Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/5.5.5.1
5.5.5.1 De Rifgat-beschikking
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584605:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 2014, JOR 2015/33, NJ 2015/231(Rifgat).
Zie onder meer Hof Den Haag 30 januari 2007, JOR 2007/66(PMDC); Hof Den Haag 23 augustus 2011, JOR 2011/327(Frontier); en CBb 22 mei 2013, NJB 2013/1630. Zie onder meer ook Nethe 2004, Nethe 2007, Nethe 2011, Nethe 2013, p. 32-41, Quist 2009, Van Schilfgaarde 2001a en Slagter 2001. Herbinden werd vroeger voor onmogelijk gehouden: van Van Nierop 1919, met verwijzing naar Meijers, tot Van Olffen 2000 (herroepen in Van Olffen 2002a) en Galjaart 2001, met verwijzingen.
Aldus ook Kroeze 2015, sub 4. Terughoudend: P. van Schilfgaarde, NJ-noot sub 14 onder het arrest. Volgens Van Veen 2016, par. 4.4 geldt Rifgat mogelijk niet voor vereniging en stichting.
C.J. Scholten, JOR-noot sub 4 en 5 onder de Rifgat-beschikking.
P. van Schilfgaarde in zijn NJ-noot, sub 11-13, onder de Rifgat-beschikking.
Sub 4.11 van de conclusie van A-G Timmerman voor de Rifgat-beschikking.
Hof Den Haag 23 augustus 2011, JOR 2011/327(Frontier), r.o. 11-13; Bosse 2011; Dortmond, Handboek 2013/375; Overes, Van der Ploeg & Van Veen 2013, par. 14.1.1; Kroeze 2015, sub 3.6; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/381; Groenland 2015, p. 28 en 42; Raaijmakers 2015, p. 304. Volgens Van Veen 2016, par. 4.1 en 4.4 is de Hoge Raad zijn bevoegdheid te buiten gegaan.
De Kluiver 2015, p. 1003; Nethe 2015, p. 775.
Zie sub 4.5 van de conclusie van A-G Timmerman voor de Rifgat-beschikking, en Kroeze 2015, sub 3.1.
P. van Schilfgaarde spreekt in zijn noot, sub 1, van een ‘kras staaltje van rechtsvorming’.
Tot uitgangspunt van mijn bespreking van dit onderwerp neem ik de Rifgat- beschikking van de Hoge Raad.1 Het volgende was aan de hand. Rifgat is een Nederlandse BV en houdt 1% van de aandelen in Rodenstaal Balkan, een vennootschap naar Servisch recht. Krachtens besluit van haar algemene vergadering wordt Rifgat op 21 december 2009 ontbonden. Het ontbindingsbesluit bepaalt dat Rifgat haar activa en passiva overdraagt aan de heer Feenstra, de indirect bestuurder en enig aandeelhouder van Rifgat. De ontbinding wordt ingeschreven in het handelsregister. Daarbij wordt vermeld dat Rifgat bij het van kracht worden van de ontbinding heeft opgehouden te bestaan, aangezien er op dat moment geen bekende baten meer waren. Later blijkt dat het ontbindingsbesluit onvoldoende was om de aandelen van Rifgat in Rodenstaal Balkan, en een vordering die Rifgat op Rodenstaal Balkan had, te laten overgaan op Feenstra. Tevens blijkt dat (naar men zegt) het Servische recht in de weg staat aan overdrachten door ontbonden vennootschappen. Om de beoogde overdrachten aan Feenstra alsnog mogelijk te maken, neemt de algemene vergadering van Rifgat op 9 februari 2012 een besluit tot herroeping van het ontbindingsbesluit. Rifgat en haar directe aandeelhouder verzoeken de rechtbank om te verklaren dat het ontbindingsbesluit rechtsgeldig is herroepen. De rechtbank geeft de gevraagde verklaring voor recht af. In hoger beroep blijft deze uitspraak in stand.
De Hoge Raad overweegt vervolgens dat herroeping van een eerder genomen ontbindingsbesluit mogelijk is en geeft een uiteenzetting over de voorwaarden die daarbij in acht genomen moeten worden. De vennootschap mag nog niet ingevolge artikel 2:19 lid 4 of lid 6 BW hebben opgehouden te bestaan, het herroepingsbesluit moet rechtsgeldig zijn genomen, het mag geen afbreuk doen aan de eisen van rechtszekerheid en de rechten en belangen van derden, en naar analogie van artikel 2:19 lid 2 BW moet een civiele rechter een daartoe strekkend verzoek van de rechtspersoon positief hebben beoordeeld en een daartoe strekkende verklaring hebben afgegeven. Een in kracht van gewijsde gegane uitspraak moet door de griffier van de rechtbank worden ingeschreven in het handelsregister. In algemene zin geldt geen termijn voor herroeping, aldus de Hoge Raad. Wel kan de verstreken tijdsduur een relevante omstandigheid zijn bij de beoordeling of afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid en de belangen van derden. Hetzelfde geldt voor eventuele vereffeningshandelingen tussen de ontbinding en de herroeping. De ontbonden BV dient de rechter in staat te stellen om te beoordelen of de herroeping inderdaad niet leidt tot een afbreuk aan de rechtszekerheid en de belangen van derden. Zij dient daartoe onder meer aan te geven welk belang bij herroeping is gediend en met welke derden rekening gehouden moet worden. Ook moet zij de nodige informatie over het vermogen van de ontbonden rechtspersoon en de ontwikkeling daarvan sinds de ontbinding, en een accountantsverklaring overleggen. De herroeping heeft geen terugwerkende kracht.
In het specifieke geval van Rifgat vernietigt de Hoge Raad de beschikking van het hof. Hierdoor kon alsnog beoordeeld worden of de herroeping tot afbreuk aan de rechtszekerheid of de belangen van belanghebbenden leidde. In de feitelijke instanties was met die belangen nogal onzorgvuldig omgesprongen. De rechtbank had de wens van verzoekers gehonoreerd om Rodenstaal Balkan en een medeaandeelhouder niet te horen of anderszins bij de proccedure te betrekken, nota bene met als argument dat deze een belang konden hebben om de herroeping te frustreren. In hoger beroep hadden deze belanghebbenden slechts twee dagen de tijd gekregen om een beroepschrift in te dienen.
De uitspraak van de Hoge Raad sluit goed aan op lagere rechtspraak en literatuur, waarin de mogelijkheid tot herbinding van een ontbonden rechtspersoon al enkele malen was erkend.2 Wel stelt de Hoge Raad, conform de conclusie van A-G Timmerman, nog stringentere eisen dan in eerdere, lagere rechtspraak, aan de informatie die bij een verzoekschrift aan de rechter moet worden voorgelegd. In de literatuur is de beschikking overwegend positief ontvangen. De Hoge Raad spreekt over de herroeping van een ontbindingsbesluit van ‘een rechtspersoon’ en beperkt zich dus niet tot de BV. Dit is begrijpelijk, want de problematiek rond herbinden ligt bij het ene type rechtspersoon niet wezenlijk anders dan bij het andere.3 De vraag is gesteld of de kwestie van de bewijslastverdeling niet genuanceerder benaderd moet worden en of een accountantsverklaring steeds nodig is.4 Ook is gesuggereerd dat herroeping met terugwerkende kracht in een geval waarin nog geen vereffeningshandelingen hebben plaatsgevonden, kan bijdragen aan de rechtszekerheid over de rechtstoestand van de rechtspersoon en de bevoegdheden van de betrokkenen in de tussenliggende periode.5 Mij is onduidelijk welke winst qua rechtszekerheid hier behaald zou worden.
Aan zijn pleidooi voor het stellen van zware eisen aan de informatie die bij het verzoekschrift moet worden overgelegd, legt A-G Timmerman de wens van misbruikbestrijding ten grondslag. Hij wijst erop dat weliswaar vanuit formeel- juridisch oogpunt niet snel sprake zal zijn van benadeling van derden, maar dat de praktijk anders kan zijn. Zo is goed voorstelbaar dat een vennootschap door een ontbinding en een daarop volgende herroeping van het ontbindingsbesluit, het verhaal door crediteuren op ontoelaatbare wijze bemoeilijkt. Dat geldt zeker, aldus de A-G, in gevallen waarin na het nemen van het ontbindingsbesluit in het handelsregister (ten onrechte) vermeld wordt dat er geen bekende baten meer zijn en de vereffening is afgerond.6 Voor het geval inmiddels aan het handelsregister is opgegeven dat de venootschap heeft opgehouden te bestaan, zoals in de Rifgat-casus, sluit ik mij hierbij aan. Zolang de vennootschap nog ‘in liquidatie’ is, zie ik aanzienlijk minder misbruikgevaar en kan m.i. worden overwogen herbinding zonder rechterlijke tussenkomst toe te laten.
Sommigen pleiten voor een wettelijke regeling inzake de herroeping van ontbindingsbesluiten, omdat de Hoge Raad op het randje van zijn bevoegdheid zou hebben geopereerd en een wettelijke regeling minder strenge eisen zou kunnen en moeten stellen.7 Anderen, bij wie ik mij aansluit, hebben betoogd dat aan wetgeving geen behoefte bestaat.8 Het gaat om vrij uitzonderlijke gevallen. Wetgeving voegt niet veel nuttigs toe. In het geval een ondoordacht ontbindingsbesluit wordt genomen, verzuimd wordt het vermogen op correcte wijze te vereffenen en aan het handelsregister wordt opgegeven dat de vennootschap heeft opgehouden te bestaan, zoals in het geval van Rifgat, hoeft de wetgever niet als reddende engel bij te springen. Dat zou niet tot zorgvuldig en verantwoord handelen aanmoedigen. Dat de wetgever er destijds vanuit is gegaan dat herbinden van een eenmaal ontbonden rechtspersoon niet mogelijk is,9 laat onverlet dat Boek 2 BW het niet verbiedt. Volgens mij is deze ‘krasse’ bijdrage van de Hoge Raad aan de rechtsontwikkeling10 hiermee afdoende gelegitimeerd.