Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.3
2.3 Personenvennootschappen
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS497633:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De regeling met betrekking tot personenvennootschappen is thans opgenomen in Titel 9 van Boek 7A BW (art. 7A:1655 tot en met 7A:1688) en in Titel 3 van Boek 1 Wetboek van Koophandel (art. 15 tot en met 34).
Zie A.L. Mohr, Van maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap, Deventer: Kluwer 1998, p. 273-275 en J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 229 e.v.
Zie J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer Tjeenk Willink 1997, p. 226 en p. 238.
M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Kluwer 2006, p. 152, M.J.G.C. Raaijmakers, Vennootschaps- en rechtspersonenrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer Gouda Quint 2000, p. 440, M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Reorganisaties van vennootschappen en rechtspersonen: omzetting, fusie en (af)splitsing’, WPNR 1997/6276, p. 437-433 en M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Omzetting tussen vennootschap en rechtspersoon’ in: Maijers belangstellingen (Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut), Deventer: Kluwer 1997, p. 51- 58. Zie ten slotte P.H.J. Essers & M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Omzetting van een personenvennootschap in een NV of BV en omgekeerd’, in: P.H.J. Essers e.a (red.), Verkenningen op de grens van burgerlijk recht en belastingrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 251.
De vennootschap heeft zich volgens M.J.G.C. Raaijmakers, Vennootschaps- en rechtspersonenrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Gouda Quint 2000, p. 126 e.v., als zelfstandig rechtsdrager van een onderneming ‘losgemaakt’ van haar leden’ die tot haar in een samenhangende rechtsbetrekking, aangeduid als lidmaatschap, staan. De vennootschap heeft als rechtsdrager haar eigen rechten en verplichtingen. In: Persoonsgebonden samenwerkingsvormen en de ‘onderneming’ in het privaatrecht (Personenvennootschap en ‘onderneming’, Schoordijk Instituut, Center for Law Company), Deventer: Tjeenk Willink 1999, p. 21, merkt Raaijmakers op dat ‘de openbare vennootschap reeds rechtspersoon is.’
Zie J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 15, die verwijst naar de publicaties van P. Scholten.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 61.
Vanaf de oprichting op grond van het voorgestelde art. 7:802 NBW dan wel gedurende de rit op grond van het voorgestelde art. 7:832 NBW. Overigens is het ook mogelijk om de rechtspersoonlijkheid op te geven, zie het voorgestelde art. 7:833 NBW.
Zie over de civielrechtelijke aspecten van deze omzettingen uitgebreid C.W. de Monchy, ‘Nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht’, TOR 2003, 4, p. 124-132. Zelf ben ik in ‘Fiscale gevolgen van de nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht (Titel 7.13 BW)’, MBB 2007, 7/8, p. 251- 263 ingegaan op de fiscale aspecten.
Dit was wel een optie: zie de notitie Vraagpunten en adviezen over titel 13 van Boek 7 inzake de personenvennootschappen (Vereniging Handelsrecht), 1998.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 61 en Kamerstukken II 2003/04, 28 746, nr. 5, p. 28.
Zie art. 7:802 lid 2 NBW. Een verwijzing naar art. 2:18 BW ontbreekt dus in titel 7.13 NBW.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 61, Kamerstukken II 2003/04, 28 746, nr. 5, p. 27 en Kamerstukken I 2005/06, 28 746, C, p. 19-20. Overigens kan de omzetting van een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een BV en omgekeerd wel worden getypeerd als ingrijpend; een rechterlijke machtiging is dan ook vereist. Zie over de ingrijpendheid van omzettingen en de daartoe nopende (aanvullende) bescherming van de betrokken belangen par. 2.8 hierna.
Kamerstukken I 2005/06, 28 746, C, p. 19-20.
Kamerstukken II 2003/04, 28 746, nr. 5, p. 27 en Kamerstukken I 2005/06, 28 746, C, p. 20.
Zie voor kritiek op de beperking tot de omzetting in een BV: M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Kluwer 2006, p. 152 en M.J.G.C. Raaijkmakers, ‘Reorganisaties van personenvennootschappen in het ontwerp Titel 7.13 NBW’, WPNR 2003/6254, p. 246-253.
Kamerstukken I 2005/06, 28 746, C, p. 20.
Kamerstukken II 2003/04, 28 746, nr. 5, p. 27.
Kamerstukken I 2006/07, 28 746, E, p. 5-6.
Kamertsukken II 2006/07, 31 058, nr. 1-5.
De heersende opvatting in de civielrechtelijke literatuur is dat naar huidig recht personenvennootschappen buiten het bestek vallen van de omzettingsregeling ex art. 2:18 BW.1 Mede debet hieraan is dat de personenvennootschappen naar huidig recht geen rechtspersoonlijkheid hebben, althans dat is de heersende opvatting.2 Dit niettegenstaande het feit dat het aan Boek 2 BW ten grondslag liggende zogenoemde ‘gesloten stelsel van rechtspersonen’ openhoudt dat óók zonder wettelijke bepaling tot rechtspersoonlijkheid kan worden geconcludeerd.3 Het gesloten karakter van dit stelsel houdt in dat niet uit vrije wil aan een rechtsvorm rechtspersoonlijkheid kan worden toegekend. Dit is voorbehouden aan de wetgever én de doctrine, maar beide kennen dus aan een personenvennootschap geen rechtspersoonlijkheid toe.
Raaijmakers heeft evenwel verdedigd dat een openbare vennootschap, in het bijzonder de vennootschap onder firma, zich op de voet van art. 2:18 BW kan omzetten in een BV (of NV) en omgekeerd.4 Volgens Raaijkmaakers zijn deze zelfstandig naar buiten optredende personenvennootschappen zelfstandig rechtsdrager en daarom ook rechtspersoon, hetgeen de poorten van art. 2:18 BW opent.5 De opvatting van Raaijmakers met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid van de openbare vennootschap is niet nieuw. In de literatuur is reeds in het begin van de 20e eeuw verdedigd dat deze vennootschappen rechtspersoon zijn.6 De regering wijst in het kader van het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel tot ‘Vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek’ de benadering van Raaijmakers echter van de hand.7 De ‘omzetting’ van een personenvennootschap in een BV omvat naar huidig recht dan ook juridisch drie handelingen, te weten (i) de ontbinding van de personenvennootschap, (ii) de oprichting van de BV en (iii) de inbreng van activa en passiva in de BV. Omgekeerd is sprake van een ontbinding van de BV en uitkering van het batig saldo aan de deelgerechtigden die vervolgens het saldo inbrengen in de personenvennootschap.
Hoewel de personenvennootschap naar huidig recht geen rechtspersoon is, voorziet het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel tot ‘Vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek’ in de mogelijkheid dat, indien de vennoten daarvoor kiezen, een openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid verwerft.8 Het wetsvoorstel strekt tot een fundamentele herziening van de regeling van personenvennootschappen. In het verlengde van een keuze voor rechtspersoonlijkheid opent het wetsvoorstel de mogelijkheid om een OVR om te zetten in een BV en omgekeerd.9 Van belang voor dit onderzoek is dat de voorgestelde omzetting van OVR in een BV en omgekeerd niet plaatsvindt op de voet van art. 2:18 BW.10 De omzettingsregeling van art. 2:18 BW blijft dus gereserveerd voor de in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen. Vanwege de overzichtelijkheid is in het wetsvoorstel ervoor gekozen om de omzetting van, en in, een openbare vennootschap zelfstandig te regelen in titel 7.13 NBW.11 Art. 7:834 NBW ziet op de omzetting van een OVR in een BV en art. 7:835 NBW ziet op de spiegelbeeldige omzetting. In het algemeen geldt overigens dat Titel 1 van Boek 2 slechts van toepassing is op de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid voor zover titel 7.13 NBW daarnaar verwijst.12 Hoewel separaat geregeld, is bij de formulering van de nieuwe omzettingsvarianten inspiratie geput en aansluiting gezocht bij art. 2:18 BW en de aanvullende regelingen in art. 2:183 BW.13
In het wetsvoorstel is volstaan met een regeling voor de omzetting van een OVR in een BV en omgekeerd. Dit omdat de BV veelal – evenals een openbare vennootschap – een persoonsgebonden karakter heeft.14 De OVR kan zich dus niet direct omzetten in een elke andere gewenste rechtsvorm uit Boek 2 BW, bijvoorbeeld in een NV. Op een indirecte wijze is dat wel mogelijk. In dit verband wordt in de toelichting op het wetsvoorstel nadrukkelijk een koppeling gemaakt met de omzettingsmogelijkheden die openstaan voor een BV op de voet van art. 2:18 BW.15 Zo kan een omzetting van een OVR in een NV worden bewerkstelligd door de OVR éérst op de voet van art. 7: 834 NBW om te zetten in een BV en daarna de BV in een NV op de voet van art. 2:18 BW jo. 2:72 BW. Aan een directe omzetting in een andere rechtspersoon is volgens de toelichting op het wetsvoorstel geen enkele praktische behoefte.16 Dat is overigens nog maar de vraag omdat voor een ‘vervolgomzetting’ in elk geval opnieuw een notariële omzettingsakte dient te worden opgemaakt.17 Daarnaast zou het volgens de toelichting op het wetsvoorstel een uitvoerige regeling vergen die de wetgeving onnodig zou belasten.18 Wél heeft de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer aangegeven dat als in een later stadium toch behoefte blijkt te bestaan aan ruimere omzettingsmogelijkheden, daaraan alsnog aandacht kan worden besteed.19 Naar aanleiding van vragen vanuit de Eerste Kamer heeft de minister uiteindelijk toegezegd dat hij in het kader van de flexibilisering van het BV-recht zal ‘onderzoeken of de omzettingsmogelijkheid kan worden geopend tot omzetting van een OVR in een NV met aandelen op naam.’20 Het thans bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel tot ‘Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regeling voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid’ (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht) bevat daartoe (vooralsnog) geen voorstel.21