De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.5.4.3:9.5.4.3 Toetsing van de bevoegd heidsuitoefening door de rechter
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.5.4.3
9.5.4.3 Toetsing van de bevoegd heidsuitoefening door de rechter
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS381049:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover supra, par. 73.8.
Zie art. 3:3 Awb. Het in art. 3:13 lid 2 BW genoemde onevenredigheidscriterium is herkenbaar in art. 3:4 lid 2 Awb, dat bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
554. De eisen van een goede procesorde kunnen zowel partijen als de rechter adresseren.1 Op grond van een blik op hiervoor besproken rechtspraak rondom de toepassing van het misbruikcriterium in het procesrecht, zou de gedachte kunnen postvatten dat het verbod van misbruik van procesbevoegdheid slechts partijen aangaat. Evenwel is er geen reden om op voorhand aan te nemen dat niet ook de rechter misbruik van bevoegdheid zou kunnen maken. Eerder als werd opgemerkt dat het leerstuk een zo algemene strekking heeft, dat het verbod van misbruik van bevoegdheid kan worden beschouwd als een eis die inherent is aan de uitoefening van bevoegdheden die het recht toekent. De publiekrechtelijke aard van de processuele verhouding waarin de rechter tot procespartijen staat, doet aan de gelding van het verbod van misbruik van bevoegdheid niet af. Dat het leerstuk zich ook in publiekrechtelijk geaarde rechtsbetrekkingen doet gelden, moge immers blijken uit het feit dat ook aan de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door bestuursorganen de eis wordt gesteld dat zij niet worden uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven.2
De bevoegdheden die aan de rechter in het kader van de rechtspleging zijn toebedeeld, moeten worden beschouwd als doelgebonden bevoegdheden. De uitoefening daarvan met een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven, moet als misbruik van bevoegdheid en dus als onrechtmatig worden aangemerkt. Daarnaast kan misbruik ook aanwezig worden geacht als wordt voldaan aan een van de twee andere criteria die in art. 3:13 lid 2 BW worden genoemd. Of de rechter misbruik heeft gemaakt van een aan hem toekomende bevoegdheid, kan worden beoordeeld in een hoger beroep of cassatieberoep gericht tegen de uitspraak die met misbruik van bevoegdheid tot stand is gekomen en eventueel in een afzonderlijke tegen de Staat aangespannen actie uit onrechtmatige daad. In de praktijk zal echter zelden sprake zijn van misbruik van bevoegdheid door de rechter, nu het procesrecht de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter waarborgt en aldus wordt voorkomen dat de rechter een persoonlijk belang heeft bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Anderzijds heeft de rechter echter als onderdeel van een gerechtelijke organisatie die aan bepaalde beleidsdoelen moet voldoen wel degelijk ook een zeker eigen belang bij de berechting van zaken. Overigens zal, ook in het zeldzame geval dat de rechter een hem toekomende bevoegdheid misbruikt, het handelen van de rechter niet snel in rechte als misbruik worden gekwalificeerd. Een dergelijk misbruik heeft immers veelal tot gevolg dat bepaalde, wettelijk of door de eisen van een goede procesorde gewaarborgde rechten en belangen van partijen worden geschonden. Is dat het geval, dan komt men aan de vraag of de rechter zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid niet toe. De schending van die rechten of belangen geeft dan immers al voldoende grond tot aantasting van de uitspraak die met die schending tot stand is gekomen of, indien het om een schending van zo fundamentele beginselen gaat dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, tot schadevergoeding door de Staat.