Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/4.4:4.4 Conclusie
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/4.4
4.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS594194:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De strekking van de uitkoopregeling
De uitkoopregeling betreft in haar kern een afweging van belangen tussen die van de meerderheidsaandeelhouder en van de minderheidsaandeelhouders.
De meerderheidsaandeelhouder ondervindt verschillende nadelen als gevolg van de aanwezigheid van een kleine groep minderheidsaandeelhouders binnen de vennootschap. Er gelden voor hem extra (wettelijke) verplichtingen en beperkingen ter bescherming van die minderheid. Daarnaast kan hij geen, althans moeilijk, gebruik maken van bepaalde vrijstellingen of verlichte regimes (§ 4.2.2 sub a). Deze nadelen zijn volgens de wetgever alleen weg te nemen door middel van de gedwongen uitkoop.
De gedachte is dat het belang van de meerderheidsaandeelhouder bij het wegnemen van de genoemde bezwaren, zwaarder weegt dan het enkel financiële belang van de minderheid om haar aandelen te behouden. De gedwongen overdracht is daarom gerechtvaardigd, mits de uitgekochte aandeelhouders een compensatie ontvangen voor het verlies van dit financiële belang (§ 4.2.1).
Een voorwaarde voor de gedwongen overdracht van de aandelen is dat de belangen van de minderheidsaandeelhouder voldoende beschermd zijn. De uitkoopregeling moet met de nodige waarborgen zijn omkleed. Het is naar mijn mening in ieder geval vereist dat een onafhankelijke derde toetst of de gedwongen overdracht is toegestaan en dat de minderheid een reële en redelijke vergoeding voor haar aandelen ontvangt (§ 4.2.4). Voor de Nederlandse uitkoopregeling gaat van de rechterlijke tussenkomst zo’n bescherming uit. De OK toetst ambtshalve of aan de vereisten voor uitkoop is voldaan en stelt zelfstandig de prijs voor de over te dragen aandelen vast.
De verhouding met het recht van eigendom
Ondanks de genoemde rechtvaardigingsgrond en de waarborgen bestaat er een zekere spanning tussen de gedwongen overdracht van de aandelen en het eigendomsrecht van de minderheidsaandeelhouders.
In zowel de literatuur als de rechtspraak komt met enige regelmaat de vraag op of de uitkoopregeling verenigbaar is met het onteigeningsverbod in art. 14 Grondwet en het recht op een ongestoord genot van eigendom van art. 1 Eerste Protocol van het EVRM. Ik beantwoord beide vragen bevestigend.
De uitkoopregeling is geen onteigening in de zin van art. 14 Grondwet, nu het daarbij moet gaan om een publiekrechtelijk handelen. De regeling betreft een zuiver privaatrechtelijke verhouding, waarbij de overheid geen partij is (§ 4.3.1).
Voorts bestaat er evenmin strijd met art. 1 EP EVRM. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft tot op heden niet hoeven oordelen over de verhouding tussen de Nederlandse uitkoopregeling en het eigendomsrecht van art. 1 EP EVRM. Wel hebben de Hoge Raad en de OK in verschillende uitspraken geoordeeld dat de gedwongen overdracht van aandelen verenigbaar is met het recht van eigendom. Hun oordeel acht ik juist.
De uitkoopregeling voldoet aan het door het Europese Hof ontwikkelde toetsingskader voor de vraag of er sprake is van schending van het eigendomsrecht (§ 4.3.2 sub a). Van belang is met name of er sprake is van een fair balance tussen de bevordering van het algemeen belang en de bescherming van de rechten van het individu.
Voor zowel de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW als de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW is er over het algemeen sprake van een dergelijke fair balance. De gedwongen overdracht is slechts onder strikte wettelijke voorwaarden mogelijk, een rechterlijke tussenkomst is vereist en de regeling is met voldoende waarborgen omkleed zodat de uitgekochte aandeelhouders een reële vergoeding voor hun aandelen ontvangen (§ 4.3.2 sub b).
Rechtsonzekerheid door het ontbreken van een termijn
De algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW kan onder omstandigheden tot rechtsonzekerheid leiden. Doordat de meerderheidsaandeelhouder de vordering tot uitkoop te allen tijde kan instellen, blijft de minderheid gedurende onbepaalde tijd in onzekerheid of zij haar aandelen moet overdragen.
De bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW kent deze onzekerheid niet, omdat de uitkoper zijn vordering binnen drie maanden na het openbaar bod moet instellen (§ 5.4.2). Bovendien kan de minderheid de overdracht van haar aandelen vorderen op grond van het spiegelbeeldige verkooprecht in art. 2:359d BW.
De invoering van een algemeen verkooprecht neemt de geschetste rechtsonzekerheid volgens mij slechts gedeeltelijk weg. Het biedt namelijk geen oplossing voor de situatie waarin de minderheid haar aandelen wenst te houden en geen gebruik maakt van haar verkooprecht. Een termijn voor het instellen van de vordering geeft daarentegen wel de gewenste duidelijkheid. Een temporele beperking van de regeling sluit bovendien aan bij het doel en de rechtvaardiging die aan de gedwongen overdracht van aandelen ten grondslag ligt.
De geschetste rechtsonzekerheid leidt, mede gelet op de waarborgen omtrent de prijsbepaling en de rechterlijke tussenkomst, niet tot een dermate onevenredige last voor de minderheid dat er sprake is van schending van art. 1 EP EVRM. Toch acht ik een algemeen verkooprecht voor de minderheid en een termijn voor het instellen van een vordering tot uitkoop wenselijk.
Voorts bestaat er mijns inziens geen goede reden voor twee afzonderlijke uitkoopregelingen binnen één rechtssysteem (§ 5.5). Ik pleit daarom voor het samenvoegen van de algemene en bijzondere uitkoopregeling (art. 2:92a/201a BW en art. 2:359c BW), waarbij één termijn kan gelden en slechts één algemene regeling voor het verkooprecht noodzakelijk is.