De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/22:22 Art. 3:311 BW; de verjaring van de vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/22
22 Art. 3:311 BW; de verjaring van de vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364079:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
1-112 20 april 2001, NJ 2002, 384.
Aldus Tjittes, Themis 2007, p. 20 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis.
Meer dan vijf (of twee) jaar is niet helemaal zuiver gezegd, in die zin dat de vijfjaarstermijn niet gaat lopen op het moment waarop de klachttermijn afloopt, maar eerder, namelijk bij bekendheid met de tekortkoming.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:311 BW bepaalt dat een rechtvsordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van tekortkoming verjaart door verloop van vijf jaren nadat de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaar nadat de tekortkoming is ontstaan.
Aldus kent ook art. 3:311 BW de structuur van een korte subjectieve termijn in combinatie met een lange objectieve termijn.
Het was nodig een bijzondere bepaling in het leven te roepen en de ontbinding en de vordering tot herstel niet onder het algemene artikel over nakoming (art. 3:307 BW) te laten vallen, omdat in dat algemene artikel het aanvangsmoment wordt bepaald door de opeisbaarheid, terwijl dat moment ten aanzien van de ontbinding en het herstel niet past: het kan heel goed zijn dat de bekendheid met de bevoegdheid ontbinding of herstel te vorderen (aanzienlijke) tijd na het moment van opeisbaarheid ontstaat, zodat het moment van opeisbaarheid ertoe kan leiden dat de vordering te snel verjaart. Denk, bijvoorbeeld, aan het geval waarin aan het geleverde een rechtsbegrek kleeft dat zich pas na verloop van tijd manifesteert.@1@
Over art. 3:311 BW bestaat opvallend weinig rechtspraak. Dat komt waarschijnlijk doordat de vraag naar de ondergang van de bevoegdheid tot ontbinding of herstel wegens `stilzitten van de crediteur' in het merendeel der gevallen niet door art. 3:311 BW beantwoord wordt, maar door de art. 6:89 en 7:23 BW — deze opmerking wordt verderop in deze paragraaf toegelicht.
Het begrip bekendheid uit art. 3:311 BW moet subjectief worden opgevat.
Net als in het kader van art. 3:310 BW, heeft ook ten aanzien van art. 3:311 BW de vraag gespeeld of het begrip "bekendheid" subjectief dan wel objectief moet worden opgevat. De Hoge Raad overweegt: "Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van deze bepaling, het criterium "bekend is geworden" subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechter, indien de schuldeiser zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in een zodanig geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de schuldeiser te leveren
1 Zie nader hierover Pad. Gesch. Inv. p. 1413-1414.
tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met de tekortkoming.1
Deze overweging verdient instemming, gegeven het uitgangspunt dat de vijfjaarstermijn pas moet gaan lopen als van de crediteur redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij tot juridische actie komt. Zolang hij feitelijk niet bekend is met de tekortkoming, is daarvan geen sprake. Ook de 'objectivering' langs de weg van bewijslastverdeling is juist, nu een werkelijk geheel subjectief criterium eenvoudig niet werkbaar is; men kan de crediteur niet in het hoofd kijken.
De vraag naar de ondergang van de bevoegdheid tot ontbinding of herstel wegens `stilzitten van de crediteur' wordt in het merendeel der gevallen niet door art. 3:311 BW beantwoord, maar door de art. 6:89 en 7:23 BW.
Art. 6:89 BW bepaalt dat eenschuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had behoren te ontdekken, bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. Art. 7:23 BW, dat algemeen als een specialis van art. 6:89 BW wordt beschouwd, is in het bijzonder ten aanzien van de koop bepaald dat de koper er geen beroep meer op kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de koopovereenkomst voldoet, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijze had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.
Binnen bekwame tijd wil zeggen een reactie "'op korte termijn', 'met spoed' of 'binnen zo korte tijd als gegeven de omstandigheden in verband met zijn onderzoeksplicht van hem kan worden gevergd.'"2 Aldus is de lengte van de 'bekwame tijd' van de art. 6:89 en 7:23 BW vele malen korter dan de vijfjaarstermijn van art. 3:311 BW.
Enigszins onderbelicht in de literatuur tot dusverre is dat daarmee de vraag naar de ondergang van de bevoegdheid tot ontbinding of herstel wegens 'stilzitten van de crediteur' in het merendeel der gevallen niet door art. 3:311 BW zal worden beantwoord, maar door de art. 6:89 en 7:23 BW. Immers, als de crediteur zijn klacht niet binnen bekwame tijd uit, is zijn vordering terzake van dat gebrek vervallen, en is dus de verjaring krachtens art. 3:311 BW van de op die klacht te baseren rechtsvordering niet meer aan de orde. Als hij die klacht wel uit, dan moet het nogal merkwaardig lopen wil hij, ondanks zijn gebleken `rechtsbewustzijn', vervolgens vijf jaar (in geval van koop: twee jaar (art. 7:23 lid 2))3 wachten met het juridische vervolg op die klacht.