Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.1.2
I.1.2 Beginselen voor rechtspraak
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie: J.M. Polak, 'Algemene beginselen van behoorlijke rechtspraak', NJB 1968, p. 417-422. Daarna: R.J.G.M. Widdershoven, Gespecialiseerde rechtsgangen in het administratieve recht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989; B.W.N. de Waard, Beginselen van behoorlijke rechtspleging met name in het administratief procesrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987; P.F. van der Heijden, Een eerlijk proces in het sociaal recht?, Deventer: Kluwer 1984, p. 17-30 (hfst. 2); E.M.H. Hirsch Ballin, Het grondrecht op behoorlijke rechtspraak in het Nederlandse Administratieve recht (Handelingen NJV, 1983 deel I tweede stuk); P. van Dijk, De op Nederland rustende internationale verplichtingen ter zake van behoorlijke rechtspraak (Handelingen NJV, 1983 deel I eerste stuk); A.G. van Galen & H.Th.J.F. van Maarseveen, Beginselen van administratief procesrecht (preadvies VAR), Alphen aan den Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1978; H. Th.J.F. van Maarseveen & H. Stout, 'Algemene beginselen van behoorlijke rechtspraak', NJB 1979, p. 193-200; J.M. Polak, Vormen en beginselen van rechtspraak in het algemeen (preadvies Vereniging voor Bouwrecht), Deventer: Kluwer 1976.
Polak 1968, p. 421 e.v. Hij gaf destijds aan dat het mogelijk was de beginselen te formuleren, maar dat de ontwikkeling van die beginselen zich nog maar in de aanvangsfase bevond.
Zie bijvoorbeeld: A.M.L. Jansen, Constitutionalisering van het bestuursprocesrecht (preadvies NVR), Deventer: Kluwer 2004; Widdershoven 1989; De Waard 1987; Hirsch Ballin 1983.
Zie bijvoorbeeld de preadviezen voor de NJV in 1983 van Hirsch Ballin en Van Dijk genoemd in de noot hiervoor. En een kleine greep uit recentere bijdragen: Jansen 2004; H.J. Simon, 'Het EVRM en de bestuurlijke besluitvorming (deel II)', JB-plus 2004, p. 2-14; H.J. Simon, 'Het EVRM en de bestuurlijke besluitvorming (deel JB-plus 2003 (hierna: Simon 2003a), p. 170-181; A.F.M. Brenninkmeijer, 'Algemene beginselen van behoorlijke geschillenbeslechting', in: M.V. Polak (red.), Geschillenbeslechting naar behoren. Algemene beginselen van behoorlijke geschillenbeslechting in traditionele en alternatieve procesvormen, Kluwer: Deventer 1998, 13; E.A. Alkema, 'Bestuursrecht en EVRM- Awb en artikel 6', NTB 1996.
Op de redelijke termijn-eis uit artikel 6 EVRM wordt in de procedure voor de bestuursrechter in elk geval veelvuldig een beroep gedaan. Zie recent bijvoorbeeld: AbRvS 4 maart 2009, JB 2009/82 m.nt. red; AB 2009/236 m.nt. Barkhuysen & Den Ouden; CRvB 26 januari 2009, JB 2009/66 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik; AB 2009/241 m.nt A.M.L. Jansen; AbRvS 4 juni 2008, AB 2008/229 m.nt. Widdershoven; JB 2008/146 m.nt. Jansen; USZ 2008/211 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik; CRvB 11 juli 2008, JB 2008/172 m.nt. AMLJ; AB 2008/241 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven; USZ 2008/238 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik. Voor meer voorbeelden zie: A.M.L. Jansen & D.W.M. Wenders, 'Unificerende werking via de redelijke termijn of een kroniek van de redelijke termijn', NJCM-Bulletin 2006, p. 1091 e.v. De andere vereisten uit artikel 6 EVRM komen echter ook regelmatig aan bod, zie voor voorbeelden par. 4.3.3 t/m 4.3.9.
Zie: De Waard 1987; Van Maarseveen & Stout 1979; Van Galen en Van Maarseveen 1978; Polak 1976.
In hfst. 4 wordt nog nader ingegaan op de te onderscheiden beginselen van behoorlijke rechtspraak.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 576-577; Stroink 2004a, p. 26-27; F.A.M. Stroink, Rechterlijke organisatie enrechtspraak in beweging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 66; Widdershoven 1989, p. 113114; De Waard 1987, p. 127-128.
Op de afzonderlijke beginselen en eisen en de vraag in hoeverre sprake is van een beginsel van behoorlijke rechtspleging wordt in paragraaf 4.3 van hoofdstuk 4 nader ingegaan.
In dit onderzoek worden de termen beginselen van behoorlijke rechtspraak, behoorlijkheidsnormen en behoorlijkheidsbeginselen als uitwisselbaar beschouwd en aan het gebruik van de ene of andere term liggen uitsluitend terminologische overwegingen ten grondslag. Voor zover deze termen worden gebruikt, worden daarmee uitsluitend rechtsnormen bedoeld die bij schending leiden tot een rechtmatigheidsgebrek. De behoorlijkheidsnormen zoals die door de Nationale ombudsman worden gehanteerd vallen — voor zover deze uiteenlopen — daarmee buiten het bestek van dit onderzoek.
Widdershoven 1989, p. 13-35; De Waard 1987, 11-55 (hfst. 1). Zie bijvoorbeeld ook: R.M.P.G. NiessenCobben, Behoorlijk fiscaal procesrecht, Arnhem: Gouda Quint BV 1995, p. 62-72; Van der Heijden 1984, p. 1730 (hfst. 2).
Widdershoven 1989, p. 6-7 en hfst. Al, A3 en Deel B.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 537; Brenninkmeijer 1987, p. 4. Zie hierover nader par. 2.1.
Vgl. Widdershoven 1989, p. 15; De Waard 1987, p. 11.
Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 15druk bewerkt door D.J. Elzinga en R. de Lange, Deventer: Kluwer 2006, p. 600; Van Wijk/Konijnenbelt &Van Male 2008, p. 537; Widdershoven 1989, p. 19; De Waard 1987, p. 11; Polak 1976, p. 6.
Wel is het zo dat, hierop kom ik in par. 2.1 nog terug, er in de doctrine duidelijk aangegeven wordt dat het hier gaat om randverschijnselen en geen echte rechtspraak. De doctrine worstelt, zoals Polak opmerkt, met dit soort handelingen van de rechter in verhouding tot het rechtspraakbegrip, Polak 1976, p. 6.
Polak 1976, p. 6; H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Zwolle: Kluwer 2007, p. 6.
Vgl. Polak: 1976, p. 6. Polak wijst er juist op dat we voor een dergelijke dogmatische benadering moeten oppassen.
Zie hoofdstuk 1 van zijn dissertatie, De Waard 1987, p. 11-55.
Widdershoven 1989, p. 111. Zie De Waard 1987, p. 8-9.
De Waard 1897, p. 9.
Echter ook in De Waards visie voldoen het administratief beroep en procedures bij het bestuur niet aan alle elementen van het begrip rechtspraak. Wel gaat hij ervan uit dat vanwege de gelijkenissen met rechtspraak (in aantal beperkte) gemeenschappelijke behoorlijkheidsnormen gelden, De Waard 1987, p. 55.
Bijvoorbeeld: Van der Heijden 1984, p. 23. Duynstee 1974, p. 48-50; Polak 1976, p. 5-6.
Widdershoven 1989, p. 20.
Vgl. Widdershoven 1989, p. 20. Widdershoven wijst er terecht op dat in de formele benadering onafhankelijkheid het doorslaggevende criterium om van rechtspraak te kunnen spreken vormt, maar daarnaast ook als behoorlijkheidseis geldt. Het onderscheid tussen de materiële en formele benadering schuilt echter in de omstandigheid dat in de materiële benadering onafhankelijkheid juist geen criterium voor rechtspraak vormt. Op de omstandigheid dat de formele benadering aan de onafhankelijkheidseis min of meer een dubbele rol toekent, kom ik in par. 2.2 nader terug.
De beginselen van behoorlijke rechtspraak vormen een onderwerp dat met name sinds halverwege de jaren '60 van de vorige eeuw in de belangstelling staat van de doctrine.1 J.M. Polak heeft in 1968 de eerste aanzet gegeven tot het formuleren en opsporen van deze beginselen.2 Sindsdien hebben verschillende auteurs zich over het onderwerp gebogen, ook specifiek met het oog op de betekenis van die beginselen in het bestuursrecht.3 De laatste jaren is aan eisen van behoorlijke rechtspraak, vooral vanwege de invloed van artikel 6 EVRM, in het bestuursrecht meer aandacht besteed.4 Deze eisen komen ook regelmatig aan de orde in de jurisprudentie van de bestuursrechter, met name in het kader van een beroep op artikel 6 EVRM.5
De reeds verrichte onderzoeken hebben zich voornamelijk gericht op het opsporen van de beginselen van behoorlijke rechtspraak alsmede op het bepalen van de inhoud van de onderscheiden beginselen.6 Daarover lijkt thans in de doctrine nagenoeg overeenstemming te bestaan. In het bestuursrecht zijn de volgende beginselen van behoorlijke rechtspraak algemeen aanvaard7: toegang tot de rechter en geschilbeslechting binnen een redelijke termijn (ook wel samen aangeduid als het decisiebeginsel), het onafhankelijkheid- en het onpartijdigheidsbeginsel, het verdedigingsbeginsel (waaronder onder meer hoor en wederhoor en equality of arms vallen), het openbaarheidsbeginsel (dit beginsel omvat twee deelvereisten: openbaarheid van behandeling van de zaak en een openbare uitspraak) en het motiveringsbeginsel.8 Over de beginselstatus van enkele van deze eisen bestaat nog wel enige discussie.9
Omdat de beginselen van behoorlijke rechtspraak behoorlijkheidsnormen10 zijn die gelden voor rechtspraak, is — naast het achterhalen van deze behoorlijkheidsnormen zelf en hun inhoud — een belangrijke vraag wanneer sprake is van rechtspraak. Het antwoord op die vraag is immers in beginsel bepalend voor het toepassingsbereik van de onderscheiden beginselen. In verschillende onderzoeken naar de beginselen van behoorlijke rechtspraak is dan ook een plaats ingeruimd voor de beantwoording van die vraag. De werkwijze is dan veelal als volgt: eerst wordt bepaald wat onder rechtspraak moet worden verstaan en vervolgens wordt bepaald welke beginselen, waaraan de procedures die tot rechtspraak gerekend worden moeten voldoen, onderscheiden kunnen worden.11 Daarna vindt toepassing van die beginselen op procedures die tot rechtspraak behoren plaats en worden de procedures tegen die meetlat van behoorlijkheid gehouden om te bezien of deze ook daadwerkelijk daaraan voldoen. Op deze wijze gaat Widdershoven bijvoorbeeld te werk bij de toetsing van de speciale administratieve rechtsgangen aan de beginselen van behoorlijke rechtspraak. Eerst wordt het begrip (administratieve) rechtspraak geduid. Vervolgens worden de beginselen van behoorlijke rechtspraak vastgesteld als beoordelingskader. Daarna worden de geselecteerde procedures (die als administratieve rechtspraak kunnen worden aangemerkt) tegen deze behoorlijkheidsbeginselen afgezet.12
Startpunt in verschillende onderzoeken naar de beginselen van behoorlijke rechtspraak of naar de behoorlijkheid van bepaalde (bestuursrechtelijke) rechtsgangen is derhalve het begrip rechtspraak. In de Nederlandse (bestuursrechtelijke) doctrine overheerst een meer formele benadering van dit begrip, waarbij met name de onafhankelijkheid van het orgaan dat de activiteit verricht doorslaggevend is.13 Uitsluitend handelingen van een onafhankelijke rechter worden aangemerkt als (`echte') rechtspraak en in beginsel worden ook alle activiteiten van die onafhankelijke rechter, ongeacht de aard ervan, beschouwd als rechtspraak.14 Beslissingen die niet gekarakteriseerd kunnen worden als het beslechten van een rechtsgeschil in een concreet geval, zoals het benoemen van een curator of voogd15, vallen strikt genomen binnen dit begrip rechtspraak, zodra het beslissende orgaan een onafhankelijke rechterlijke instantie is.16 Deze vormen van taakuitoefening door de rechter met een meer bestuurlijk karakter worden ook wel oneigenlijke rechtspraak of voluntaire jurisdictie genoemd ter onderscheiding van eigenlijke of contentieuze rechtspraak.17 In een uitsluitend formele benadering van het begrip rechtspraak, waarbij als enige voorwaarde geldt de onafhankelijkheid van de beoordelende instantie, vallen deze activiteiten van de rechter ook binnen het begrip rechtspraak. In het verlengde daarvan is het toepassingsbereik van de beginselen van behoorlijke rechtspraak in beginsel beperkt tot de procedures bij die organen wier activiteiten tot rechtspraak gerekend worden: onafhankelijke rechterlijke instanties.18 Dat betekent dat bepaalde activiteiten van andere organen die sterke materiële gelijkenis vertonen met rechterlijke activiteiten, denk bijvoorbeeld aan het administratief beroep bij een bestuursorgaan, in beginsel niet — althans niet rechtstreeks — door de beginselen van behoorlijke rechtspraak beheerst worden. Voor die activiteiten en procedures bij andere organen dan onafhankelijke rechterlijke instanties gelden andere behoorlijkheidsnormen. Voor procedures bij het bestuur moet dan met name gedacht worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Er zijn echter ook auteurs die een meer materiële benadering van rechtspraak voorstaan. Beantwoording van de vraag wanneer sprake is van rechtspraak en de materiële invulling van het begrip vindt bijvoorbeeld plaats in de dissertatie van De Waard over de beginselen van behoorlijke rechtspraak in het bestuursrecht.19 De Waard beoogt in zijn onderzoek behoorlijkheidsnormen te vinden die aan alle procedures van rechtspraak gemeenschappelijk zijn, waarbij hij tevens de betekenis van die normen voor andere rechtspraakachtige procedures in het bestuursrecht heeft willen achterhalen.20 Mede daarom gaat De Waard uit van een materiële benadering van het begrip rechtspraak. Formele criteria zijn in zijn benadering niet doorslaggevend. De invulling van het begrip rechtspraak is niet afhankelijk van (de status van) het orgaan dat de werkzaamheid verricht, maar veeleer van de aard van de werkzaamheid zelf.21 Doordat De Waard een materieel begrip van rechtspraak hanteert waarbij de functie rechtspraak centraal staat, is het toepassingsbereik van de beginselen ruimer en niet alleen beperkt tot procedures bij een onafhankelijke rechterlijke instantie oftewel 'echte' rechtspraak.22 Hoewel er naast De Waard nog andere auteurs uitgaan van een materieel begrip van rechtspraak23, is deze opvatting — zoals aangegeven — geen gemeengoed in het Nederlandse bestuursrecht.
Het belangrijkste verschil tussen de formele en materiële benadering is gelegen in de rol die de onafhankelijkheid van de oordelende instantie daarin toekomt.24 In de formele benadering vormt onafhankelijkheid een voorwaarde om te kunnen spreken van rechtspraak, terwijl het in de materiële benadering uitsluitend een behoorlijkheidseis voor rechtspraak is.25 Gemeenschappelijk aan beide benaderingen is dat het begrip rechtspraak een belangrijke rol vervult bij het bepalen van de betekenis van de behoorlijkheidsnormen voor de procedures die ter beoordeling voorliggen. Het toepassingsbereik en de betekenis van de behoorlijkheidsnormen worden immers aan het begrip rechtspraak gekoppeld en blijven in beginsel beperkt tot de procedures die als rechtspraak beschouwd worden. Afhankelijk van de gekozen benadering kunnen de procedures die daaronder gerangschikt worden vanzelfsprekend aanzienlijk uiteenlopen. Daarmee kan ook de betekenis van de beginselen van behoorlijke rechtspraak voor bepaalde procedures (afhankelijk van het gehanteerde begrip rechtspraak) aanzienlijk verschillen.