Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/3.4.4.3
3.4.4.3 Zaaksaantasting, leidend tot verminderd gebruiksgenot
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD67748:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt voor vermogensrechten die strekken tot gebruik van zaken
HR 29 januari 1937, NJ 1937, 570, m.nt. EMM (Voorste Stroom III) en HR 31 december 1937, Nj 1938, 517, m.nt. emm (Studentensociëteit).
Zie Bloembergen 1965, nr. 56 en de daar vermelde auteurs. Zie ook Overeem 1979, p. 21.
De Groot 1982, p. 133.
In dezelfde zin ook Bloembergen 1982, nr. 28.
In deze zin ook Messer 1994, p. 121. Zie bijv. Rb. Roermond 3 april 1986, N] 1989, 45.
De Groot 1980, p. 55.
Bloembergen 1982, nr. 28 onder c.
Zie de hiervoor weergegeven formulering van de Hoge Raad.
Vgl. ook HR 17 maart 1994, nj 1994, 670 (St. Joseph/Van Fessem), waarin de Hoge Raad de derving van huurgenot, ontstaan door overlast van een andere huurder aanmerkt als vermogensschade. Daarmee is overigens niet gezegd dat deze schade steeds voor vergoeding in aanmerking dient te komen. Het bezwaar van De Groot (1980, p. 56) dat de grenzen tussen vermogensschade en ander nadeel dan vervagen, acht ik in de eerste plaats onvermijdelijk - die grenzen zijn nu eenmaal niet steeds helder -, maar ook niet zo ernstig: kwalificatie als vermogensschade betekent immers nog niet per definitie het bestaan van een recht op vergoeding.
Verwant aan de in de vorige paragraaf beschreven problematiek is de problematiek van de aantasting van genot dat wordt ontleend aan tot het vermogen behorende zaken.1 Belangstelling bestaat vooral voor de vraag of een (eventueel tijdelijke) aantasting van een zaak die leidt tot verrninderd gebruiksgenot, waarmee door de gebruiker in zoverre 'genoegen' wordt genomen, dat hij de zaak niet te gelde maakt of (tijdelijk) een vervangende zaak betrekt, leidt tot vermogensschade. Men denke vooral aan hinder in het genot van een onroerende zaak waarin men blijft wonen, of aan tijdelijk gemis van een zaak, bijvoorbeeld wegens reparatie van door een derde veroorzaakte schade, terwijl men geen kosten voor tijdelijke vervanging maakt.
Met betrekking tot de eerste categorie van gevallen heeft de Hoge Raad verschillende malen geoordeeld dat het gaat om schade in de vorm van '...onmeming of vermindering van het genot, waarop iemand krachtens tot het vermogen behoorende rechten aanspraak vermag te maken.'2 Door Nederlandse schrijvers pleegt te worden aangenomen dat hier sprake is van vermogensschade.3 Die gedachte verdient steun, omdat de verminderde gebruiksmogelijkheid zich in het algemeen zal uiten in een verminderde economische waarde,4 die immers in belangrijke mate wordt bepaald door de gebruiksmogelijkheden van de zaak.5 Daar doet niet aan af dat de gerechtigde met een verminderde gebruiksmogelijkheid 'genoegen' neemt door de zaak (of het recht op gebruik ervan) te behouden en aldus die waardevermindering niet, of niet direct, 'realiseert'.6 Naast deze vermogensschade zal dikwijls als gevolg van hinder ook immateriële schade worden geleden. Deze zal evenwel in het algemeen niet voor vergoeding in aanmerking komen, dat wil zeggen, tenzij kan worden gesproken van lichamelijk letsel of van een andere persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106.7
Met betrekking tot de tweede categorie van gevallen, de tijdelijke ontneming van de gebruiksmogelijkheid van een zaak, bestaat met name onder Duitse schrijvers een hardnekkige controverse. Sporen hiervan lijken summier te kunnen worden teruggevonden in de standpunten van respectievelijk De Groot en Bloembergen. Volgens De Groot is bij tijdelijk gemis van de gebruiksmogelijkheid van een zaak geen sprake van vermogensschade, omdat de gebruiksmogelijkheid als zodanig geen zelfstandig vermogensbestanddeel met een eigen waarde vormt.8 Bloembergen hecht minder aan dit aspect en legt de nadruk op de vraag of aan de gebruiksmogelijkheid van een voor consumptie bestemde zaak waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend.9 Aldus leggen zij het accent op verschillende van de hiervoor onder besproken criteria voor beantwoording van de vraag of sprake is van vermogensschade, en met zeer uiteenlopend resultaat. Weliswaar vormt de gebruiksmogelijkheid van een zaak als zodanig geen vermogensbestanddeel, maar wortelt de schade hier toch wel in die zin in het vermogen, dat zij voortvloeit uit de aantasting van een vermogensbestanddeel. In zoverre kan men ook hier spreken van ontneming van genot waarop men krachtens een tot het vermogen behorend recht aanspraak kan maken.10 Wanneer het daarbij tevens gaat om een gebruiksmogelijkheid die in het economisch verkeer veelvuldig pleegt te worden gewaardeerd, bijvoorbeeld omdat het gebruikelijk is dergelijke zaken voor bepaalde tijd te huren, zoals bij auto's en huizen, dan is het nadeel zeer wel in geld uit te drukken. Het lijkt mij dan ook juist om in dergelijke gevallen aan te nemen dat sprake is van vermogensschade.11
Een bijzonder probleem ontstaat, wanneer de gebruiksmogelijkheid van een zaak (of recht) niet wordt gederfd door aantasting van die zaak (of dat recht) zelf, maar bijvoorbeeld door verwonding van de gerechtigde. Men denke aan het geval dat iemand wegens een beenbreuk geen gebruik kan maken van een auto. In dat geval kan men niet zeggen dat het vermogen op een enigszins rechtstreekse wijze wordt geraakt, afgezien uiteraard van eventuele gemaakte kosten voor vervangende vervoermiddelen.