Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.6.3.5
III.6.3.5 Medeplegen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460241:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In een zaak over strijd met art. 30 van de Huisvestingswet: ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2386, AB 2015/301, m.nt. Jansen. Een recent voorbeeld: ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2429, AB 2018/405, m.nt. Stijnen.
De wetgever geeft ABRvS (vz.) 31 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5836, AB 1999/45, m.nt. Knijff (Givaudan) als voorbeeld, dit is echter onjuist: in die casus was er geen sprake van medeplegen, maar waren er volgens de bestuursrechter meerdere overtreders. Of het juist is dat er in die zaak meerdere overtreders waren, kan overigens worden betwijfeld, zie de kritische noot van Knijff bij genoemde uitspraak. In het milieustrafrecht wordt medeplegen echter regelmatig gebruikt voor het sanctioneren van medeplegende rechtspersonen. Zie voor verschillende voorbeelden Blomberg & Koopmans 2015. Een recent voorbeeld uit het milieustrafrecht betreft de uitspraak van Rb, Oost-Brabant 28 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2548, M&R 2018/89, m.nt. Velthuis.
ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2639, M&R2020/13, m.nt. van ’t Lam, r.o. 3.4-3.7.
Nu [appellante] niet als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt, heeft het college zich echter ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellante] mede-overtreder van artikel 2.1, onder 2l, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is.” ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2639, M&R2020/13, m.nt. van ’t Lam, r.o. 3.7.
CBb 29 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:395, JBO 2014/225.
CBb 29 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:395, JBO 2014/225, r.o. 3.5.3.
De Afdeling past de strafrechtelijke toets voor medeplegen sinds enige jaren toe.1 Er zijn mij echter geen uitspraken van de Afdeling bekend waarin leidinggevenden worden aangesproken als medepleger van een milieuovertreding.2
De Afdeling heeft recentelijk wel een mede-eigenares van een nertsenfokkerij aangesproken als ‘mede-overtreder’ van een zorgplichtbepaling die geldt voor inrichtingen.3 Het terrein was verontreinigd met onder meer autowrakken en asbest. Het is niet helemaal duidelijk welke aansprakelijkheidsfiguur de Afdeling bedoelt met ‘mede-overtreder’; de strafrechtelijke vereisten voor medeplegen zijn in ieder geval niet te herkennen in de motivering. Zoals de Afdeling ook zelf constateert, geldt de zorgplichtbepaling voor eenieder. Het had daarom ook meer voor de hand gelegen om de mede-eigenares (die zelf normadressaat is van de zorgplicht) simpelweg op grond van plegen aan te merken als overtreder.
Een andere eigenaardigheid van deze uitspraak is dat de mede-eigenares volgens de afdeling niet als ‘mede-overtreder’ kon worden gesanctioneerd voor de overtreding van een bepaling die alleen tot de ‘drijver van de inrichting’ is geadresseerd (artikel 2.1, onder 2l Abm). Als de Afdeling wél medeplegen voor ogen had, dan miskent zij hiermee dat voor overtrederschap op grond van medeplegen niet is vereist dat de mede-eigenares normadressaat is. Met andere woorden: ook een niet-drijver kan een bepaling die is geadresseerd aan de drijver medeplegen schenden.4
Dat er weinig leidinggevenden zijn aangesproken als medepleger in het milieubestuursrecht, komt waarschijnlijk doordat andere overtrederschapsvormen meer voor de hand liggen. Inrichtinggerelateerde normen en veel andere milieunormen zijn immers (ook) aan leidinggevenden gericht, waardoor zij als pleger kunnen worden aangesproken. Mocht er toch moeten worden uitgeweken naar een deelnemingsvorm, dan ligt de aansprakelijkheidsfiguur ‘feitelijk leidinggeven’ meer voor de hand.
Toch zijn er ook situaties waarin medeplegen meerwaarde heeft ten opzichte van de andere deelnemingsvormen. Dit is bijvoorbeeld de aangewezen overtrederschapsvorm wanneer een leidinggevende samen met een ander een overtreding begaat die zich niet afspeelt binnen de sfeer van de rechtspersoon (de rechtspersoon is dan geen overtreder dus valt feitelijk leidinggeven af ), en waarbij de leidinggevende functionaris niet zelf alle objectieve bestanddelen vervult (waardoor hij niet als functioneel pleger kan worden aangemerkt). Medeplegen kan ook uitkomst bieden in gevallen waarin de aangesprokene een overtreding begaat met een niet-ondergeschikte, zoals iemand buiten de onderneming: de voor feitelijk leidinggeven kenmerkende hiërarchische structuur ten aanzien van de verboden gedraging ontbreekt dan.
In het strafrechtelijke hoofdstuk geef ik een uitvoeriger overzicht van situaties waarin medeplegen meerwaarde kan hebben voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, ten opzichte van andere aansprakelijkheidsfiguren. Voor nadere toelichting met verwijzingen verwijs ik kortheidshalve naar par. II.6. Hierna geef ik nog wel een milieubestuursrechtelijk voorbeeld om de toepassing van de deelnemingsfiguur medeplegen bij een leidinggevende te illustreren.
In de CBb-uitspraak van 29 oktober 2014 deed zich het volgende voor:5 een moeder (appellante 3) en zoon (appellante 1) exploiteren samen een mesthandel, zij hebben in strijd met de Meststoffenwet verschillende gebruiksnormen overschreden en geen goede administratie bijgehouden. Aan zowel de betrokken rechtspersonen, als aan de betrokken natuurlijke personen (moeder en zoon) zijn boetes opgelegd. De moeder wordt aansprakelijk gesteld voor met een door haar opgericht mestbedrijf medeplegen van een overtreding van de Meststoffenwet. Het College motiveert dat als volgt:6
“Vast staat dat Mesthandel [naam 5] B.V., sinds 11 december 2009 [naam 2] Holding B.V., is opgericht door appellante 3 ten behoeve van de handel in mest. Appellante 3 was in 2009 bestuurder van Mesthandel [naam 5] B.V.. De handel in mest bestond uit het aanbieden en afleveren van mest aan afnemers dan wel het huren van opslagen en in de nabijheid gelegen percelen waarop grote hoeveelheden mest werden uitgereden. Appellante 3 controleerde onder meer alle facturen. Daarnaast regelde appellante 3 in 2009 alle betalingen, onder meer voor het transport, het bewerken en het bemesten van de grond en het huren van de grond en de opslagen. Uit dit feitencomplex kan worden afgeleid dat appellante 3 wist hoeveel mest werd aangevoerd en afgevoerd en hoeveel mest werd uitgereden op gronden behorende tot het bedrijf. Voorts blijkt uit dit feitencomplex dat appellante 3 bewust en nauw samengewerkt heeft met Mesthandel [naam 5] B.V. in het kader van de handel in mest en een belangrijke rol had bij het plegen van de overtreding. Voor het aannemen van medeplegerschap is dat voldoende. Niet vereist is dat appellante 3 alle (uitvoerings)handelingen heeft verricht waarmee de overtreding is begaan. Het College is dan ook, met de rechtbank, van oordeel dat appellante 3 terecht als medepleger is beschouwd zodat op goede gronden een boete is opgelegd wegens het overtreden van het in artikel 7 van de Msw neergelegde verbod.” [cursivering en toevoeging TRB]