Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.2.2
5.2.2 Geen uitkeringsverbod maar verboden uitkering
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232364:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lubbers 1978.
Lubbers 1978; Van Houte 2009, p. 21.
Ter illustratie verwijs ik naar A.J.S. van Lier, ‘Bedenkelijke „stichtingen”’, NJB 1937, p. 673-674. Van Lier noemt hier het doel van de stichting Boaz-Spaarbank, welke stichting gelden renteloos ter beschikking stelde aan Boaz Bank als vergoeding voor het gevoerde beheer. Van Lier is gekant tegen deze stichting omdat die alleen bestaat om Boaz Bank van inkomsten te voorzien. In het onderschrift bij het artikel wijst v. O[ven] erop dat deze stichting een doel heeft in strijd met de openbare orde of goede zeden.
Ik herinner eraan, dat bij de invoering van Boek 2 BW veel bepalingen uit de Wet op stichtingen materieel ongewijzigd zijn overgebracht naar dit wetboek, zie 2.2.2.2.
Hendriks 1994, p. 112.
G.M. ter Huurne, De familiestichting: een nieuwe rechtsvorm?, in: A-T-D. Opstellen aangeboden aan Prof. mr. P. van Schilfgaarde (Van Schilfgaarde-bundel), Deventer: Kluwer 2000, p. 195-196.
Koele 2011, p. 179.
Van Houte 2009, p. 18.
P.F. Veltman, ‘De familiestichting; zwaan of lelijk eendje?’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2005/2.
Omdat slechts bepaalde uitkeringen verboden zijn, geeft de term ‘uitkeringsverbod’ niet weer wat daarmee wordt bedoeld. Slechts die uitkeringen zijn verboden die onverplicht zijn gedaan anders dan met ideële of sociale strekking of zijn gedaan aan bestuurders of andere personen als bedoeld in artikel 2:285 lid 3 BW. Het gebruik van de term ‘uitkeringsverbod’ trekt ons daardoor direct in een bepaalde, onjuiste, richting. Ik zal hierna, in navolging van Lubbers,1 spreken van ‘verboden uitkering’, een term die veel duidelijker aangeeft waar het om gaat.
Zo zet de term ‘verboden uitkering’ in tegenstelling tot de term ‘uitkeringsverbod’ ons niet op het verkeerde been bij de vraag of het doen van uitkeringen verboden is. Dat is namelijk niet het geval. Een stichting mag zeker uitkeringen doen.2 De stichting mag echter niet tot doel hebben bepaalde uitkeringen te doen. Heeft de stichting dat doel toch, dan is sprake van een ‘verboden uitkering’. Het gaat er dus om vast te stellen wanneer een stichting tot doel heeft verboden uitkeringen te doen. Om dat goed te doorgronden is het van belang de oorsprong van het leerstuk van de verboden uitkering te onderzoeken. Als ik dat doe, blijkt dat misbruik van de stichting de reden was voor de introductie van de verboden uitkering. In de praktijk bestonden talrijke stichtingen die in feite verkapte NV’s waren.3 In de eerste wettelijke regeling voor de stichting, de Wet op stichtingen, werd hierover dan ook een bepaling opgenomen, artikel 1 lid 3 Wos. Deze bepaling is gelijkluidend aan het huidige artikel 2:285 lid 3 BW.4
Maar waaruit bestaat het misbruik dat met bovenstaande bepaling beoogd wordt tegen te gaan? Wat opvalt bij het bestuderen van het leerstuk van de verboden uitkering, is dat, vooral in de meer recente literatuur, de achtergrond van de verboden uitkering na tientallen jaren op de achtergrond te zijn geweest, weer naar voren komt. Voor de meer recente literatuur kan worden gewezen op bijdragen van Hendriks,5 Ter Huurne,6 Koele,7 Van Houte8 en Veltman9 die, zonder omhaal van woorden, de achtergrond van de verboden uitkering noemen: het dupliceringsverbod.