Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/8.3
8.3 Tweestrijd
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392117:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen en HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 m.nt. Van Kempen
Zie bijvoorbeeld diverse veroordelingen van mensenhandel op basis van sub 4 in zaken waarbij door middel van misleiding dan wel misbruik van omstandigheden anderen zijn bewogen tot het laten afsluiten van telefoonabonnementen: Hof Arnhem 10 juni 2011, nr. 21-004189-10 (niet gepubliceerd), destijds nog door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 29 januari 2013, nr. S11/02828 (niet gepubliceerd), Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen), Rb Haarlem 8 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO8985 (Telefoonabonnementen I) en Rb Dordrecht 20 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM1743 (Babbeltruc) vrijspraak voor de slachtoffers waarbij sprake zou zijn van misbruik, maar veroordeling ter zake van het slachtoffer dat door bedreiging is aangezet tot het afsluiten van een telefoonabonnement. Deze zaken zouden na de uitspraak van de Hoge Raad op 24 november 2015 mogelijk niet zo snel tot een veroordeling hebben geleid. Zie voorts de veroordeling met betrekking tot sub 3 van het Hof Den Bosch 4 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2928 waarin verdachte een prostituee van Roemenië naar Nederland heeft vervoerd. Gecasseerd door de Hoge Raad bij arrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2928 vanwege een striktere interpretatie.
Zie bijvoorbeeld de veroordelingen door Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL: RBMNE:2013:2679, Rb Gelderland 21 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8040, Rb Midden-Nederland 28 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5642 en Rb Den Haag 30 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7262.
In de inleiding van dit boek is reeds gewezen op de tweestrijd tussen enerzijds de wenselijkheid van het bestrijden van mensenhandel en uitbuiting en anderzijds de onwenselijkheid van de strafbaarstelling van acceptabele arbeidsomstandigheden. Het huidige artikel 273f Sr onderkent dit dilemma niet optimaal. De delictsomschrijving is in ieder geval tekstueel zo ruim van opzet dat daardoor aanvaardbare werksituaties lijken te worden gecriminaliseerd. De Hoge Raad komt met zijn striktere interpretatie van de subleden 3 en 4 in zijn arresten van 24 november 2015 en 17 mei 2016 zeker tegemoet aan de bezwaren van de brede bepaling.1 Vóór deze uitspraken, hebben in de praktijk veroordelingen plaatsgevonden voor zaken die wat ernst betreft geen recht deden aan de kwalificatie mensenhandel.2 Binnen het ruim geformuleerde sublid 9 is het evenwel nog steeds mogelijk iemand te straffen die voordeel behaalt uit de seksuele dienstverlening van een ander, ook al geschiedt die dienstverlening vrijwillig. Het spreekt voor zich dat deze gedraging niet thuishoort onder de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid met een strafbedreiging van 12 jaar gevangenisstraf. Tot slot maakt de huidige wettekst niet duidelijk wat precies moet worden verstaan onder uitbuiting. In de jurisprudentie is het enkele aanzetten van minderjarigen tot eenmalige diefstallen meermaals aangemerkt als uitbuiting. Afgevraagd kan worden of deze gedraging wat ernst betreft onder artikel 273f Sr behoort.3
De ruime strafbepaling – ook al is het deels slechts tekstueel en niet materieel – geeft een verkeerd signaal aan daders, slachtoffer, maar ook medewerkers van politie, justitie en hulporganisaties over wat mensenhandel is. Het kan voorts een belemmering vormen op het gebied van migratie, (internationale) samenwerking en de economische handel. De potentiële reikwijdte van de strafbepaling kan ertoe leiden dat legale arbeidsmigranten geen werk wordt aangeboden uit angst voor vervolging of dat niet wordt samengewerkt met andere (derde) landen omdat wordt gevreesd voor een veroordeling van mensenhandel.
De weergegeven wetsvoorstellen in dit onderzoek perken de reikwijdte van de strafbaarstelling in en bieden helderheid. De voorstellen houden dan ook beter rekening met voornoemde tweestrijd. De exploitant en de profiteur worden geschrapt uit de delictsbepaling, alleen de uitbuiter is strafbaar. En uitbuiting wordt gedefinieerd en nader ingeperkt. Nog steeds bergt de strafbaarstelling van uitbuiting een zeker risico in zich. Het criminaliseren van mutually advantageous exploitation kan namelijk met zich brengen dat een migrant die graag bereid is tijdelijk onder slechte arbeidsomstandigheden aan het werk te gaan (een korte periode akkoord gaat met een uitbuitingssituatie) – om op die manier ergens anders een bestaan op te bouwen – door de strafbaarstelling helemaal geen werk krijgt aangeboden (en dus ook niet in staat wordt gesteld ergens anders iets op te bouwen). Gelet op de regulerende beginselen van het strafrecht, maar ook vanuit economisch perspectief, zou de overheid zo min mogelijk strafrechtelijke hindernissen moeten opwerpen tegen het handelsverkeer en de internationale samenwerking tussen mensen en de (legale) arbeidsmigratie van mensen. De keerzijde van het straffeloos laten van mutually advantageous exploitation kwam hiervoor evenwel aan de orde. Niet straffen zou in strijd zijn met internationale verplichtingen en zou mogelijk ook slachtoffers van harmful exploitation in de kou laten staan. Zoals reeds geconcludeerd is de grens tussen de twee vormen van uitbuiting niet steeds goed te maken. En aangezien het slachtoffer van uitbuiting lang niet altijd zelfstandig voor zijn rechten op zal komen, kan door middel van het strafrecht dan toch worden ingegrepen. Met name ten aanzien van de ‘wederzijds voordelige uitbuiting’ dient de rechter evenwel extra zorgvuldig te motiveren. In de voorgestelde definitie van uitbuiting gaat het niet slechts om misbruik, maar om excessief misbruik van omstandigheden (waardoor een ander wordt gebracht of gehouden tot arbeid of diensten voor het behalen van voordeel ten koste van die ander). Het excessieve karakter zorgt ervoor dat niet iedere onwenselijke arbeidsomstandigheid of elke vorm van illegale arbeidsmigratie onder de strafbaarstelling van mensenhandel of uitbuiting valt. Het werpt een extra bewijsdrempel op. Ongewenste praktijken die geen uitbuiting betreffen, dienen niet langer via artikel 273f Sr te worden aangepakt. Eventueel kan daarvoor worden uitgeweken naar andere passender strafbaarstellingen of het arbeidsrecht. Het Openbaar Ministerie en de rechtsprekende macht dienen zich steeds bewust te zijn van de tweestrijd tussen de aanpak van uitbuiting en het voorkomen van het opwerpen van drempels ten aanzien van acceptabele arbeidsomstandigheden. Vooral bij de minder evidente gevallen van uitbuiting – waarin dwang, bedreiging, misleiding of misbruik van onmacht niet aan de orde zijn – dient helder uiteengezet te worden, waarom wél sprake is van het buitensporig misbruik van een ander. Op die manier blijft de strafbaarstelling van mensenhandel en uitbuiting beperkt tot waar het in essentie vooral om gaat: een ernstig misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid.