type: TD
Rb. Limburg, 30-03-2022, nr. C/03/282864 / HA ZA 20-483
ECLI:NL:RBLIM:2022:2612
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
30-03-2022
- Zaaknummer
C/03/282864 / HA ZA 20-483
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2022:2612, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 30‑03‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2023:2752
ECLI:NL:RBLIM:2021:8031, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 20‑10‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:7314
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2023:2752
ECLI:NL:RBLIM:2021:7314, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 22‑09‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2023:2752
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:8031
Uitspraak 30‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Begroting van schade. Btw over saneringskosten is in dit geval onderdeel van de schade, omdat die niet als voorbelasting kon worden afgetrokken. De saneringswerkzaamheden hielden namelijk verband met een pand dat verhuurd wordt voor onderwijsactiviteiten. Het verzorgen van onderwijs is vrijgesteld van btw, waardoor ook de verhuur van het pand niet met btw belast kon worden. Prestaties (zoals de saneringswerkzaamheden) die met zijn geleverd ten behoeve van die verhuur zijn daardoor ook niet belast met btw.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/282864 / HA ZA 20-483
Vonnis van 30 maart 2022
in de zaak van
GEMEENTE VENLO,
zetelend te Venlo,
eiseres,
advocaat mr. J.D.E. van den Heuvel te Venlo,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht.
Partijen worden hierna de Gemeente Venlo en [gedaagde] genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het vonnis in incident van 20 oktober 2021
- -
de akte uitlating van de Gemeente Venlo van 20 oktober 2021 met daarbij producties 15 tot en met 18b
- -
de antwoordakte van [gedaagde] van 17 november 2021
- -
de akte uitlating van de Gemeente Venlo van 15 december 2021 met daarbij productie 19
- -
de antwoordakte van [gedaagde] van 12 januari 2022
- -
de akte houdende in het geding brengen van productie 20 van de Gemeente Venlo van 16 februari 2022
- -
de antwoordakte van [gedaagde] van 2 maart 2022.
1.2.
Tot slot is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
[gedaagde] betwist niet langer dat de Gemeente Venlo het door B.V. Campus Vastgoed Greenport Venlo (hierna: Campus) gevorderde bedrag aan schadevergoeding heeft betaald. Hij betwist wel dat de Gemeente Venlo gehouden was het (volledige) bedrag aan Campus te betalen.
De kosten van Strukton
2.2.
Strukton Worksphere BV (hierna: Strukton) heeft OCT sloop- en milieutechniek bv (hierna: OCT) als onderaannemer ingeschakeld voor het uitvoeren van de asbestsaneringswerkzaamheden. Uit de overgelegde offerte van OCT blijkt dat zij die werkzaamheden heeft uitgevoerd voor een totaalbedrag van € 142.500,00 exclusief btw. Strukton heeft de werkzaamheden bij Campus in rekening gebracht voor het totaalbedrag van € 170.000,00 exclusief btw. Volgens de Gemeente Venlo wordt het verschil tussen beide bedragen verklaard doordat Strukton aanvullend op de offerte van OCT nog de posten winst, risico, algemene kosten en een CAR-verzekering heeft opgenomen in de begroting.
2.3.
[gedaagde] heeft niet betwist dat de posten winst, risico, algemene kosten en CAR-verzekering in rekening mochten worden gebracht, althans noodzakelijk waren voor een goede uitvoering van de asbestsanering. In zoverre maken die posten terecht onderdeel uit van de door de Gemeente Venlo opgevoerde schade. Dat betekent echter niet dat daarmee ook vaststaat dat de hoogte van deze posten terecht is. De genoemde aanvullende posten zijn berekend over een bedrag van € 157.671,50 exclusief btw. De Gemeente Venlo heeft niet toegelicht waarom dat bedrag, in plaats van het door OCT geoffreerde bedrag van € 142.500,00 exclusief btw, als basis voor de berekening van de aanvullende kosten mocht worden gehanteerd door Strukton. Op dit punt heeft de Gemeente Venlo dan ook niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan en de rechtbank zal de schade ten aanzien van de door Strukton uitgevoerde werkzaamheden vaststellen op € 153.548,44 exclusief btw. Dat bedrag is als volgt tot stand gekomen aan de hand van de (niet gemotiveerd betwiste) percentages en minderkosten die Strukton heeft gehanteerd voor de aanvullende posten:
Totaal directe kosten: € 142.500,00
- winst, risico en algemene kosten (8,08%): € 11.514,00
- vervallen winst, risico en algemene kosten OCT: -/- € 1.001,11
Subtotaal: € 153.012,89
- CAR-verzekering (0,35%): € 535,55
Totaal: € 153.548,44
Btw over de kosten van Strukton
2.4.
In het door de Gemeente Venlo gevorderde bedrag aan schadevergoeding is ook btw opgenomen. [gedaagde] heeft betwist dat die btw door hem vergoed moet worden, omdat over schadevergoeding geen btw is verschuldigd.
2.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de diverse opgevoerde schadeposten inclusief btw aan Campus zijn gefactureerd. Evenmin is in geschil dat Campus de bedragen inclusief btw aan haar opdrachtnemers heeft vergoed. Die door Campus betaalde bedragen waren geen schadevergoeding, maar betaling van geleverde prestaties en dus met btw belast. Campus heeft de door haar aan haar opdrachtnemers betaalde bedragen (inclusief btw) een op een doorbelast aan de Gemeente Venlo. Om die reden is geen sprake van btw over schadevergoeding, maar van btw als zelfstandige schadepost.
2.6.
De Gemeente Venlo heeft verder gesteld dat Campus het onroerend goed vrijgesteld van btw verhuurt aan de Universiteit Maastricht. Zij konden niet opteren voor met btw belaste verhuur, omdat onderwijs in de Wet op de omzetbelasting 1968 is vrijgesteld van btw. Dat betekent volgens de Gemeente Venlo dat Campus de aan haar opdrachtnemers betaalde btw niet als voorheffing in aftrek kan brengen. [gedaagde] heeft betwist dat de wijze van verhuur enige rol speelt voor de vraag of de btw door de Gemeente Venlo aan Campus vergoed had moeten worden. De door de opdrachtnemers geleverde prestaties zijn namelijk wel met btw belast, Campus is een commercieel bedrijf en dat betekent volgens [gedaagde] dat Campus de btw wel als voorheffing in aftrek kon brengen.
2.7.
Anders dan [gedaagde] betoogt, is de wijze van verhuur wel degelijk van belang om te bepalen of Campus de btw die verband houdt met werkzaamheden aan het pand dat in deze zaak centraal staat in aftrek kan brengen. Artikel 15, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 bepaalt dat ondernemers de belasting in aftrek mogen brengen die door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. In artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is een nadere uitwerking gegeven van voormeld artikel 15. Artikel 11, lid 1, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bepaalt dat van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, de voorbelasting in het geheel niet voor aftrek in aanmerking komt. Daaruit volgt dat van belang is om na te gaan waarvoor de door de opdrachtnemers geleverde prestaties worden gebruikt.
2.8.
[gedaagde] heeft bij gebreke van wetenschap betwist dat sprake is van verhuur van het pand door Campus aan de Universiteit Maastricht. De Gemeente Venlo heeft een verklaring overgelegd van de heer John Raven, blijkens zijn e-mailadres werkzaam voor Campus, die de stelling dat sprake is van exclusieve verhuur van het pand door Campus aan de Universiteit Maastricht voor onderwijsdoeleinden ondersteunt. Gelet hierop had [gedaagde] niet kunnen volstaan met een enkele niet nader gemotiveerde betwisting bij gebreke van wetenschap. Hierna zal de rechtbank dan ook van de gestelde verhuur uitgaan.
2.9.
In dit geval hielden alle aan Campus geleverde prestaties verband met de sanering van het pand. Het pand wordt door Campus uitsluitend gebruikt voor verhuur aan de Universiteit Maastricht. Uit artikel 11, lid 1, aanhef en onder b, sub 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 volgt dat verhuur van onroerend goed is vrijgesteld van btw, tenzij verhuurder en huurder opteren voor een met btw belaste verhuur. Eveneens volgt daaruit dat voor die optie slechts gekozen kan worden als de huurder het onroerend goed gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van btw bestaat. Uit artikel 11, lid 1, aanhef en onder o, sub 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 volgt dat het verzorgen van onderwijs is vrijgesteld van btw. Dit betekent dat in onderhavig geval Campus en de Universiteit Maastricht niet konden opteren voor een btw belaste verhuur en dat de verhuur vrijgesteld is van btw.
2.10.
Campus heeft dus geen recht op aftrek van voorbelasting terzake de verhuur van het onroerend goed. Dit brengt, gelet op het hiervoor genoemde artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, met zich mee dat ook geen recht op aftrek bestaat ten aanzien van prestaties die uitsluitend worden gebruikt voor die verhuur. Aangezien de saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd ten behoeve van het mogelijk maken van de verhuur, bestaat geen recht op aftrek ten aanzien van de daarmee verband houdende kosten.
Conclusie, wettelijke rente en proces- en nakosten
2.11.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] gehouden is de schade van de Gemeente Venlo te vergoeden voor zover die ziet op de (gecorrigeerde) kosten van de asbestsanering door Strukton inclusief btw. Het gaat om een bedrag van € 153.548,44 exclusief btw, zijnde € 185.793,61 inclusief btw. In het tussenvonnis van 22 september 2021 is al geoordeeld dat [gedaagde] ook een bedrag van € 11.694,64 aan de Gemeente Venlo dient te vergoeden voor de kosten van RPS, het kostenonderzoek door ATOsborne en de btw daarover. De overige door de Gemeente Venlo gestelde schadeposten komen niet voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van in totaal € 197.488,25.
2.12.
[gedaagde] zal verder worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over voormeld bedrag. De Gemeente Venlo heeft wettelijke rente vanaf 1 september 2019 gevorderd, maar zij heeft niet gesteld waarom van die datum als verzuimdatum moet worden uitgegaan. Door de daad van dagvaarding is echter in elk geval verzuim ingetreden, zodat de wettelijke rente vanaf die datum (9 september 2020) toewijsbaar is.
2.13.
[gedaagde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld. De rechtbank is echter van oordeel dat de kosten die zijn gemaakt na het tussenvonnis van 22 september 2021 niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat De Gemeente Venlo nagelaten heeft vóór de mondelinge behandeling inzicht te geven in de opbouw van de gevorderde schadevergoeding. Als zij haar vordering toen al deugdelijk onderbouwd had, had direct eindvonnis gewezen kunnen worden en waren de na het tussenvonnis gewisselde aktes niet nodig geweest. De rechtbank zal daarom de kosten die na het tussenvonnis zijn ontstaan voor rekening van de Gemeente Venlo laten, in die zin dat zij haar eigen kosten vanaf dat moment dient te dragen.
- dagvaarding € 86,85
- griffierecht € 4.131,00
- salaris advocaat € 4.982,00 (2,0 punten × tarief € 2.491,00)
Totaal € 9.199,85
2.14.
De Gemeente Venlo heeft begroting van de nakosten verzocht. Dit zal worden gedaan op de wijze zoals hierna in de beslissing vermeld. De door de Gemeente Venlo gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten wordt eveneens toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan de Gemeente Venlo tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 197.488,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 september 2020 tot aan de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente Venlo tot op heden begroot op € 9.199,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken door
mr. I.M. Etman op 30 maart 2022.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑03‑2022
Uitspraak 20‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Incident. Verzoek om tussentijds hoger beroep tegen een tussenvonnis open te stellen, wordt afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/282864 / HA ZA 20-483
Vonnis in incident van 20 oktober 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
GEMEENTE VENLO,
zetelend te Venlo,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. J.D.E. van den Heuvel te Venlo,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] ,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht.
Partijen worden hierna de Gemeente Venlo en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 22 september 2021;
- -
het incidentele verzoek van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] om tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis toe te staan;
- -
de conclusie van antwoord in het incident van de Gemeente Venlo.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1.
In deze zaak is op 22 september 2021 tussenvonnis gewezen. Daarin is – kort gezegd – geoordeeld dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] de op hem rustende asbestsaneringsverplichting heeft geschonden en dat de Gemeente Venlo hem daarop kan aanspreken. De rechtbank heeft de Gemeente Venlo opgedragen om een nadere toelichting te geven op de door haar gestelde schade. Daarna krijgt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] gelegenheid om te reageren op die toelichting.
2.2.
Bij brief van 24 september 2021 heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] de rechtbank verzocht om tussentijds hoger beroep toe te staan van het tussenvonnis. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] voert daartoe aan dat de rechtbank ten aanzien van de aansprakelijkheid van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] al een bindende eindbeslissing heeft genomen. De Gemeente Venlo verzet zich tegen dit verzoek.
2.3.
Uitgangspunt van de wet is dat het hoger beroep van een tussenvonnis slechts tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis kan worden ingesteld (artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het gegeven dat de rechtbank een bindende eindbeslissing ten aanzien van de aansprakelijkheid heeft genomen, ziet de rechtbank onvoldoende grond om af te wijken van dit wettelijk uitgangspunt. De rechtbank is voorts van oordeel dat ook het belang van een voortvarende procesvoering meebrengt dat het verzoek om tussentijds hoger beroep toe te staan, moet worden afgewezen. De rechtbank zal tussentijds hoger beroep dan ook niet openstellen.
2.4.
[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit incident. De kosten aan de zijde van de Gemeente Venlo worden begroot op € 140,75 aan salaris advocaat (1/4 punt x tarief II ad € 563,00).
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] om tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 22 september 2021 open te stellen af;
3.2.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van de Gemeente Venlo tot op heden begroot op € 140,75.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken.
Type: TD
Uitspraak 22‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Uitleg van een koopovereenkomst voor onroerend goed. Hoe ver strekt de asbestsaneringsverplichting van de verkoper? Heeft de koper afstand gedaan van het recht om te klagen over nog resterend asbest door het restant van de koopsom te betalen na ontvangst van een asbestinventarisatierapport? Heeft de koper tijdig geklaagd? De rechtbank oordeelt dat de verkoper zijn asbestsaneringsverplichting heeft geschonden en dat de koper hem daarop nog kan aanspreken. De koper moet een nadere toelichting geven op de schade.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/282864 / HA ZA 20-483
Vonnis van 22 september 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
GEMEENTE VENLO,
zetelend te Venlo,
eiseres,
advocaat mr. J.D.E. van den Heuvel te Venlo,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht.
Partijen worden hierna de Gemeente Venlo en [gedaagde] genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding met producties 1 tot en met 10e
- -
de conclusie van antwoord
- producties 11 tot en met 14 zijdens de Gemeente Venlo van 30 juni 2021
- de aanvulling op productie 11 zijdens de Gemeente Venlo van 2 juli 2021
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 12 juli 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde] was eigenaar van het onroerend goed plaatselijk bekend als [adres] in [plaats] (hierna: het pand).
2.2.
Op 18 juli 2016 heeft Aelmans Eco B.V. (hierna: Aelmans) een rapport opgesteld van een in opdracht van [gedaagde] in het pand uitgevoerde asbestinventarisatie. In het rapport is onder meer opgenomen dat asbesthoudende materialen zijn aangetroffen op een zestal locaties. Verder is in het rapport vermeld:
“5.1 Samenvatting(…) Deze inventarisatie heeft niet geleid tot een ‘redelijk vermoeden’ op niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbesthoudende materialen. (…)
5.2.
Conclusie en aanbevelingen
(…)
Deze inventarisatie kan dienen als onderdeel van de aan te leveren gegevens bij een sloopmelding. Een aanvullende inventarisatie (type B) dient niet te worden uitgevoerd.”
2.3.
Partijen hebben op 20 juli 2016 een koopovereenkomst gesloten. De Gemeente Venlo heeft daarbij het pand gekocht van [gedaagde] voor een koopsom van € 1.400.000,00 vrij op naam. In de koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“3. De betaling van de koopsom zal in 2 termijnen geschieden:
- een eerste termijn ten bedrage van € 1.375.000,-- bij het passeren van de notariële akte van transport;
- een tweede en tevens laatste termijn ten bedrage van € 25.000,-- binnen 10 werkdagen nadat aan de verplichting tot asbestsanering zoals omschreven in artikel 12 van deze overeenkomst is voldaan.
(…)
12. Aan koper en verkoper is bekend dat oorspronkelijk in het gekochte asbest is verwerkt waarvan een deel reeds door verkoper of diens rechtsvoorgangers is verwijderd. Verkoper draagt voor eigen rekening en risico zorg voor het deugdelijk verwijderen door een erkend asbestverwijderingsbedrijf van alle nog resterende asbest in het gekochte, zulks ter beoordeling van het door verkoper aan te leveren asbestanalyserapport door koper.”
2.4.
De leveringsakte is op 17 augustus 2016 gepasseerd.
2.5.
Op 20 september 2016 heeft Aelmans, wederom op verzoek van [gedaagde] , een tweede rapport van asbestinventarisatie opgesteld. In het rapport is onder andere het volgende vermeld:
“5.1 Samenvatting
De volgende asbesthoudende materialen zijn aangetroffen:
Locatie toepassing klasse evt. afwijkingen
entreeruimte buis rondom 3 kolommen 2 -
Deze asbestinventarisatie heeft niet geleid tot een ‘redelijk vermoeden’ op niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbesthoudende materialen.
(…)
5.2.
Conclusie en aanbevelingen
(…)
Het onderzoek heeft (indien mogelijk) licht-destructief plaatsgevonden. Naast de standaard beperkingen van een asbestinventarisatie zijn er geen specifieke beperkingen en/of uitsluitingen. Deze inventarisatie is derhalve volledig.
Deze inventarisatie kan dienen als onderdeel van de aan te leveren gegevens bij een sloopmelding. Een aanvullende inventarisatie (type B) dient niet te worden uitgevoerd.”
2.6.
Partijen zijn overeengekomen dat het asbest rondom de kolommen in de entreehal zoals vermeld in het rapport van 20 september 2016 niet hoefde te worden verwijderd door [gedaagde] .
2.7.
De Gemeente Venlo heeft op 3 juli 2018 een koopovereenkomst gesloten met BV Campus Vastgoed Greenport Venlo (hierna: Campus) terzake het pand. Het pand is op 5 juli 2018 aan Campus geleverd. In de leveringsakte is onder meer het volgende opgenomen:
“Mocht tot het moment van afronding van de voorgenomen verbouwing op andere plaatsen in het verkochte dan de onder lid 2 van dit artikel genoemde kolommen alsnog asbest worden aangetroffen, dan is verkoper alsnog aansprakelijk voor alle kosten en schade hiervan, hieronder begrepen maar niet beperkt tot vertragingsschade.”
2.8.
Op 28 september 2018 heeft RPS advies- en ingenieursbureau bv (hierna: RPS) een rapport opgesteld van een in opdracht van Campus uitgevoerde asbestinventarisatie in het pand. Hierin is opgenomen dat op diverse locaties in het pand asbesthoudende bronnen zijn aangetroffen. Het gaat om andere locaties dan de kolommen in de entreehal die in het rapport van Aelmans van 20 september 2016 zijn genoemd.
2.9.
Campus heeft de Gemeente Venlo op 2 december 2018 aansprakelijk gesteld voor geleden schade ter hoogte van € 223.445,00 als gevolg van de aanwezigheid van meer asbest dan slechts dat bij de kolommen in de entreehal.
2.10.
De Gemeente Venlo heeft [gedaagde] op 2 juli 2019 schriftelijk aansprakelijk gesteld.
3. Het geschil
3.1.
De Gemeente Venlo vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan de Gemeente Venlo, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 14 dagen na te dezen te wijzen vonnis, te betalen een bedrag ad € 223.445,00 (zegge: tweehonderd drieëntwintig duizend en vierhonderd en vijfenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2019, althans vanaf de dag der dagvaarding en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding en te vermeerderen met de nakosten ad € 157,00 zonder betekening van het vonnis en € 239,00 na betekening van het vonnis, de proces- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na te dezen te wijzen vonnis.
3.2.
De Gemeente Venlo legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst, doordat hij niet alle in het pand aanwezige asbest heeft laten verwijderen. Daardoor moet [gedaagde] volgens de Gemeente Venlo alle als gevolg van die tekortkoming door haar geleden schade vergoeden. Die schade bestaat volgens de Gemeente Venlo uit de door Campus gevorderde en door de Gemeente Venlo betaalde schadevergoeding van in totaal € 223.445,00.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat de Gemeente Venlo niet tijdig heeft geklaagd en dat daardoor haar rechten zijn vervallen. Verder heeft de Gemeente Venlo volgens [gedaagde] afstand gedaan van haar recht om [gedaagde] aansprakelijk te stellen ten aanzien van door Aelmans niet ontdekte asbest. [gedaagde] betwist ook dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst. Tot slot heeft [gedaagde] de omvang van de gestelde schade betwist.
4. De beoordeling
4.1.
De rechtsvraag die voorligt, is of [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van een verbintenis die voortvloeit uit de koopovereenkomst van partijen van 20 juli 2016 en hij verplicht is de schade, die de gemeente stelt daardoor geleden te hebben, te vergoeden aan de Gemeente Venlo.
4.2.
De verweren van [gedaagde] zal de rechtbank hieronder beoordelen.
4.3.
Heeft de Gemeente Venlo tijdig geklaagd?
4.3.1.
Of tijdig is geprotesteerd moet worden beoordeeld met inachtneming van op alle relevante omstandigheden, waaronder ook het nadeel als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat tegen het gebrek is geprotesteerd.1.Daarbij geldt dat klachten als bedoeld in de artikelen 6:89 en 7:23 BW vormvrij zijn. De schuldeiser moet zijn wederpartij in beginsel echter wel, voor zover mogelijk, informatie verstrekken over de gestelde aard of omvang van de tekortkoming.2.
4.3.2.
De Gemeente Venlo heeft voor het eerst bij [gedaagde] geklaagd op 19 maart 2019. Op die dag heeft zij namelijk een e-mailbericht (productie 11 zijdens de Gemeente Venlo) aan [gedaagde] gestuurd met onder meer de volgende tekst:
“De gemeente Venlo heeft het gebouw destijds gekocht met de intentie het door te verkopen ten behoeve van een volledige verbouwing teneinde het geschikt te maken voor een nevenvestiging van de Universiteit Maastricht. Aldus is gebeurd, de Raad van Arbeid is gekocht door Campus Vastgoed Greenport Venlo BV (waarin de provincie Limburg een meerderheidsaandeel heeft).
Bij het onderzoek ten behoeve van de verbouwing bleek dat er veel meer asbest aanwezig was dan destijds in uw opdracht is vastgesteld door bureau Aelmans. Dit heeft geleid tot hoge extra kosten, die op de gemeente worden verhaald.
Hierover willen wij graag met u een gesprek aangaan.”
4.3.3.
Dit e-mailbericht voldoet, anders dan [gedaagde] stelt, aan de eisen die aan een klacht worden gesteld. Uit het bericht blijkt wat de tekortkoming is die de Gemeente Venlo [gedaagde] verwijt: de aanwezigheid van meer asbest dan door Aelmans vastgesteld. Bovendien blijkt uit het bericht dat de Gemeente Venlo schade heeft geleden als gevolg van de gestelde tekortkoming en dat zij daarover met [gedaagde] in gesprek wil. Het antwoord van [gedaagde] duidt er op dat voor hem duidelijk was wat hem verweten werd. Hij schrijft namelijk twee dagen na het bericht van de Gemeente Venlo dat hij overleg wil voeren met zijn adviseurs die bij de verkoop betrokken waren en dat hij daarna bij de Gemeente Venlo op de kwestie terug zal komen (productie 11 zijdens de Gemeente Venlo).
4.3.4.
De Gemeente Venlo heeft ook tijdig geklaagd. Daartoe is het volgende van belang. Nadat is vastgesteld dat en wanneer is geklaagd, is het aan de schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) om te stellen en zo nodig te bewijzen dat daarmee niet tijdig is geklaagd.3.Dientengevolge is van belang om ook vast te stellen wanneer de klachtplicht is ontstaan.
4.3.5.
De rechtbank constateert dat [gedaagde] enerzijds het standpunt heeft ingenomen dat de Gemeente Venlo zeker op 2 december 2018 op de hoogte was van de vordering van Campus, omdat zij toen aansprakelijk is gesteld door Campus, en anderzijds heeft [gedaagde] opgemerkt dat de Gemeente Venlo voor die datum informeel al op de hoogte zou zijn gehouden van de voortgang van de sanering. [gedaagde] betoogt echter ook dat de Gemeente Venlo te lang heeft gewacht met klagen na de formele aansprakelijkstelling. De Gemeente Venlo kon volgens [gedaagde] de klacht van Campus een op een doorsturen naar [gedaagde] . Verder heeft [gedaagde] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat er voor de Gemeente Venlo geen reden was om langer dan een dag te wachten nadat zij aansprakelijk werd gesteld. Gelet hierop vat de rechtbank het verweer van [gedaagde] zo op dat 2 december 2018 als aanvangsmoment van de klachtplicht wordt gehanteerd.
4.3.6.
Campus heeft de Gemeente Venlo aansprakelijk gesteld bij schrijven van 2 december 2018 (productie 8 bij dagvaarding). Op dat moment is de Gemeente Venlo in ieder geval bekend geraakt met de aanwezigheid van meer asbest in het pand dan door Aelmans vastgesteld. De Gemeente Venlo heeft zich daarna binnen een termijn van ongeveer drie maanden tot [gedaagde] gewend. Dit tijdsverloop acht de rechtbank op zichzelf bezien niet zodanig lang dat reeds daardoor sprake zou zijn van schending van de klachtplicht. Het door [gedaagde] gestelde nadeel brengt dat evenmin met zich mee. [gedaagde] heeft namelijk gesteld dat hij geen mogelijkheid heeft gehad om te interveniëren in de discussie over de uitvoering van de saneringswerkzaamheden. Het had op zijn weg gelegen om toe te lichten wat hij precies had kunnen doen als de gemeente (veel) eerder bij hem had geklaagd. In dit verband is van belang dat op 2 december 2018, het moment waarop de Gemeente Venlo door Campus aansprakelijk is gesteld, de saneringswerkzaamheden al waren voltooid. Het valt dus niet in te zien dat [gedaagde] enige invloed op de saneringswerkzaamheden had kunnen uitoefenen, zelfs als de Gemeente Venlo daags na ontvangst van de aansprakelijkstelling al contact had opgenomen met [gedaagde] .
4.3.7.
Gelet op het voorgaande heeft de Gemeente Venlo haar klachtplicht niet geschonden.
4.4.
Heeft de Gemeente Venlo afstand van recht gedaan?
4.4.1.
Volgens [gedaagde] moet artikel 12 van de koopovereenkomst zo worden opgevat dat de Gemeente Venlo afstand heeft gedaan van haar recht om [gedaagde] later aansprakelijk te stellen voor de aanwezigheid van asbest in het pand, door akkoord te gaan met het overgelegde asbestinventarisatierapport en daarna het restant van de koopsom te betalen.
4.4.2.
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het namelijk aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.4.Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg.5.
4.4.3.
Voor zover artikel 12 van de koopovereenkomst al zou inhouden dat door akkoord te gaan met het overgelegde asbestinventarisatierapport en betaling van het restant van de koopsom afstand van enig recht wordt gedaan, kan dit slechts zien op voor de Gemeente Venlo bekend geworden asbest. Voor afstand van recht is immers vereist dat degene die afstand doet van zijn rechten weet dat hij die rechten heeft. Als vast komt te staan dat de rechthebbende dwaalde over zijn eigen rechtsaanspraak door een onjuist inzicht in de feiten, moet de stelling dat de rechthebbende afstand zou hebben gedaan van zijn recht worden afgewezen.6.De akkoordverklaring van de Gemeente Venlo is in dit geval gebaseerd op rapporten van Aelmans waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de inventarisatie volledig is en dat een aanvullende inventarisatie (type B) niet dient te worden uitgevoerd. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat de Gemeente Venlo een juist inzicht had in de feiten, zodat zij geen afstand kan hebben gedaan van haar recht om [gedaagde] aan te spreken ten aanzien van asbest dat niet door Aelmans is ontdekt.
4.4.4.
Voor het overige heeft [gedaagde] onvoldoende feitelijk gesteld en onderbouwd dat partijen zouden hebben bedoeld overeen te komen dat de Gemeente Venlo (bij voorbaat) afstand zou doen van eventuele rechten waar zij geen kennis van had, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van afstand van recht.
4.5.
Welke verplichtingen van [gedaagde] zijn partijen overeengekomen?
4.5.1.
Voordat de rechtbank kan beoordelen of [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van een verbintenis die voortvloeit uit de koopovereenkomst, moet eerst vastgesteld worden welke verplichtingen op [gedaagde] rustten gelet op de inhoud van die overeenkomst. Voor de beoordeling van de vraag welke verplichtingen partijen zijn overeengekomen, geldt dezelfde maatstaf als weergegeven in overweging 4.4.2.
4.5.2.
De koopovereenkomst bepaalt in artikel 12 dat [gedaagde] “voor eigen rekening en risico zorg [draagt] voor het deugdelijk verwijderen door een erkend asbestverwijderingsbedrijf van alle nog resterende asbest in het gekochte”. De tekst van de overeenkomst, die door de makelaar van [gedaagde] is opgesteld, spreekt dus van de verplichting om alle asbest te verwijderen.
4.5.3.
Aan de ondertekening van de koopovereenkomst is een asbestinventarisatierapport van 18 juli 2016 voorafgegaan (productie 2 bij dagvaarding). Dat rapport is door Aelmans opgesteld in opdracht van [gedaagde] . In dat rapport zijn een aantal locaties genoemd waar asbest is aangetroffen. Uit het rapport dat na de sanering, op 20 september 2016 (productie 4b bij dagvaarding), door Aelmans is opgesteld, blijkt dat naast de eerdergenoemde locaties nog een andere locatie is ontdekt waar asbest aanwezig was: bij de kolommen in de entreehal. Tussen partijen is overeengekomen dat het asbest op die plek niet hoefde te worden verwijderd. Dit was niet nodig geweest als partijen met artikel 12 van de koopovereenkomst hadden bedoeld dat slechts het asbest verwijderd hoefde te worden dat in het eerste asbestinventarisatierapport was genoemd. In het eerste rapport waren de kolommen immers niet genoemd. Ook dit duidt erop dat partijen hebben bedoeld dat [gedaagde] alle asbest moest verwijderen, ook asbest dat niet in het rapport van Aelmans was genoemd.
4.5.4.
Verder blijkt uit niets dat partijen zijn overeengekomen dat een bepaald type asbestinventarisatie moest worden uitgevoerd. [gedaagde] stelt weliswaar dat een type A onderzoek is overeengekomen, maar onderbouwt dit verder niet. De keuze voor het bedrijf dat de inventarisatie zou uitvoeren, is bovendien aan [gedaagde] overgelaten. Hij heeft ervoor gekozen om opdracht te geven aan Aelmans om een asbestinventarisatie uit te voeren. In de verhouding tussen de Gemeente Venlo en [gedaagde] komt een onvolledige inventarisatie, gelet op de keuzevrijheid van [gedaagde] , dan ook in beginsel voor rekening en risico van [gedaagde] .
4.5.5.
Dat sprake is van een relevant verschil in deskundigheid tussen partijen, is niet gebleken. [gedaagde] werd immers bij de verkoop bijgestaan door een makelaar en een architect. Bovendien heeft [gedaagde] Aelmans, een onderneming gespecialiseerd in onder andere asbest, ingeschakeld voor de asbestinventarisatie.
4.5.6.
Door [gedaagde] is nog gesteld dat hij een hogere koopprijs zou hebben bedongen als hij had geweten dat op hem een zwaardere saneringsverplichting rustte dan door hem verondersteld. [gedaagde] heeft echter niet gesteld dat dit op enigerlei wijze kenbaar was voor de Gemeente Venlo. Daarom valt niet in te zien waarom [gedaagde] op basis van die omstandigheid mocht verwachten dat de Gemeente Venlo genoegen zou nemen met een sanering van enkel het door Aelmans geconstateerde asbest.
4.5.7.
Al deze omstandigheden in samenhang bezien leiden tot de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] verplicht was om alle in het pand aanwezige asbest te verwijderen; ongeacht of dat asbest door Aelmans is ontdekt.
4.6.
Is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen?
4.6.1.
RPS heeft in opdracht van Campus op 28 september 2018 een rapport opgesteld waaruit volgt dat op een groot aantal locaties nog asbest in het pand aanwezig was toen RPS het pand onderzocht (productie 6 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft de inhoud van het rapport niet betwist. Evenmin is gesteld of gebleken dat tussen de verkoop van het pand door [gedaagde] aan de Gemeente Venlo en het moment dat de Gemeente Venlo het pand verkocht aan Campus relevante wijzigingen aan het pand hebben plaatsgevonden. Daardoor staat vast dat het door RPS ontdekte asbest aanwezig moet zijn geweest op het moment dat de Gemeente Venlo het pand van [gedaagde] kocht.
4.6.2.
Zoals hiervoor is geoordeeld, rustte op [gedaagde] de verplichting om alle asbest in het pand te verwijderen. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van die verplichting, omdat nog asbest aanwezig was toen het pand aan de Gemeente Venlo werd geleverd.
4.7.
Welke schade moet [gedaagde] vergoeden?
4.7.1.
Aangezien niet is betwist dat sprake is van verzuim en evenmin is gesteld dat de tekortkoming niet aan [gedaagde] is toe te rekenen, dient [gedaagde] de schade te vergoeden die de Gemeente Venlo heeft geleden als gevolg van de tekortkoming.
4.7.2.
Anders dan [gedaagde] stelt, is de schade niet pas ontstaan door het rapport van Aelmans van 1 juni 2018 (productie 5 bij dagvaarding), maar is de schade ontstaan toen [gedaagde] het pand leverde terwijl daarin nog asbest aanwezig was. Als [gedaagde] zijn verplichting tot sanering van alle resterende asbest was nagekomen, zou Campus geen kosten hebben hoeven te maken voor sanering van bij de verbouwing ontdekt asbest. In dat geval zou de Gemeente Venlo niet aansprakelijk zijn gesteld voor de door Campus geleden schade. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de door Campus op de Gemeente Venlo verhaalde schade, mits die verband houdt met de sanering die Campus heeft laten uitvoeren.
4.7.3.
De Gemeente Venlo stelt aan Campus een schadevergoeding voldaan te hebben van in totaal € 223.445,00. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
- asbestinventarisatie door RPS € 8.165,00
- asbestsaneringswerkzaamheden door Strukton € 170.000,00
- kostenonderzoek door ATOsborne € 1.500,00
- urenvergoeding voor Campus € 5.000,00
- btw € 38.780,00
4.7.4.
[gedaagde] heeft de kosten van de saneringswerkzaamheden en de urenvergoeding voor Campus betwist. De overige schadeposten heeft [gedaagde] niet betwist. De gevorderde schadevergoeding is daarom in ieder geval toewijsbaar voor zover zij ziet op de kosten van RPS, het kostenonderzoek door ATOsborne en de btw over die kosten. Het gaat om een bedrag van in totaal € 11.694,65.
4.7.5.
De Gemeente Venlo heeft niet voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van de schadevergoedingsvordering voor zover zij ziet op de urenvergoeding voor Campus. Zij heeft namelijk niet onderbouwd waarom de urenvergoeding voor Campus in causaal verband staat tot de tekortkoming van [gedaagde] . Dat causaal verband is door [gedaagde] betwist en gelet daarop had het op de weg van de Gemeente Venlo gelegen om een nadere toelichting te geven. De enkele verwijzing naar de aansprakelijkstelling die Campus aan de Gemeente Venlo heeft gestuurd (productie 8 bij dagvaarding), is daartoe onvoldoende. In die aansprakelijkstelling is namelijk geen enkele toelichting gegeven op de omvang van de uren. Ook is niet toegelicht waarom die uren in verband zouden staan met de sanering. De gevorderde schadevergoeding wordt daarom afgewezen voor zover zij ziet op de urenvergoeding plus de btw daarover. Het gaat om een bedrag van in totaal € 6.050,00.
4.7.6.
De saneringskosten zijn door de Gemeente Venlo onderbouwd met een specificatie van Van Straten/Strukton (productie 7b bij dagvaarding). Ter discussie staat of dit een factuur is of niet. Op het document is niet vermeld wat de status ervan is. Bovendien bestaat de specificatie met name uit een grote post ‘asbestsanering’ voor een bedrag van € 140.000,00. Daarbij is vermeld ‘conform offerte 04-10-2018’. Teneinde te kunnen beoordelen of de saneringskosten volledig voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de Gemeente Venlo een nadere toelichting geeft op deze post. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat het mogelijk is om die offerte aan de rechtbank over te leggen. Ook is het volgens haar mogelijk om een betaalbewijs in het geding te brengen waaruit blijkt dat het bedrag van € 223.445,00 aan Campus is betaald.
4.7.7.
De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 22 Rv. Zij zal de Gemeente Venlo bevelen om bij akte een nadere toelichting te geven op de gevorderde schade voor zover die verband houdt met de kosten van Van Straten/Strukton. De rechtbank beveelt de Gemeente Venlo, eveneens op de voet van artikel 22 Rv, om gelijktijdig met de toelichting de volgende stukken in het geding te brengen:
- de offerte van Strukton van 4 oktober 2018 betreffende de asbestsanering van het pand;
- een bewijs waaruit de betaling van het bedrag van € 223.445,00 aan Campus blijkt.
4.7.8.
[gedaagde] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om zich bij antwoord-akte uit te laten over de gegeven toelichting en de overgelegde stukken.
4.7.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
beveelt de Gemeente Venlo om op de rol van woensdag 20 oktober 2021 een nadere toelichting te geven op de gevorderde schadevergoeding voor zover die verband houdt met de kosten van Van Straten/Strukton en om daarbij over te leggen de offerte van Strukton van 4 oktober 2018 betreffende de asbestsanering van het pand alsmede een bewijs waaruit de betaling van het bedrag van € 223.445,00 aan Campus blijkt;
5.2.
stelt [gedaagde] in staat om vier weken nadat de Gemeente Venlo genoemde akte heeft genomen, een antwoord-akte te nemen;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken.
Type: TD
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑09‑2021
Hoge Raad 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615.
Hoge Raad 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8297.
Hoge Raad 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593.
Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
Hoge Raad 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572.
Hoge Raad 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7008.