De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.1.3
4.3.1.3 Overige jurisprudentie artikel 875a lid 6 OBW
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391966:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De gepubliceerde jurisprudentie bestaat uit: Ktr. Amsterdam 15 oktober 1974, ECLI:NL:KTGAMS:1974:AC4341,NJ 1976/22 (erfpachter/Amsterdam); HR 23 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5850,NJ 1977/409, m.nt. W.M. Kleijn (Reggezuid); Ktr. Den Haag 17 oktober 1979, ECLI:NL:KTGSGR:1979:AJ0452, Prg. 1980/1429 (Belderbos/’s-Gravenhage); HR 24 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4180,NJ 1982/84, m.nt. W.M. Kleijn (Strauss/Amsterdam); Ktr. Den Haag 11 april 1983, ECLI:NL:KTGSGR:1983:AC1942,NJ 1984/158 (Schuitemaker-Rog c.s./’s-Gravenhage); 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3564, NJF 2009/63Hof Den Haag 6 januari (Bevago/Rotterdam).
De Jong 1984b, p. 14 vermeldt dat de marginale toetsing volgt uit de wetsgeschiedenis en dat het woord ‘kennelijk’ speciaal om die reden in de wettekst was opgenomen.
Tegenwoordig wordt het Reggezuid-arrest uit 1976 waarin de Hoge Raad vaststelde dat publiekrechtelijke overwegingen in de redelijkheidstoets mochten worden betrokken over het algemeen als achterhaald beschouwd. Het is vervangen door de totstandkoming van ruimere publiekrechtelijke bevoegdheden op het gebied van gemeentelijke gronduitgifte en het arrest HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965,NJ 1991/393, m.nt. M. Scheltema (Staat/Windmill), zie o.m. De Jong & Ploeger 2008, p. 53.
De gepubliceerde jurisprudentie over art. 875a lid 6 OBW betreft slechts een beperkt aantal gevallen, waarbij steeds sprake is van een grote erfpachtgemeente als grondeigenaar.1 De vervangende machtiging werd geweigerd indien de grondeigenaar voldoende kon aantonen dat een belangenafweging was uitgevoerd en dat daarbij het algemeen belang zwaarder diende te wegen dan het belang van de erfpachter. Duidelijk werd dat de grondeigenaar aan zijn toestemming een voorwaarde kon verbinden, zoals canonverhoging en het van toepassing verklaren van nieuwe algemene erfpachtvoorwaarden en dat de redelijkheidstoets dan ook de aan de toestemming verbonden voorwaarde omvatte. Uit de jurisprudentie onder het OBW bleek dat de weigering ‘kennelijk zonder redelijke grond’ door de (kanton)rechter in het kader van een verzoek om vervangende machtiging marginaal werd getoetst vanwege de beleidsvrijheid van de gemeente om die toestemming in het algemeen belang te weigeren.2 Overwegingen van publiekrecht werden buiten beschouwing gelaten en alleen de feitelijke situatie en de geldende erfpachtvoorwaarden werden beoordeeld.3 De redelijkheidstoets op grond van art. 875a OBW omvatte vooral een belangenafweging, de grondeigenaar diende bij de totstandkoming van zijn beslissing de toestemming te weigeren of daaraan voorwaarden te verbinden rekening te houden met de daarbij betrokken belangen van de erfpachter. Daarnaast werd de weigering zelf getoetst aan de goede trouw en diende de rechter te beoordelen of de weigering en/of de daaraan verbonden voorwaarden redelijk waren.