NJB 2022/2111:Doorbreking medisch beroepsgeheim met als doel de rechter inzicht te geven in de vraag of tijdens het begaan van het feit bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, art. 37a lid 6 t/m 9 Sr jo het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi: uiteenzetting kader door Hoge Raad, inclusief proportionaliteitsvereiste. In casu heeft het hof het toetsingskader niet miskent en kon het tot afwijzing komen van de vordering van de officier van justitie ingevolge art. 37a lid 7 Sr tot verlenen van machtiging voor het gebruik voor een rapport van gegevens die de multidisciplinaire commissie elders heeft verkregen over de weigerende observandus. De omstandigheden dat het ging om een verdenking van poging tot moord en het hof beschikte over rapporten die aanwijzingen bevatten dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, brengen niet noodzakelijk mee dat de verstrekking van medische gegevens gerechtvaardigd zou zijn. Procedure vordering art. 37a lid 7 Sr: mede omdat moet worden aangesloten bij de art. 21 t/m 25 Sv over behandeling door de raadkamer, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in art. 37a leden 6 t/m 9 Sr, vindt de behandeling van de vordering niet in het openbaar plaats en wordt de beschikking van het hof niet in het openbaar wordt uitgesproken. Termijn instellen cassatieberoep tegen een beschikking inzake art. 37a Sr: hoewel in de wet geen voorschrift is opgenomen over de termijn voor beroep door de verdachte, moet worden aangenomen dat de wetgever voor de verdachte niet van een andere termijn heeft willen uitgaan dan de termijn van veertien dagen die op grond van art. 446 lid 2 Sv geldt voor het openbaar ministerie. De termijn van veertien dagen voor de verdachte vangt aan na de in artikel 37a lid 8 Sr bedoelde schriftelijke mededeling van de beschikking van het hof aan de verdachte.