De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.3.3:8.3.3 Aanknopingspunten voor een ruimere belangenafweging
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.3.3
8.3.3 Aanknopingspunten voor een ruimere belangenafweging
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS374687:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 mei 1921, NJ 1921, 788(Weisbard c.s./De Ridder).
HR 31 januari 1947, NJ 1948, 115(Baus/De Koedoe).
HR 28 februari 1964, NJ 1964, 456(Brückmann/Natuurbad Park Doorweth).
HR 5 februari 1971, NJ 1971, 222(Jaspers/Elkerbout).
HR 28 februari 1964, NJ 1964, 456(Brückmann/Natuurbad Park Doorweth).
HR 20 september 1991, NJ 1992, 552, r.o. 4.1(Tripels/Masson).
Art. 1019z Rv.
Kamerstukken II, 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 18 (MvT).
Kamerstukken I, 2009/10, 31 518, nr. C, p. 11 (MvA).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de hand ligt dan ook, dat meer ruimte wordt gegeven voor belangenafweging om vast te stellen, wat wel en wat niet moet worden verstrekt, dan de bestaande criteria toestaan. Zo'n belangenafweging is niet nieuw. Ik denk dat in die belangenafweging de verklaring ligt dat de Hoge Raad onder de voorganger van art. 843a Rv een verzoek om verstrekking van de overeenkomst tot oprichting van een NV wel1 en die van een winstgerechtigde commissaris tot inzage in een volledige bedrijfsadministratie2 niet toewijsbaar achtte. In die arresten is zo'n belangenafweging evenwel niet uitdrukkelijk te lezen.
Het belang van zo'n expliciete belangenafweging valt wel te vinden in later gewezen uitspraken over de aanspraak van de werknemer op inzage in de boeken van de werkgever3 of van de agent op inzage in de boeken van de principaal4 in verband met eventuele aanspraak op provisie of loon. Daarbij is uitgemaakt dat die aanspraak niet verder strekt dan nodig is voor een redelijke behartiging van de belangen van de agent of werknemer. De Hoge Raad verwoordde dat bij de aanspraak van de werknemer op inzage in de boeken van de werkgever als volgt:
"De vraag hoever de verplichting tot mededeling van de in art. 1638e BW bedoelde bewijsstukken gaat, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van elk geval en de daarbij in redelijkheid in aanmerking te nemen belangen van partijen. Uitgangspunt zal echter steeds moeten zijn, dat de principaal in beginsel gehouden is inzage te verlenen van zodanige boeken en bescheiden als nodig is om de agent in kennis te stellen van hem niet bekende en bij de principaal aanwezige gegevens, waarvan de loonberekening afhankelijk is, teneinde de agent aldus in staat te stellen de loonbereke-ning van de principaal te controleren of zelfstandig een berekening op te stellen."5
Het belang van zo'n expliciete belangenafweging wordt ook bevestigd in het arrest, waarin de Hoge Raad kwam te oordelen over de vraag, of van een schuldenaar die zich beroept op financieel onvermogen gevergd mag worden dat hij volledig inzage geeft in zijn "financiële handel en wandel in heden en verleden". De Hoge Raad meende dat een crediteur genoegen moest nemen met de bij beslaglegging op grond van art. 475g Rv af te geven verklaringen omtrent inkomsten én dat eventueel onderzoek naar vermogenstoestand zou moeten geschieden door een curator, zou er een faillissement volgen. Over het te plegen onderzoek merkt de Hoge Raad dan op:
"Het moet worden overgelaten aan de curator, nadat de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard, om desgewenst zulk een afgifte te bewerkstelligen, hetgeen dan plaatsvindt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en onder toezicht van de rechter-commissaris zoals ook wenselijk moet worden geacht met het oog op de vraag of het afdwingen van die afgifte in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel."6
Ook bij de wetgever komt een ruimere afweging in beeld en wel bij de wet Deel-geschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. In die wet is de bevoegdheid van de rechter om een bevel te geven discretionair: van een bevel kan immers worden afgezien voor zover de verzochte beslissing naar het oordeel van de rechter te weinig bijdraagt aan de totstandkoming van een minnelijke regeling.7 Volgens de memorie van toelichting moet de vereiste investering in tijd, geld en moeite worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die de beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan geven.8 Ter gelegenheid van de behandeling in de Eerste Kamer herhaalt de minister dit en merkt hij op dat daarbij ook psychische en emotionele factoren in de beoordeling betrokken kunnen worden.9