Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/3.4.4.2
3.4.4.2 'Uitgaven die hun doel missen'
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD91318:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Schadevergoeding (Hartlief & Tjittes), art. 95, aant. 20 en de daar vermelde bronnen.
Men komt in dit verband ook vooral voorbeelden tegen als uitgaven voor theaterkaartjes en reizen.
Meijers 1905, p. 451. In het licht van deze bewoordingen verbaast het niet dat men in de Toelichting Meijers bij het ontwerp van art. 6.1.9.1 de volgende passage aantreft: 'Heeft iemand normale kosten gemaakt om zich een zeker genot te verschaffen, b.v. voor een vakantieverblijf of voor het bijwonen van een concert, en mist hij door schuld van degene die het vervoer op zich had genomen, dit genot, dan is het billijk dat hij, hoewel hij geen vermogensschade heeft geleden [curs, van mij, SDL], in ieder geval vergoeding ontvangt voor de tevergeefs gemaakte kosten.'
Zie ook hiervoor § 3.4.1.
De formulering van art. 7:510 'vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade voor zover (...) derving van reisgenot is veroorzaakt' is dan ook bepaald ongelukkig. Zie over de kwalificatie van derving van reisgenot als vermogensschade ook Bloembergen 1962, nr. 28 onder e; Overeem 1979, p. 20 en Eykman 1980, p. 462. Zie over art. 7:510 nader § 4.3.
Zie bijv. voor huurgenot A-G Leijten in zijn conclusie bij HR 17 juni 1994, NJ 1994, 670 (St. ]oseph/Van Fessem), p. 3226 l.k.
Zie over de in Duitsland op dit punt ontwikkelde 'Frustrationslehre' uitvoerig Tolk 1977. Larenz 1987 (§ 29 mc) omschrijft de Frustrationslehre als volgt: 'Diese Lehre besagt, daG Aufwendungen, die für einen bestimmten Zweck gemacht wurden, einem Schaden gleich stehen, wenn dieser Zweck durch ein ersatzpflichtig machendes Ereignis vereitelt wird.' Op deze leer is kritiek geleverd, omdat zij de schade zoekt in de gedane uitgaven en daardoor tot onbillijke gevolgen kan leiden. Volgens mij moet de schade veeleer worden gezien in de aantasting van de aanspraak waarvoor is betaald. Zie over de vraag of hier sprake is van vermogensvermindering in bevestigende zin Bloembergen 1965, nr. 13 en Hofmann-Van Opstall 1976, p. 178.
Bloembergen 1965, nr. 143.
Vgl. het in de Parlementaire Geschiedenis (MvA II, p. 333) gegeven voorbeeld van het toegangsbewijs voor een liefdadigheidsconcert dat door toedoen van een derde wordt gemist, waarin een nadere redelijkheidstoets wordt aanbevolen. In dat geval kan men zich overigens afvragen in hoeverre de uitgaven door afwezigheid van de 'gever' hun doel hebben gemist.
Vgl. hetgeen in § 3.4.4.7 wordt gezegd over aantasting van zaken met louter affectieve waarde.
Zo ook Schoordijk 1979, p. 230
In de zin van art. 7:500 lid 1 sub a
In dit geval rijst nog de vraag of, wanneer in geval van een verwonding door een derde vergoeding van de reissom wordt afgewezen, bij de begroting van de omvang van het smartengeld het 'verdriet' om het missen van reis dient mee te wegen. Zie hierover § 7.3.2.9 onder a. Zie voor het Duitse recht in bevestigende zin Palandt/Heinrichs, Rdnr. 40 vóór § 249
Dikwijls wordt aandacht besteed aan de vraag of uitgaven die hun doel missen kunnen worden aangemerkt als vermogensschade.1 Die vraag wordt dan vooral gesteld met betrekking tot uitgaven die ertoe strekken om een bepaald genot te verwerven. Deze aandacht laat zich vermoedelijk verklaren doordat 'genot' wordt geacht te behoren tot de 'immateriële sfeer' en daardoor aanleiding geeft tot twijfel.2 Zo schrijft Meijers in 1905 bijvoorbeeld:3
'Indien een barbier ons niet scheert, lijdt men alleen ideële en geen materieele schade, omdat eene behoefte van ons niet bevredigd wordt zonder dat wij echter eene schade kunnen aantoonen ten aanzien van vermogensrechtelijke objecten.'
Deze visie van Meijers zal nu weinig aanhang meer vinden. Waar het hier om gaat, is niet of een aanspraak wordt gefrustreerd die betrekking heeft op een 'materieel object' of op iets 'immaterieels',4 maar om de vraag of zij een bepaalde vermogenswaarde vertegenwoordigt. Wie uitgaven heeft gedaan ter verwerving van een zeker genot, zoals een concertbezoek of een reis, en als gevolg van een gedraging waarvoor een ander aansprakelijk is dat genot derft, lijdt schade die kan worden aangemerkt als vermogensschade. Dit laat zich verklaren, doordat als gevolg van de uitgaven een aanspraak is verworven die wortelt in het vermogen en een bepaalde economische waarde vertegenwoordigt. Frustratie van die aanspraak kan dan worden aangemerkt als vermogensschade.
Toepassing van deze gedachte leidt er bijvoorbeeld toe dat wie een reis boekt, maar niet 'ontvangt' waarvoor hij heeft betaald, vermogensschade lijdt. In zoverre kan derving van reisgenot worden aangemerkt als vermogensschade.5 Hetzelfde geldt voor rechten uit andere overeenkomsten die het verschaffen van een bepaald 'genot' behelzen.6
De schade ligt in deze gevallen in de frustratie van een tot het vermogen behorende aanspraak.7 Het feit dat ter verkrijging van die aanspraak bepaalde uitgaven zijn gedaan, wekt het vermoeden dat zij een bepaalde waarde heeft in het economisch verkeer en dat frustratie van de aanspraak derhalve vermogensschade bewerkstelligt. De omvang van de schade zal dan ook in het algemeen zijn te stellen op de uitgaven die nodig zijn ter verwerving van de gefrustreerde aanspraak.8 Vaak zullen die overeenstemmen met de werkelijk gedane uitgaven, maar dat hoeft niet. Men denke aan een om niet verkregen kaartje voor een theatervoorstelling of een prestatie waarvoor men veel meer heeft betaald dan de in het economisch verkeer gangbare prijs.9 Is een aanspraak verkregen die in het economische verkeer in het geheel geen waarde vertegenwoordigt, dan lijdt men door frustratie van die aanspraak mijns inziens geen vermogensschade.10
Voor de vraag of sprake is van vermogensschade is niet bepalend of het genot wordt gemist als gevolg van een gedraging van degene die tot de prestatie verplicht is (wanprestatie) of van een derde (onrechtmatige daad). Dit onderscheid kan wel van belang zijn voor de vraag of de vermogensschade in redelijkheid aan de schadeveroorzakende gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98).11 Bij wanprestatie zal dit mijns inziens in de regel eerder het geval zijn dan bij onrechtmatige daad. Wie bijvoorbeeld reisgenot derft doordat de reisorganisator een fout maakt,12 zal eerder aanspraak kunnen maken op vergoeding van de reissom, dan degene die reisgenot derft doordat hij door toedoen van een ander verhinderd wordt op reis te gaan.13
Met het voorgaande is niet gezegd dat de gebeurtenis waaruit de vermogensschade voortvloeit niet tevens ander nadeel veroorzaakt kan hebben. Zo zou het missen van een concert of van een reis ook kunnen worden gezien als derving van levensvreugde en kan door een dergelijke gebeurtenis tevens ergernis zijn veroorzaakt. Of dergelijk nadeel naast de geleden vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt, betreft evenwel een andere dan de hier besproken vraag of in dit geval tevens kan worden gesproken van vermogensschade.