De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/8.2.2:8.2.2 Toezicht op de administratie en boekhouding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/8.2.2
8.2.2 Toezicht op de administratie en boekhouding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386143:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 1996, JOR 1996/85 (Bodam Jachtservice).
Zie Rechtbank Midden-Nederland, 19 juni 2013, RO 2013/65 (Landis) waarin wordt verwezen naar HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Sarper).
HR 28 juni 1996, JOR 1996/85 (Bodam Jachtservice).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een algemene bepaling in Boek 2 BW is geregeld dat het bestuur van iedere rechtspersoon verplicht is van de vermogenstoestand van de rechtspersoon een deugdelijke administratie te voeren (artikel 2:10 BW). Meer precies moet sprake zijn van een zodanige wijze van administratie dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon (zoals de fiscale verplichtingen) kunnen worden gekend. Het bestuur moet ieder jaar binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en staat van baten en lasten opmaken en op papier stellen.
Uit eerder genoemde rechtspraak volgt dat commissarissen (hetzelfde kan worden gezegd over leden van een raad van toezicht) niet zelf gehouden zijn tot naleving van de administratieplicht en publicatieplicht van artikel 2:394 BW, ook niet als het bestuur daarin tekort schiet, maar dat het wel hun taak is om op de nakoming van deze verplichtingen door het bestuur toezicht te houden (zie ook paragraaf 5.5.4).1
Bovendien volgt uit rechtspraak in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW, waarbij artikel 2:10 BW een belangrijke rol speelt, dat als maatstaf voor de administratie- en boekhoudplicht van artikel 2:10 BW gehanteerd wordt dat de administratie zodanig moet zijn dat snel inzicht kan worden verkregen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment. De debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten moeten, gelet op de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie van de onderneming.2 Als er een raad van toezicht is ingesteld (verplicht of vrijwillig) is een belangrijk onderdeel van zijn taak om toe te zien op de nakoming van de boekhoudplicht. Uit de rechtspraak volgt dat de raad van toezicht informatie over de boekhouding actief dient op te vragen en dat de raad, zo nodig, dient in te grijpen als de boekhoudplicht niet voldoende wordt nagekomen.3
Het voeren van een zorgvuldige administratie vormt een belangrijk element voor een deugdelijke financiële verantwoording en daarmee ook voor goed toezicht.