Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/1.4.3.1
1.4.3.1 Beheer in de ruime zin van het woord
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957941:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Schols B.M.E.M. 2007, p. 235 en de aldaar genoemde verwijzingen.
Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5958, NJ 2009/116, m.nt. Perrick. Zie met name rechtsoverweging 4.2.
Conclusie AG Langemeijer bij Hoge Raad 26 april 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD9132 onder nr. 4.11. Zie in gelijke zin Kortmann in zijn noot bij het arrest onder nr. 2 (Hoge Raad 26 april 2002, NJ 2005/180) en Visser 2011, p. 311-312.
Eikelboom, in: GS Rechtspersonen, art. 2:356, aant. 10.3 en 10.4.
Zie o.a. Asser/Perrick 3-V 2023, nr. 23.
Parl. Gesch. BW Boek3 1981, p. 581 (Toelichting Meijers).
Parl. Gesch. BW Boek3 1981, p. 581 (Toelichting Meijers).
Biemans 2011, p. 46-47.
Biemans 2011, p. 46-47.
De term beheer als zodanig wordt niet gedefinieerd in het Burgerlijk Wetboek. Wel komt de term in verschillende wetsartikelen voor. Zo is de term beheer te vinden in het huwelijksvermogensrecht in het kader van het bestuur (art. 1:90 lid 2 BW). Andere voorbeelden zijn de voorziening van tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer naar aanleiding van een enquêteprocedure (art. 2:356 sub e BW), het beheer van de goederen van een eenvoudige gemeenschap (art. 3:170 BW), het in beheer nemen van het verhypothekeerde goed door de hypotheekhouder (art. 3:267 BW) en het beheren van de goederen van de nalatenschap door een executeur (art. 4:144 lid 1 BW).
In de genoemde wettelijke bepalingen wordt meestal de term ‘beheer’ gebruikt zonder nader toe te lichten wat er onder het beheer wordt verstaan. Eén uitzondering hierop is te vinden in art. 3:170 lid 2 BW. In dat artikel staat:
“Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties.”
De vraag kan worden gesteld of deze invulling van de term ‘beheer’ in het algemeen geldt of alleen voor beheer van goederen die in een (eenvoudige) gemeenschap vallen. Uit de wetsgeschiedenis is bijvoorbeeld af te leiden dat bij de invulling van het beheer van de huwelijksgemeenschap moet worden gekeken naar art. 3:170 lid 2 BW.1 Ook bij het beheer van een nalatenschap door de executeur wordt in de literatuur aangenomen dat voor de invulling van dit begrip moet worden gekeken naar art. 3:170 BW.2 Daarnaast wordt ook in de rechtspraak uitdrukkelijk verwezen naar art. 3:170 BW als het gaat om het beheer door een executeur van een nalatenschap.3 Bij het in beheer nemen door een hypotheekhouder wordt in de Parlementaire Geschiedenis verwezen naar beheerbepalingen bij vruchtgebruik.4 In de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2002 wordt door advocaat-generaal Langemeijer met betrekking tot de inhoud van het beheer echter ook weer verwezen naar art. 3:170 BW.5 Bij de invulling van de term beheer in het kader van de overdracht van aandelen ten titel van beheer in art. 2:356 sub e BW wordt de link naar art. 3:170 lid 2 BW niet gelegd. Bij deze vorm van beheer is in de rechtspraak ontwikkeld welke bevoegdheden en taken de beheerder heeft.6Art. 3:170 BW lijkt daarmee in veel, maar niet alle gevallen de term beheer in te vullen.
De term beheer kan niet zover worden opgerekt dat hij ziet op alle bevoegdheden die de eigenaar met betrekking tot een goed heeft en die niet kunnen worden gezien als beschikkingshandelingen. Dit kan onder andere worden afgeleid uit art. 1:90 lid 2 BW. In dat artikellid worden naast beheren en beschikken ook feitelijke handelingen genoemd die met betrekking tot een goed kunnen worden verricht. Ook wordt over art. 3:170 lid 3 BW geschreven dat onder ‘andere handelingen’ genoemd in dat artikellid niet alleen beschikkingshandelingen worden begrepen.7 Dat impliceert dat er naast beschikkings- en beheerhandelingen nog andere handelingen zijn die niet onder één van de genoemde categorieën vallen. Als laatste voorbeeld volgt uit de tekst van art. 4:144 lid 1 BW dat onder het beheer van de goederen van de nalatenschap niet het voldoen van de schulden (in casu van de nalatenschap) valt, nu deze activiteit apart naast beheer als een taak van de executeur wordt genoemd.
Vervolgens is nog van belang dat een beschikkingshandeling soms als een beheerhandeling kan worden gezien. Naast dat er meer bevoegdheden zijn dan beheren en beschikken, is de scheidslijn tussen beheer- en beschikkingshandelingen ook niet altijd duidelijk. Meijers schrijft in zijn toelichting bij art. 3:168 BW dat beheer en beschikking begrippen zijn die geen zuivere tegenstelling vormen.8 Vervolgens schrijft Meijers:
“Een beschikking is een technisch begrip; steeds wanneer goederen worden vervreemd of met enig recht bezwaard, wordt over dat goed beschikt. Beheren daarentegen ziet meer op een economische werkzaamheid: alles wat nodig is voor het op normale wijze exploiteren van goederen en om deze rentedragend te maken, is als beheer aan te merken.”9
Biemans geeft aan dat de wetgever de termen ‘beheersbevoegdheid’ en ‘bestuur’ heeft gecreëerd om het mogelijk te maken om met één woord een aantal technische bevoegdheden samen te pakken. Het begrip ‘beheersbevoegdheid’ bevat meerdere te onderscheiden ‘technische bevoegdheden’.10 Uit de Parlementaire Geschiedenis is niet te achterhalen welke technische bevoegdheden precies onder de beheersbevoegdheid vallen.11
Ook is niet duidelijk of op alle vormen van beheer die in de wet voorkomen dezelfde technische bevoegdheden van toepassing zijn, of dat daar variatie in is. Dit laatste lijkt het geval als wordt gekeken naar de bovenstaande voorbeelden van beheer in de verschillende delen van het Burgerlijk Wetboek. Als in dit kader specifiek wordt gekeken naar art. 3:170 lid 2 BW, dan kan hierbij nog als extra argument worden gegeven dat de invulling van ‘normale exploitatie’ van een goed per goed zal verschillen. Dat levert andere technische bevoegdheden op.
Voor dit onderzoek is voor de term ‘beheer’ in de ruime zin van het woord in eerste instantie vastgehouden aan de beschrijving uit art. 3:170 lid 2 BW. Waar nodig zal dieper worden ingegaan op de handelingen die voor de exploitatie van het goed dienstbaar kunnen zijn. En in het achterhoofd moet worden gehouden dat, afhankelijk van het goed, de exacte inhoud van het beheer, ofwel de technische bevoegdheden, kan verschillen.