Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/2.4.4
2.4.4 De Flora- en faunawet
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS444936:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De totstandkoming, interpretatie en toepassing van deze wet zijn onder meer uitvoering beschreven in Backes en Cnoop Koopmans, een themanummer van Tijdschrift voor Agrarisch recht over de Flora- en faunawet in december 2001 en Backes e.a. 2004b.
Backes e.a. 2004b, p. 153.
Wet van 25 mei 1998. Stb. 1998, 402.
Wet van 24 april 2002, Stb. 2002, 236.
Backes e.a. 2004b, p. 154.
Backes e.a. 2004b, p. 154.
Met betrekking tot de voorgeschiedenis en de hoofdlijnen van deze wet: zie Backes 2006a, p. 504-510, Arntz 2005 en Van den Broek 2005. Een recent en uitgebreid overzicht is te vinden in Backes e.a 2009, p. 165-216.
Zie in algemene zin hierover: Backes e.a. 2009, p. 214-215.
Van den Broek 2005, p. 373. Artikel 28 Ffw voorziet in de mogelijkheid van een schadevergoeding indien blijkt dat een belanghebbende als gevolg van de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven.
Art. 19 lid 2 en 3 Ffw.
Art. 20 Ffw. Er zijn mij geen gevallen bekend waarin gebruik is gemaakt van deze mogelijkheid.
Backes e.a. 2009, p. 215.
Eerder en in vergelijkbare zin Van den Broek 2005, p. 373 en Woldendorp 2005, p. 271. Wel is er een uitspraak gepubliceerd (Rb. Haarlem, 5 januari 2004, JM 2004, 50) waarin het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een verzoek tot aanwijzing van een beschermd leefgebied voor steenuilen van de hand wijst. Een tegen die beslissing van GS ingediend bezwaarschrift is volgens de rechtbank Haarlem ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De totstandkoming van de Flora- en Faunawet kent net als de Nbw 1998, een langdurige voorgeschiedenis.1 Het voorontwerp stamt al uit 1987. De parlementaire behandeling bij de Tweede Kamer begon in 1993. Vanwege allerlei problemen, onder meer bij de implementatie van Europeesrechtelijke verplichtingen, nam de parlementaire behandeling van de wet enige jaren in beslag. Illustratief is dat bij de finale parlementaire behandeling in 1998 (nog) een groot aantal amendementen werd ingediend.2 Kort na de inwerkingtreding van de Ffw in 19983 bleek het noodzakelijk om de belangrijke vrijstellingsbevoegdheid van artikel 75 Ffw aan te passen. De laatste (aangepaste) delen van de wet zijn daardoor pas in 2002 in werking getreden.4
De Ffw bestaat grotendeels uit soortbeschermende bepalingen uit de Vrl en de Hrl. In het algemeen wordt aangenomen dat deze bepalingen correct zijn omgezet in de Nederlandse rechtsorde.5 Bij de interpretatie en toepassing van de Ffw blijven de Vrl, de Hrl en de jurisprudentie van belang. In de eerste plaats om de uit de Vrl en de Hrl overgenomen ‘vage’ begrippen uit te leggen.6 In de tweede plaats vanwege (eventuele) aanpassingen van de richtlijnen. Vanwege de probleemstelling van dit onderzoek blijft de Ffw goeddeels onbesproken.7
Hoofdstuk 4 van de Flora- en faunawet biedt Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om een plaats als beschermde leefomgeving aan te wijzen.8 Het hoofdstuk bestaat uit drie paragrafen die regels bevatten met betrekking tot de aanwijzing als beschermde leefomgeving, de gevolgen van de aanwijzing van een gebied als beschermde leefomgeving en mogelijkheid om schade te vergoeden. Daarover in het kort het volgende:
Het is slechts in een beperkt aantal gevallen mogelijk om een gebied als beschermde leefomgeving aan te wijzen. Ingevolge artikel 19 Ffw moet het hierbij gaan om ‘een plaats die van wezenlijke betekenis is als leefomgeving voor beschermde inheemse planten of een beschermde inheemse diersoort, met het oog op de instandhouding van die plaats ten behoeve van die soort’. Hierbij kan worden gedacht aan kleine specifieke gebieden zoals een grot of een fort met vleermuizen of een stadsmuur met bijzondere planten daarop. 9 De aanwijzing als beschermd leefomgeving is niet mogelijk indien een plaats al is aangewezen als beschermd natuurmonument, Natura 2000-gebied of in het geval waarin de aanwijzing als natuurmonument of Natura 2000-gebied wordt voorbereid.10 Een aanwijzingsbesluit voor een beschermde leefomgeving bevat een opsomming van handelingen die mogelijkerwijs de aanwezige beschermde inheemse planten- of dieren kunnen aantasten.11Artikel 26 Ffw beschrijft de juridische consequenties van de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving. Degene die krachtens artikel 20 genoemde handelingen wil verrichten of doen verrichten, moet daarvan binnen een bepaalde termijn kennis geven aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen aan dergelijke handelingen voorschriften verbinden. Hierbij kan het bijvoorbeeld ook gaan om het herstellen van schade aan de beschermde leefomgeving. Bepaalde handelingen kunnen zelfs worden verboden. De aanwijzing van een beschermde leefomgeving is op geen enkele manier gekoppeld aan Natura 2000-gebieden en/of beheerplannen.
Bij de totstandkoming van de Flora- en faunawet is veel kritiek geuit op het instrument van de beschermde leefomgeving. Daarbij werd onder meer gewezen op de mogelijkheid om door middel van fictieve toestemming na vier weken (schadelijke) handelingen te verrichten, alsmede de beperkte reikwijdte van het beschermingsregime. De bescherming wordt beperkt tot limitatief opgesomde handelingen. Provincies zijn vrij om van het instrument beschermde leefomgeving gebruik te maken of niet.12 Het lijkt er op dat de provinciale overheden geen gebruik maken van de aanwijzingsbevoegdheid ex artikel 19 Ffw. In de literatuur, de jurisprudentie en op de websites van de provincies zijn (vooralsnog) geen voorbeelden te vinden van gebieden die zijn aangewezen als beschermde leefomgeving.13