de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd tot het afgeven van de schriftelijke machtiging. Dit heeft tot gevolg dat het oorspronkelijk voorziene hoger beroep is komen te vervallen. Tegen dit verlies van een extra aan te wenden rechtsmiddel staat echter dat in de samenstelling van de penitentiaire kamer, waarvan een psychiater en een psycholoog deel uitmaken, een nieuwe extra waarborg is gelegen;
(…)
De regeling dient voorts meerdere in het tweede lid van artikel 8 EVRM opgesomde gelegitimeerde doelen. Dit betreft zowel de bescherming van toekomstige slachtoffers (de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen), als de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid (van de toekomstige slachtoffers) of de goede zeden.
(…)
Dat de noodzaak om het probleem van de weigerende observandi aan te pakken is aan te merken als een dwingende eis in het algemeen belang, staat voor ons buiten twijfel. Wij wijzen er op dat eerdere medische gegevens op grond van deze regeling niet ten aanzien van alle ‘tbs-waardige’ delicten kunnen worden gevorderd, maar alleen ten aanzien van de zogeheten ‘geweldsmisdrijven’ in de zin van artikel 38e Sr, waarvoor ongemaximeerde tbs met dwangverpleging kan worden opgelegd. Dit betreft ernstige misdrijven als moord en verkrachting, ten aanzien waarvan ook het EHRM heeft overwogen dat op de Staat een positieve verplichting rust om (preventieve) maatregelen te treffen teneinde dergelijke misdrijven zoveel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting betrekken wij bij de invulling van onze beoordelingsruimte. Dergelijke misdrijven, waarbij sprake is van een aantasting van of gevaar voor het lichaam van het slachtoffer, grijpen niet alleen zeer diep in de levens van de slachtoffers en eventuele nabestaanden maar raken ook de maatschappij als geheel, omdat zij het gevoel van maatschappelijke veiligheid aantasten. Wanneer iemand een stoornis heeft, is het zaak dat hij daarvoor de juiste behandeling ontvangt. Dat geldt in het algemeen, maar geldt ook in het bijzonder voor verdachten van zeer ernstige misdrijven. Bij die verdachten dient in het kader van de strafoplegging te worden vastgesteld of ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake was van een geestesstoornis. In dat geval kan er immers sprake zijn van een grote kans op recidive en is tbs mogelijk de meest adequate sanctie en juiste zorgplek. Voorkomen dient te worden dat geen tbs kan worden opgelegd enkel en alleen vanwege het gegeven dat een verdachte medewerking aan het pro Justitia-onderzoek weigert, terwijl er wel gegevens beschikbaar zijn die zouden kunnen bijdragen aan de vaststelling van de aanwezigheid van een mogelijke geestesstoornis (…)
De regeling is voorts met afdoende waarborgen omkleed. Dit afgezet tegen het beperkt aantal misdrijven waarbij de regeling — als ultimum remedium — kan worden toegepast, het beperkte doel waarvoor de gegevens mogen worden gebruikt (enkel het vaststellen van de aanwezigheid van een geestesstoornis) en de zeer beperkte kring van personen waarbinnen de persoonsgegevens worden gedeeld, maakt dat de regeling in algemene zin voldoet aan het proportionaliteitsvereiste (…) Of de gegevens ook daadwerkelijk beschikbaar worden gesteld, is aan het gerechtshof of eventueel na cassatieberoep aan de Hoge Raad. Bij die beslissing weegt het advies van de multidisciplinaire commissie zwaar mee. Bovendien wordt de verdachte door het gerechtshof gehoord en kan ook de voorzitter van de multidisciplinaire commissie gehoord worden (…) Dat het gebruik van de gevorderde gegevens voor de rapportage ook in het individuele geval proportioneel is, is geborgd door de rechterlijke toets. De rechter weegt daarbij per individueel geval het belang van het gebruik van de eerdere gegevens door de rapporteurs af tegen het belang van de vertrouwelijkheid van medische gegevens, waarbij hij het advies van de multidisciplinaire commissie omtrent de aanwezigheid en bruikbaarheid van gegevens zwaar laat meewegen.’
(Eerste Kamer 2012–2013, 32398, F, blz. 13–18)
Uit artikel 8 EVRM en het stelsel van de wet, zoals toegelicht in de parlementaire geschiedenis, volgt dat het hof dient te beoordelen of de doorbreking van het medisch beroepsgeheim ook in het individuele geval proportioneel is, dat wil zeggen wordt gerechtvaardigd door een dwingende eis in het algemeen belang. Naar het oordeel van het hof dienen daartoe alle omstandigheden van het geval te worden betrokken, zoals de aard en de ernst van het feit waarvan de verdachte wordt verdacht (in ieder geval een zogenoemd geweldsmisdrijf), de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de voor de vordering tot verstrekking aangevoerde gronden, de reden voor de weigering tot medewerking aan het onderzoek, het advies van de commissie, de aard en beschreven inhoud van de in het advies genoemde gegevens alsmede de visie van de verdachte hierop, aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een stoornis die nader onderzoek vergt en aanwijzingen voor het gevaar dat de verdachte een strafbaar feit zal begaan.
Bij die beoordeling dient te worden betrokken dat, zoals hiervoor uiteengezet en anders dan in de parlementaire geschiedenis is betoogd, de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden. Zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt zijn de gegevens immers kenbaar. Dit is een verschil met het aangehaalde arrest van het EHRM van 25 februari 1997 (Z. tegen Finland) waarin belang werd gehecht aan waarborgen om de medische gegevens geheim te houden (ro. 103 en 107). Verder is in deze zaak de noodzaak voor de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gevonden in het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en de vervolging van de daders (ro. 97). Doorbreking van het beroepsgeheim op grond van artikel 37a Sr vindt zijn reden in het minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, terwijl nog niet is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor oplegging is voldaan. Dat wordt juist onderzocht. Dit dient te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.
Bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, komt daarom ook betekenis toe aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Het hof wijst er in dit verband op dat artikel 1.1, onder i, aanhef, Bagwo onder een weigerende observandus de verdachte verstaat ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt.
In de voorliggende zaak heeft het hof in de reden voor de weigering van medewerking aan het onderzoek en in de aard en beschreven inhoud van de bruikbaar geachte documenten, geen bijzondere redenen gevonden voor toewijzing of afwijzing van de vordering. Enerzijds stelt het hof vast dat het PBC-rapport aanwijzingen bevat dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verder heeft de verdenking betrekking op een ernstig geweldsmisdrijf, namelijk poging moord. Anderzijds overweegt het hof, zonder af te willen doen aan de gevolgen die het feit heeft gehad voor het slachtoffer, dat geen sprake is van een voltooid levensdelict. Verder is het delict niet gepleegd onder bijzondere omstandigheden. Het PBC-rapport bevat geen overwegingen over het recidivegevaar dat uitgaat van verdachte. Het hof stelt vast dat het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte geen eerdere zware geweldsmisdrijven vermeldt. Uit dit uittreksel volgt ook dat verdachte, vergeleken met de populatie van personen met een terbeschikkingstelling, relatief oud was toen hij voor het eerst in aanraking kwam met justitie.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en evenmin anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is.’
2.
Het Hof heeft de afwijzing van de vordering in de sleutel willen zetten van de toets of het gebruik van de gevorderde gegevens voor de rapportage in het onderhavige geval proportioneel is. Uit de overwegingen van het Hof volgt evenwel dat het Hof hierbij niet alleen heeft gekeken naar de omstandigheden van het onderhavige geval, maar in ruimere zin zich heeft uitgesproken over de proportionaliteit van de wettelijke regeling in relatie tot de waarborgen van art. 8 EVRM. Hieromtrent wordt onder 3. een cassatieklacht geformuleerd. Vervolgens wordt onder 4. geklaagd dat 's Hofs oordeel dat in de onderhavige zaak toewijzing van de vordering niet proportioneel is, niet zonder meer begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
3.1
Voor wat betreft de algemene overwegingen van het Hof gaat het in de eerste plaats om de passage waarin het Hof overweegt dat de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden, zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt. Het Hof doet hierbij een beroep op EHRM 25 februari 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4448, NJ 1999/516 (Z. tegen Finland).
In die zaak werd in het kader van een strafzaak tegen X. (haar echtgenote) het medisch dossier van Z. inbeslaggenomen, werden van verschillende stukken daaruit kopieën gemaakt en aan het dossier in de strafzaak tegen X. gevoegd. In de uitspraak in de strafzaak tegen X. in eerste aanleg en in hoger beroep werd onder meer de naam van Z. voluit genoemd, alsmede het feit dat zij draagster was van het HIV-virus. De rechter had verder bepaald dat de vertrouwelijke informatie omtrent Z., waaronder dus de kopieën uit haar medisch dossier, na tien jaar geopenbaard mochten worden. Het EHRM oordeelde — kort gezegd — dat het na tien jaar openbaar maken van de medische gegevens van Z. schending van art. 8 EVRM zal meebrengen en tevens dat het noemen van de naam van Z. in de uitspraak en het daarin melding maken van het feit dat zij besmet was met HIV een ontoelaatbare inbreuk opleverde op haar recht op privacy. Van belang is dat het EHRM geen schending van art. 8 EVRM aanwezig achtte ten aanzien van de inbeslagneming van het medisch dossier van klaagster en het gebruik daarvan in de strafzaak tegen X.
Het is terecht dat het Hof in zijn overwegingen aandacht heeft voor de mogelijkheid dat privacygevoelige gegevens die door tussenkomst van de Adviescommissie zijn verkregen breder bekend zouden kunnen worden. Dat is in de wettelijke regeling ondervangen doordat die privacygevoelige / medische gegevens, anders dan in de zaak Z. tegen Finland, niet in het dossier worden gevoegd, maar, na machtiging door het Hof, slechts worden verstrekt aan de gedragsdeskundigen die rapporteren omtrent de vraag of wel of niet sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het feit (art. 2.10 lid 1 Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi, hierna: Bagwo). Uitsluitend de leden van de Adviescommissie — en in voorkomende gevallen de gedragsdeskundigen ten behoeve van het opstellen van de nadere rapportage — nemen kennis van de door de behandelaars verstrekte persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de verdachte.2. Het advies van de Adviescommissie zal evenwel niet de medische gegevens bevatten, maar informatie geven over de vraag of er gegevens zijn die van belang kunnen zijn voor het vaststellen van een psychische stoornis.3.
De gedragsdeskundigen die, mede naar aanleiding van de informatie die zij van de Adviescommissie hebben gekregen nadat het Hof hiertoe machtiging heeft verleend, vervolgens omtrent de verdachte rapporteren, zullen hierbij, net als in de situatie dat een verdachte wel heeft meegewerkt en daarmee (impliciet) toestemming heeft gegeven om privacygevoelige informatie in een breder kader bekend te maken, rekening houden met de privacy van de verdachte en de geheimhoudingsplicht van de rapporteur.4. Het valt te verwachten dat de gedragsdeskundigen hier extra alert op zullen zijn in het geval daarbij gebruik gemaakt wordt van gegevens die zonder toestemming van de verdachte zijn verkregen, teneinde de inbreuk op het recht op privacy van de verdachte zo beperkt mogelijk te houden. Dit geldt te meer voor de strafrechter die zijn oordeel omtrent het wel of niet opleggen van terbeschikkingstelling met dwangverpleging in zijn openbare uitspraak dient te motiveren.
Het beroep dat het Hof heeft gedaan op Z. tegen Finland gaat dan ook mank, aangezien in de Nederlandse situatie de door de Adviescommissie verkregen gegevens niet in het strafdossier worden gevoegd en er in het hele proces voldoende waarborgen zijn ingebouwd om te zorgen dat de inbreuk op de privacy van de verdachte niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is. Daarmee is voldaan aan de eis die het EHRM stelt in Z. tegen Finland dat ‘the domestic law must (…) afford appropriate safeguards to prevent any such communication or disclosure of personal health data as may be inconsistent with the guarantees in Article 8 of the Convention 9 (…)’ (r.o. 95).
Een ander belangrijk verschil van de Nederlandse situatie met de situatie in Z. tegen Finland is dat in de Nederlandse situatie slechts de gegevens van de betrokkene/verdachte kunnen worden opgevraagd en verstrekt en niet ook van derden, zoals het geval was in Z. tegen Finland.
3.2
Dat het Hof niet alleen heeft gekeken naar de omstandigheden van het onderhavige geval, maar in ruimere zin zich heeft uitgesproken over de proportionaliteit van de wettelijke regeling, volgt ook uit de overweging dat doorbreking van het beroepsgeheim op grond van art. 37a Sr zijn reden vindt in het, naar het oordeel van het Hof, minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, terwijl nog niet is vastgesteld dat aan de voorwaarden voor oplegging is voldaan.
Dit punt is uitgebreid aan de orde geweest in de wetsgeschiedenis, waarin als de te beschermen belangen die met de regeling worden gediend in het bijzonder de bescherming van de lichamelijke integriteit en (geestelijke en fysieke) gezondheid van potentiële toekomstige slachtoffers wordt genoemd.5. In dat kader wordt gewezen op de uit art. 2 en 8 EVRM voor de Staat voortvloeiende positieve verplichtingen om (preventieve) maatregelen te nemen teneinde het in die artikelen gegarandeerde recht op leven en het recht op bescherming van het privéleven en de lichamelijke en geestelijke integriteit van (toekomstige) slachtoffers effectief te beschermen6., waardoor het juist omwille van de rechten van het (toekomstige) slachtoffer noodzakelijk is dat aan het recht op vertrouwelijkheid van de medische gegevens van de verdachte niet zonder meer onverkort wordt vastgehouden.7.
Bij de behandeling in de Eerste Kamer, waar het Hof blijkens zijn overwegingen ook een beroep op heeft gedaan, is dit ook aan de orde geweest:
‘Wij komen nu toe aan de bespreking van de voorwaarde waarover bij Uw Kamer zorgen leven, de vraag of de inmenging noodzakelijk is. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM, zoals deze hiervoor is weergegeven, dient sprake te zijn van een dwingende eis in het algemeen belang. Daarnaast moet worden voldaan aan de eisen van proportionaliteit (er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen de ernst van de inmenging en de zwaarte van het belang dat daarmee wordt gediend) en subsidiariteit (het doel kan niet met een lichter, voor betrokkene minder ingrijpend, middel worden bereikt). Bij de beoordeling van zowel de noodzakelijkheid als de proportionaliteit en subsidiariteit van een maatregel geldt dat op grond van de jurisprudentie van het EHRM aan de nationale wetgever een bepaalde beoordelingsruimte (‘margin of appreciation’) toekomt. Deze is immers bij uitstek op de hoogte van hetgeen in een samenleving leeft en kan het beste inschatten welke maatregelen op een gegeven moment noodzakelijk en proportioneel zijn. Bij de invulling van die beoordeiingsruimte is het bovendien van belang dat uit het EVRM voor de nationale wetgever ook ‘positieve verplichtingen’ voortvloeien om (preventieve) maatregelen te nemen om bepaalde rechten uit het EVRM, zoals het recht op leven en het recht op bescherming van het privéleven en de lichamelijke en geestelijke integriteit, ook effectief te garanderen.
Dat de noodzaak om het probleem van de weigerende observandi aan te pakken is aan te merken als een dwingende eis in het algemeen belang, staat voor ons buiten twijfel. Wij wijzen er op dat eerdere medische gegevens op grond van deze regeling niet ten aanzien van alle ‘tbs-waardige’ delicten kunnen worden gevorderd, maar alleen ten aanzien van de zogeheten ‘geweldsmisdrijven’ in de zin van artikel 38e Sr, waarvoor ongemaximeerde tbs met dwangverpleging kan worden opgelegd. Dit betreft ernstige misdrijven als moord en verkrachting, ten aanzien waarvan ook het EHRM heeft overwogen dat op de Staat een positieve verplichting rust om (preventieve) maatregelen te treffen teneinde dergelijke misdrijven zoveel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting betrekken wij bij de invulling van onze beoordeiingsruimte. Dergelijke misdrijven, waarbij sprake is van een aantasting van of gevaar voor het lichaam van het slachtoffer, grijpen niet alleen zeer diep in de levens van de slachtoffers en eventuele nabestaanden maar raken ook de maatschappij als geheel, omdat zij het gevoel van maatschappelijke veiligheid aantasten. Wanneer iemand een stoornis heeft, is het zaak dat hij daarvoor de juiste behandeling ontvangt. Dat geldt in het algemeen, maar geldt ook in het bijzonder voor verdachten van zeer ernstige misdrijven. Bij die verdachten dient in het kader van de strafoplegging te worden vastgesteld of ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake was van een geestesstoornis. In dat geval kan er immers sprake zijn van een grote kans op recidive en is tbs mogelijk de meest adequate sanctie en juiste zorgplek. Voorkomen dient te worden dat geen tbs kan worden opgelegd enkel en alleen vanwege het gegeven dat een verdachte medewerking aan het pro Justitia-onderzoek weigert, terwijl er wel gegevens beschikbaar zijn die zouden kunnen bijdragen aan de vaststelling van de aanwezigheid van een mogelijke geestesstoornis. Dat deze personen de juiste behandeling krijgen waardoor het recidiverisico dat zij met zich brengen tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht, is zowel in het belang van toekomstige slachtoffers en van de maatschappij als geheel, als van betrokkenen zelf. Wij zien ons dan ook genoodzaakt om het probleem van de weigerende observandi terug te dringen.’
(EK 2012–2013, 32 398, F (Memorie van Antwoord), p. 15/16)
en
‘De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of deze ingrijpende regeling wel wordt gerechtvaardigd door het met de regeling te bereiken doel en wijzen op het risico dat personen zorg zullen gaan mijden. Voor de Minister van VWS en mijzelf lijdt het geen enkele twijfel dat hier sprake is van een situatie die de doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigt. Deze regeling kan alleen worden toegepast bij verdachten die in verband worden gebracht met zeer ernstige misdrijven, waarvoor ongemaximeerde tbs met verpleging van overheidswege als sanctie kan worden opgelegd. Dit betreft, zo beantwoord ik de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks dienaangaande, de ‘geweldsmisdrijven’ in de zin van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), met name levens- en ernstige zedendelicten. Het gaat dus om delicten die per definitie diep ingrijpen in het leven van het slachtoffer en diens omgeving en die het gevoel van maatschappelijke veiligheid aantasten. Ten aanzien van dergelijke delicten heeft ook het EHRM uitdrukkelijk overwogen dat op de Staat een zogeheten ‘positieve verplichting’ rust om (preventieve) maatregelen te treffen, om dit type misdrijven waar mogelijk te voorkomen. Die verplichting geldt in het algemeen en des te meer waar het gaat om het voorkomen van recidive. De Minister van VWS en ik achten het van groot belang dat bij verdachten van dit soort misdrijven wordt vastgesteld of sprake is van een geestesstoornis. Wanneer dat het geval is, kan er sprake zijn van een grotere kans op recidive en is het opleggen van de tbs-maatregel mogelijk de meest adequate sanctie en is een tbs-instelling de juiste zorgplek voor de betrokkene. Tbs biedt voor die groep betere waarborgen, waaronder de mogelijkheden tot verlenging van de maatregel en het geleidelijk toekennen van vrijheden. Het getrapt toewerken naar verlof en een geleidelijke en veilige terugkeer in de samenleving vormt daarvan een integraal onderdeel. Dit alles in combinatie met een hoog beveiligingsniveau. Dat deze justitiabelen de juiste behandeling krijgen om het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen is zowel in het belang van toekomstige slachtoffers en van de maatschappij als geheel, als van betrokkenen zelf. Wij zien ons dan ook genoodzaakt om het probleem van de weigerende observandi terug te dringen en zijn van oordeel dat het grote belang dat met de verstrekking van de medische gegevens wordt gediend, de doorbreking van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigt.’
(EK 2014–2015, 32 398, K (brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), p. 10)
Hieruit volgt dat de wetgever zich bewust is geweest van botsende mensenrechten, enerzijds het recht van een verdachte op bescherming van zijn privacy (art. 8 EVRM) en anderzijds het recht van een ieder, en met name potentiële toekomstige slachtoffers van de verdachte, op leven (art. 2 EVRM) en op bescherming van het privéleven en de lichamelijke een geestelijke integriteit (art. 8 EVRM). Afweging van die verschillende rechten heeft de wetgever tot de conclusie gebracht dat de met de wettelijke regeling samenhangende inbreuk op het recht op privacy van een verdachte, noodzakelijk is in het belang van het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en dat die inbreuk in beginsel voldoet aan de proportionaliteitstoets.8.
De positieve verplichting van de overheid om zijn burgers te beschermen tegen een inbreuk op hun in art. 2 en 8 EVRM gegarandeerde rechten komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie van het EHRM. Ten aanzien van art. 2 EVRM wijst rekwirant met name op EHRM 30 maart 2021, NJ 2021/394, Ribcheva e.a. tegen Bulgarije. Daarin overweegt het EHRM dat de overheid niet alleen effectieve afschrikwekkende wetgeving moet hebben om haar burgers te beschermen tegen dergelijke inbreuken, maar daarvoor ook preventieve maatregelen moet nemen. Die kunnen bestaan uit het toezicht houden op geestelijk gestoorde mensen, van wie bekend is dat zij gewelddadig kunnen zijn, om op die manier stappen te nemen om haar burgers in zijn algemeenheid te beschermen tegen een reëel en dreigend risico op dodelijke daden door dergelijke mensen (r.o. 157 en 158). Om te kunnen beoordelen of een dergelijk dreigend risico bestaat, kan het, in een geval als het onderhavige, van belang zijn om duidelijkheid te krijgen omtrent de vraag of sprake was van een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het feit, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd, een en ander ter bescherming van toekomstige slachtoffers.
Ten aanzien van art. 8 EVRM valt in de rechtspraak van het EHRM eenzelfde lijn te ontwaren, hoewel die jurisprudentie vooral betrekking heeft op personen van wie al bekend was of had moeten zijn dat zij een bijzonder risico zouden lopen.9.
3.3
In de derde plaats wil rekwirant op deze plek wijzen op de overweging van het Hof dat bij het antwoord op de vraag of een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, ook betekenis toekomt aan omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat een zodanige noodzaak bestaat tot het onderzoeken van het bestaan van een stoornis, met het oog op het opleggen van een maatregel ter bescherming van anderen en ter vermindering van recidive, dat doorbreking van het medisch beroepsgeheim gerechtvaardigd is. Rekwirant is het met deze overweging (uiteraard) geheel eens, het gaat hier immers om de proportionaliteitstoets die het Hof (ook) moet aanleggen. Dit wordt evenwel anders waar het Hof er vervolgens op wijst dat onder een weigerende observandus de verdachte wordt verstaan ten aanzien van wie de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt. Bij het ontbreken van nadere duiding, begrijpt rekwirant dit aldus dat het Hof hiermee tot uitdrukking brengt dat ingeval de rechter al oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt, er weinig ruimte is om nog tot het oordeel te komen dat er een noodzaak bestaat voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Natuurlijk is het zo dat de onderhavige procedure pas in stelling gebracht kan worden als de rechter oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overweegt, maar deze procedure is er juist op gericht om de rechter die informatie te geven die hij nodig heeft om tot het oordeel te kunnen komen of er bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Het kan ook zijn dat het Hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat deze procedure pas aan de orde kan zijn indien de rechter de eerste drie vragen van art. 350 Sv, waaronder de bewijsvraag, al heeft beantwoord. Dit ligt niet direct voor de hand, nu de wetgever er vanuit lijkt te gaan dat de procedure van de weigerende observandus plaatsvindt tijdens het voorbereidend onderzoek en derhalve voor het moment dat de zaak door de rechter (in eerste aanleg) inhoudelijk wordt behandeld. Zou dit anders zijn, dan zou dit tot ongewenste vertragingen in het strafproces leiden.10.
3.4
Uit hetgeen hiervoor onder 3.1 t/m 3.3 is betoogd, en ook overigens uit de gehele wetsgeschiedenis, volgt dat de wetgever van oordeel was dat de wettelijke regeling zoals die thans bestaat, in overeenstemming is met art. 8 EVRM. Met zijn overwegingen i) dat ten aanzien van de mogelijkheid dat de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar kunnen worden, zodra deze gegevens in een rapport voor de strafrechter worden verwerkt, ii) dat doorbreking van het beroepsgeheim op grond van art. 37a Sr haar reden vindt in het, naar het oordeel van het Hof, minder concrete en minder acute belang van het voorkomen van een toekomstig strafbaar feit door oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en iii) dat — zo begrijpt rekwirant 's Hofs onder 3.3 vermelde overweging — er weinig ruimte is om tot het oordeel te komen dat er een noodzaak bestaat voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim indien de rechter al oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging overweegt, is het Hof naar de mening van rekwirant getreden buiten de kaders van de beoordeling van de proportionaliteit in het onderhavige geval en heeft het daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee heeft het Hof tevens de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordeeld, hetgeen in strijd is met art. 11 Wet algemene bepalingen.
Daar doet niet aan af dat het Hof heeft overwogen dat deze overwegingen dienen te worden meegewogen in het oordeel of verstrekking van de persoonsgegevens ook in het individuele geval proportioneel is.
4.1
Indien de overwegingen van het Hof aldus moeten worden verstaan dat die, ondanks het deels algemene karakter daarvan, slechts betrekking hebben op de aan het Hof voorbehouden toets van de proportionaliteit in de onderhavige zaak, geldt het volgende. Voor zover ' s Hofs overwegingen een meer algemene strekking hebben, verwijst rekwirant naar hetgeen hiervoor is betoogd. Het Hof heeft, onder meer met verwijzing naar het arrest Z. tegen Finland, bij zijn beoordeling teveel waarde toegekend aan de omstandigheid dat de aan de rapporteurs verstrekte gegevens ook buiten de kring van de Adviescommissie en de rapporteurs openbaar zouden kunnen worden, nu, zoals hiervoor is betoogd onder 3.1, de wettelijke regeling er juist op is gericht om op dit punt de inbreuk op art. 8 EVRM zo beperkt mogelijk te houden. Het Hof heeft tevens ontoereikend gemotiveerd waarom dit mogelijke gevaar voor een inbreuk op de privacy van verdachte niet in overeenstemming zou zijn met art. 8 EVRM. Daarnaast heeft het Hof geen, althans onvoldoende aandacht besteed aan de uit art. 2, maar ook art. 8 EVRM voortvloeiende verplichting voor de Staat om (preventieve) maatregelen te nemen teneinde het in die artikelen gegarandeerde recht op leven en het recht op bescherming van het privéleven en de lichamelijke en geestelijke integriteit van (toekomstige) slachtoffers effectief te beschermen. Dit klemt temeer, nu verdachte wordt verdacht van poging tot moord en de rapporten van de psycholoog, de psychiater, de reclassering en meer in het bijzonder het PBC aanwijzingen bevatten — de rapporteurs van het PBC spreken overigens van sterke vermoedens — dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens tijdens het begaan van dit misdrijf, zoals het Hof heeft vastgesteld. Indien dit bij nader onderzoek, ten behoeve waarvan de onderhavige vordering is gedaan, inderdaad het geval zou blijken te zijn, bestaat de reële mogelijkheid dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.
Met zijn overwegingen legt het Hof de drempel voor het verlenen van een machtiging voor het gebruik van persoonsgegevens als bedoeld in art. 37a lid 8 Sr wel erg hoog en in ieder geval veel hoger dan de wetgever heeft beoogd. In zoverre heeft het Hof dan ook het toepasselijke toetsingskader miskend.
4.2
Ten aanzien van de concrete omstandigheden in de onderhavige zaak heeft het Hof nog een aantal omstandigheden van belang geacht. Ten aanzien van de ernst van het feit waar verdachte van wordt verdacht heeft het Hof overwogen dat geen sprake is van een voltooid levensdelict en dat dit delict niet is gepleegd onder bijzondere omstandigheden. Voor zover het Hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat — in het geval van een verdenking ter zake een geweldsdelict — slechts indien sprake is van een voltooid levensdelict of van een poging daartoe, gepleegd onder bijzondere omstandigheden, een machtiging tot het verstrekken van persoonsgegevens aan de orde kan zijn, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu de wet slechts als eis stelt dat sprake is van een verdenking van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in art. 38e Sr. Indien 's Hofs overweging niet aldus moet worden verstaan, is de relevantie van deze overweging niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan de omstandigheden waaronder het feit, waar verdachte van wordt verdacht, is gepleegd. Uit de door de advocaat-generaal ingediende vordering, en ook overigens uit de onderliggende stukken, volgt dat het slachtoffer door een medeverdachte naar een woning is gelokt en dat het slachtoffer daar vrijwel direct van achteren door verdachte in zijn rug is gestoken, waardoor het slachtoffer onder andere een klaplong heeft opgelopen. Gelet op deze omstandigheden is weliswaar sprake van een poging tot moord, maar is het eerder een gelukkige omstandigheid dat het slachtoffer hierdoor niet is komen te overlijden.
De overweging van het Hof dat het PBC-rapport geen overwegingen bevat over het recidivegevaar dat uitgaat van verdachte is in dit kader eveneens onbegrijpelijk, nu dit blijkens het rapport juist is te wijten aan het feit dat verdachte aldaar niet heeft meegewerkt, waardoor de rapporteurs niet in staat waren een uitspraak te doen over de recidivekans voortvloeiend uit eventuele pathologische motieven van betrokkene. Ook de overweging van het Hof dat het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte geen eerdere zware geweldsdelicten vermeldt en dat verdachte, vergeleken met de populatie van personen met een terbeschikkingstelling, relatief oud was toen hij voor het eerst in aanraking kwam met justitie, valt zonder nadere motivering niet goed te begrijpen. Niet duidelijk is waar het Hof deze algemene stelling op baseert, terwijl uit dat uittreksel volgt dat verdachte zich eerder heeft schuldig gemaakt aan vermogensdelicten, geweldsdelicten en bedreiging met geweld, dat het eerste vermogensdelict waarvoor hij is veroordeeld plaatsvond op 17 juni 2017, toen hij 19 jaar oud was, en het eerste geweldsdelict waarvoor hij is veroordeeld plaatsvond op 25 oktober 2018, toen hij 20 jaar oud was.
Daarbij verdient opmerking dat bij het antwoord op de vraag naar het risico op recidive niet alleen van belang is de justitiële documentatie van een verdachte, maar, zeker in een geval als het onderhavige, ook zijn psychische gesteldheid.
Tot slot heeft het Hof ontoereikend gemotiveerd waarom het tot het oordeel is gekomen dat het verlenen van de machtiging voor het gebruik van de persoonsgegevens van verdachte — kort gezegd — niet voldoet aan de vereisten van proportionaliteit, zonder daarbij kenbaar het advies van de Adviescommissie te betrekken. Weliswaar is de proportionaliteitstoets van het Hof van een andere orde dan hetgeen waarover de Adviescommissie heeft geadviseerd, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het advies van de Adviescommissie zwaar mee moet wegen bij de rechterlijke beslissing.11. Nu de Adviescommissie zich op het standpunt had gesteld dat er in de onderhavige zaak persoonsgegevens aanwezig zijn die bruikbaar zouden kunnen zijn voor nader onderzoek naar een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het strafbare feit waarvan de weigerende obervandus wordt verdacht, had het Hof nader moeten motiveren waarom het desondanks is gekomen tot een afwijzing van de vordering.
5.
Uit het geheel van overwegingen van het Hof volgt naar de mening van rekwirant dat het Hof, mede gelet op de wetsgeschiedenis, niet alleen de lat voor het verlenen van een machtiging als bedoeld in art. 37a lid 8 Sr (veel) te hoog legt, maar tevens dat zijn oordeel dat in het onderhavige geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en evenmin anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de met doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaard gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is, niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal de beschikking van de penitentiaire kamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2022 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, april 2022
mr. H.H.J. Knol
advocaat-generaal bij het ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑04‑2022
Nota van Toelichting bij het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi, Stb. 2019, 435, p. 24.
TK 2012–2013, 32 398, nr. 24 (brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), p. 5 en 12 en EK 2012–2013, 32 398, F (Memorie van Antwoord), p. 14.
TK 2012–2013, 32 398, nr. 19 (Tweede nota van wijziging), p. 16.
Zie Stevens/Roeters/Beukers, Gedragsdeskundig advies in strafzaken, Het juridisch perspectief, Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (https://docplayer.nl/42954046-Gedragsdeskundig-advies-in-strafzaken-het-juridisch-perspectief.html). § 2.2.2, p. 53.
TK 2012–2013, 32 398, nr. 19 (Tweede nota van wijziging), p. 22.
TK 2012–2013, 32 398, nr. 19 (Tweede nota van wijziging), p. 21.
TK 2012–2013, 32 398, nr. 24 (brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), p. 8 en 9.
Zie voor een samenvatting van de overwegingen van de wetgever de Nota van Toelichting bij het Bagwo, § 3.2.
Zie EHRM 25 juni 2019, no. 41720/13, Nicolae Virgiliu Tanase tegen Roemenië, § 125-127, en EHRM 6 november 2018, no. 27821/16, Milicevic tegen Montenegro, § 53–63.
Vgl. Nota van Toelichting bij het Bagwo, p. 23.
TK 2012–2013, 32 398, nr. 24 (brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), p. 12, EK 2012–2013, F (Memorie van Toelichting), p. 17, 18, 24 en 28 en Nota van Toelichting bij het Bagwo, p. 10.