Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/13.3
13.3 De kwalificatie kerkgenootschap in jurisprudentie
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452793:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1, m.nt. Veegens (Scheuring Gereformeerde Kerk Houwerzijl). Hoewel de Hoge Raad het kerkgenootschap definieerde, stond in deze zaak de reikwijdte van de term kerkgenootschap niet ter discussie. Het ging in deze zaak om de vraag wanneer een deel van de gemeente zich mag afscheiden.
Pres. Rb. Groningen 27 juni 1990, KG 1990, 312; NJ 1991, 196 (Gereformeerde Kerk Boerakker).
Gerechtshof ‘s-Gravenhage6 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL0403 (Efraïm-genootschap). Overigens was het eindoordeel dat er geen sprake was van een kerkgenootschap omdat het genootschap naar buiten toe onvoldoende had doen blijken dat zij een kerkgenootschap wilde zijn.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1166, JOR 2013/165 (gemeente Bronkhorst v Federatief Joods Nederland).
Zie ook 2.2.4.
HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173, m.nt. Van Veen (Satanskerk), r.o. 3.
HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173, m.nt. Van Veen (Satanskerk), r.o. 5.
De Kamer van Koophandel besluit na een bezwaarprocedure dat er voor een weigering om de kerk van het vliegend spaghettimonster in te schrijven ‘onvoldoende solide civielrechtelijke basis is’. Zie ook 2.2.4 en 14.4.
Zie Van der Ploeg, NTKR 2010-4, p. 114-115; Landman 1992, p. 69.
Enkele bekende uitzonderingen zijn de Satanskerk, de Santo Daime kerk, de rokerskerk (zie paragraaf 14.4) en ten aanzien van het belastingrecht de Scientology-kerk en enkele andere exotische kerken (zie hoofdstuk 15 over belastingrecht). Zie hierover ook Pel 2013, p. 194.
Pel 2013, p. 82.
EHRM 26 september 1996, nr. 18748/91 (Manoussakis v Griekenland); EHRM 14 december 1999, nr. 38178/97 (Serif v Griekenland). Zie hierover Broeksteeg, NTM/NJCM-Bulletin 2014/33. Zie ook: Venice Commission (adviescommissie van de Raad van Europa) 2014, par. 26. Zie ook Van Kooten 2014.
EHRM 31 juli 2008, nr. 40825/98 (Religionsgemeinschaft der Zeugen Jehova’s v Austria).
EHRM 5 oktober 2006, nr. 72881/01 (Moscow Branch of the Salvation Army v Russia).
EHRM 1 oktober 2009, nr. 76836/01 en 32782/03 (Kimlya v Rusland).
Zie in dit verband ook EHRM 22 november 2010, nr. 302/02 (Jehovah’s Witnesses of Moscow v Russia).
EHRM 8 april 2014, nr. 70945/11, NTM/NJCM-Bulletin 2014/33, par. 90.
Om op grond van die erkenning in aanmerking te komen voor de bestaande privileges en (voor)rechten, etc.
Zie ook: Venice Commission 2014, par. 2. De commissie stelt over het definiëren van de godsdienst of levensovertuigingen van ‘religious or belief communities door de staat’: ‘The terms “religion” and “belief” are to be broadly construed. A starting point for defining the application of freedom of religion or belief must be the self-definition of religion or belief, though of course the authorities have a certain competence to apply some objective, formal criteria to determine if indeed these terms are applicable to the specific case. There is a great diversity of religions and beliefs. The freedom of religion or belief is therefore not limited in its application to traditional religions and beliefs or to religions and beliefs with institutional characteristics or practices analogous to those traditional views. The freedom of religion or belief protects theistic, non-theistic and atheistic beliefs, as well as the right not to profess any religion or belief.’
In het arrest Gereformeerde Kerk Houwerzijl1 gaf de Hoge Raad voor het eerst een interpretatie van de term kerkgenootschap: ‘een kerkgenootschap stelt zich de gemeenschappelijke godsverering van haar leden, op grondslag van gemeenschappelijke opvattingen ten doel’. Zoals besproken in de vorige paragraaf lijkt de minister het voor de kwalificatie als kerkgenootschap minder noodzakelijk te achten dat het religieuze karakter van een gemeenschap zich openbaart in godsverering. In de rechtspraak wordt gemeenschappelijke godsverering echter, vooralsnog, als een belangrijk element van het kerkgenootschap beschouwd. Zo oordeelde de Rechtbank Groningen in 1990 in het vonnis Boerakker dat er sprake is van een kerkgenootschap wanneer het een organisatie betreft:
‘welke zich de gemeenschappelijke godsverering van de aangeslotenen op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt en welke als zelfstandig kerkgenootschap wil gelden.’2
Dezelfde formule wordt gehanteerd door het Gerechtshof Den Haag dat in 2009 ten aanzien van het Efraïm-genootschap overwoog dat dit is aan te merken als ‘een organisatie van aangeslotenen, welke zich de gemeenschappelijke godsverering op grondslag van godsdienstige opvattingen ten doel stelt.’3 Ten slotte is ook de definitie van het Gerechtshof Arnhem in 2013 ten aanzien van een zaak met betrekking tot de organisatie ‘Federatief Joods Nederland’ hiermee in lijn wanneer dit hof een kerkgenootschap omschrijft als:
‘(…) een organisatie van aangeslotenen die zich de gemeenschappelijke godsverering van de aangeslotenen op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt en die als zelfstandig kerkgenootschap wil gelden.’4
Ten aanzien van het element van de gemeenschappelijke godsverering is in het arrest Satanskerk5 uitgemaakt dat de voorwaarde geldt dat, wil de organisatie voor de status van kerkgenootschap in aanmerking komen, het daadwerkelijk om godsdienst moet gaan. In het arrest Satanskerk ontbrak het aan deze voorwaarde (het ging hier om seksuele activiteiten van een seksclub) op grond waarvan het hof (en bekrachtigd door de Hoge Raad) tot het oordeel kwam dat er geen sprake was van (een zelfstandig onderdeel van) een kerkgenootschap:
‘Het hof heeft uit de door de Staat overgelegde processen-verbaal van politie afgeleid dat de activiteiten van Sint Walburga zich niet onderscheiden van die van een gewone sexclub en dat noch bij de betalende bezoekers noch bij de door Sint Walburga als “zusters” aangeduide optredende vrouwen enigerlei religieuze ervaring is waar te nemen (…).’6
Voor wat betreft de logische vervolgvraag die uit deze voorwaarde volgt, namelijk wanneer er sprake is van godsdienst in de zin dat daarop de wettelijke term van kerkgenootschap van toepassing is, stelde het gerechtshof dat:
‘(…) gezien de huidige multiculturele samenleving van ons land en de in artikel 6 Grondwet en diverse internationale verdragen verankerde gelijkheid van alle godsdiensten tegenover de Staat ook aan aanhangers van andere dan de christelijke en joodse godsdienst het recht toekomt zich op voormeld artikel [artikel 2:2 BW] te beroepen.’7
We kunnen hieruit afleiden dat in de wetgeving en in de nationale jurisprudentie die de wetgeving uitlegt het begrip kerkgenootschap niet (meer) beperkt is tot de christelijke en joodse godsdienst, maar dat ook de instituties van andere godsdiensten zich in principe hieronder kunnen scharen. Men zou kunnen stellen dat er sprake is van een verdere subjectivering van het begrip kerkgenootschap. Ook de ‘erkenning’ van de kerk van het vliegend spaghettimonster door de Kamer van Koophandel wijst op een verdere subjectivering van het begrip kerkgenootschap.8
De subjectiverende trend past binnen het perspectief van het accommodationisme. In tegenstelling tot de parlementaire geschiedenis is deze subjectivering in de jurisprudentie vooralsnog niet zo sterk dat ook het element van gemeenschappelijke godsverering als een te exclusieve eis wordt opgevat. Overigens geldt dat nieuwe religieuze gemeenschappen slechts in geringe mate een beroep doen op artikel 2:2 BW.9 Vanuit onbekendheid met het Nederlandse rechtssysteem of vanuit principiële bezwaren tegen de term ‘kerk’genootschap laten veel nieuwe religieuze gemeenschappen, met name islamitische groepsverbanden, zich registreren als vereniging of stichting.10
In de EHRM-jurisprudentie wordt gesproken over ‘churches and religious communities’. Beide organisatievormen kunnen in gelijke mate aanspraak maken op de godsdienstvrijheid opgenomen in artikel 9 EVRM.11 Net als in de nationale jurisprudentie wordt ook in de EHRM-jurisprudentie geen theologische definitie gegeven van het begrip kerkgenootschap of religieuze gemeenschap. Een kerkgenootschap of religieuze gemeenschap is niet primair verbonden met de christelijke en joodse traditie maar kan gezien de systematiek van het recht, waarin de gelijkheid van verschillende godsdiensten is vastgelegd, ook betrekking hebben op aanhangers van andere religies. Volgens het EHRM mogen verdragsstaten in het kader van de erkenning (of oprichting) van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen niet inhoudelijk, op dogmatische gronden, bepalen wat een kerkgenootschap of een religieuze gemeenschap juridisch gezien is, maar mogen ze enkel formele (procedurele) eisen stellen.12
Over het onderscheid tussen formele en inhoudelijke eisen zijn in het verleden wel de nodige vragen geweest omdat sommige formele eisen van zodanige aard waren dat ze een drempel opwierpen voor nog niet-erkende kerkgenootschappen of religieuze gemeenschappen. Het EHRM bepaalde daarom dat dergelijke eisen niet discriminatoir van aard mogen zijn en bovendien moeten zijn gebaseerd op ‘objectieve en redelijke’ gronden.13 Volgens het EHRM vallen eisen met betrekking tot het aantal oprichters, de nationaliteit van de leden, de hiërarchische relatie van het kerkgenootschap met buitenlandse kerkgenootschappen14 en de noodzaak van een langdurige verbondenheid met de regio,15 hier niet onder.16 In Magyar Keresztény Mennonita Egyház e.a. v Hongarije overweegt het EHRM dat definities van godsdiensten in het kader van de erkenning van een kerkgenootschap:
‘(…) have direct repercussions on the individual’s exercise of the right to freedom of religion, and are capable of restricting the latter if the individual’s activity is not recognised as a religious one. According to the position of the United Nations Human Rights Committee, such definitions cannot be construed to the detriment of non-traditional forms of religion – a view which the Court shares.’17
Uit deze overweging van het EHRM blijkt dat het EHRM vindt dat ook de aanhangers van niet-traditionele godsdiensten de mogelijkheid moeten kunnen hebben om door de staat als kerkgenootschap of religieuze gemeenschap te worden erkend.18 We kunnen de benadering van het EHRM op grond van bovenstaande overweging begrijpen als een subjectiverende wijze van kwalificeren die past binnen een accommodationistisch perspectief. Het EHRM schept ruimte voor aanhangers van verschillende godsdiensten – waaronder niet-traditionele – om een kerk of religieuze gemeenschap op te richten.19
Tegelijkertijd creëert de mogelijkheid die staten hebben om formele eisen op te stellen wel een objectief kader waardoor tot op zekere hoogte een objectiverende wijze van kwalificeren mogelijk is. Zoals blijkt uit de jurisprudentie van het EHRM kunnen deze op het oog formele eisen soms misbruikt worden vanuit, godsdienstig beschouwd, niet neutrale overwegingen. Overigens kan men in de definitie van het kerkgenootschap zoals die wordt gehanteerd in de nationale jurisprudentie ook formele eisen ontwaren: er moet sprake zijn van gemeenschap en gemeenschappelijke opvattingen etc., die het begrip kerkgenootschap in een bepaalde mate een objectief karakter geven. Deze formele eisen hebben echter geen betrekking op de inhoud van de godsdienst. Ten aanzien van de in de nationale jurisprudentie gehanteerde eis dat er sprake moet zijn van gemeenschappelijke godsverering kan men zich afvragen of deze de toets van het EHRM zal doorstaan. Niet-traditionele godsdiensten worden immers niet altijd gekenmerkt door gemeenschappelijke godsverering. In dat opzicht zou het EHRM weleens een nog subjectiever begrip van kerkgenootschap kunnen hebben dan de nationale rechter.