Omzetting van rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.1:2.1 Inleiding
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS495216:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1984/85, 17 725, nr. 7, zoals opgenomen in: Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1991, p. 184.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Per 1 januari 1992 trad de wet van 15 november 1989, Stb. 1989, 541, in werking geheten: ‘Invoeringswet Boeken 3, 5, en 6 nieuw BW (zesde gedeelte), bevattende aanpassing van de Boeken 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek.’ Deze wet heeft de tot die datum geldende omzettingsregeling van rechtspersonen ingrijpend veranderd. De wettelijke bepaling die de bevoegdheid geeft tot de omzetting, te weten art. 2:18 BW, maakt deel uit van algemene bepalingen van Boek 2 BW die zijn opgenomen in de eerste titel. In art. 2:18 lid 1 BW wordt het werkwoord ‘omzetten’ en het zelfstandige naamwoord ‘omzetting’ gebruikt. Anders dan een juridische fusie en splitsing van rechtspersonen is de omzetting van rechtspersonen niet in de wet gedefinieerd. Kort en bondig kan de omzetting worden omschreven als de rechtsvormwijzing van een rechtspersoon met behoud van rechtspersoonlijkheid. De wet kiest als uitgangspunt een rechtspersoon die ‘zich kan omzetten’ in een andere rechtsvorm. Het wederkerige werkwoord ‘zich omzetten’ heeft de wetgever bewust gekozen om zo expliciet tot uitdrukking te brengen dat het de rechtspersoon zélf is die tot de omzetting overgaat.1
Het hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2.2 breng ik het toepassingsbereik van de omzettingsregeling in kaart. Het gaat dan om de vraag welke rechtspersonen zich kunnen omzetten in welke andere rechtsvormen. Aan de relatie met de personenvennootschappen besteed ik afzonderlijk aandacht in paragraaf 2.3, waarbij ook aan bod komt het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel tot ‘Vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek’. In paragraaf 2.4 ga ik in op de verhouding tussen de leer van materiële kenmerken en de omzettingsregeling, die van belang is voor een goed begrip van de functie van de omzettingsregeling binnen Boek 2 BW. De motieven om tot een omzetting over te gaan bespreek ik, zij het niet limitatief, in paragraaf 2.5. De voor de met ingang van 1 januari geldende omzettingsregeling kenmerkende elementen, waarmee zij zich tevens wezenlijk onderscheidt van haar voorloper, zet ik uiteen in paragraaf 2.6. De drie constitutieve vereisten die gelden voor de totstandkoming van het gros van de omzettingen behandel ik in paragraaf 2.7. De omzettingsprocedure is echter omvangrijker vanwege allerlei aanvullende voorschriften afhankelijk van de concrete omzettingsvorm. Deze voorschriften, die met elkaar gemeen hebben dat zij de belangen beogen te beschermen van bij de omzetting betrokkenen, zoals aandeelhouders, leden en schuldeisers, bespreek ik in paragraaf 2.8. Of een grensoverschrijdende omzetting mogelijk is naar Nederlands civiel recht, stip ik slechts kort aan in paragraaf 2.9, omdat ik daarmee slechts een voorschot neem op hoofdstuk 9 dat specifiek daaraan is gewijd. Ik sluit het hoofdstuk af in paragraaf 2.10 met een samenvatting en conclusies.