Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/7.4.3
7.4.3 Kaldor-Hicks-efficiëntie: Breed toepassingsbereik, minder zekerheid
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298002:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in deze zin Hovenkamp 1994, p. 34: “If noncomparability of utilities and methodological individualism were taken seriously, all aggregations of values would be impossible. This does not mean that law and economics or even economics is impossible. It merely means that we must understand that every economic conclusion with the exception of strict Paretianism (which is a virtually useless policy tool) involves one set of surrogates for subjective individual value and a second set of surrogates for collective, or social, value.”
Hovenkamp 2000, p. 847.
Posner 1985, p. 103.
Zie over het meten hiervan Angner 2010.
Lawson 1992, p. 60; Hovenkamp 1994, p. 35.
Zie in vergelijkbare zin Sen 1999, p. 365.
Zie in deze zin over het trekken van conclusies over de voorkeuren van mensen op basis van incomplete informatie bijvoorbeeld Sen 1970, p. 398 e.v.
Op zijn minst kunnen maatregelen worden geïdentificeerd waarvan het hoogst onwaarschijnlijk is dat ze de maatschappelijke welvaart verhogen. Zie Sen 1970, p. 395 voor een voorbeeld van een geval waarin één persoon er een klein beetje op vooruitgaat en de rest van de maatschappij er sterk op achteruit gaat. Door zulke maatregelen bij voorbaat uit te sluiten wordt het waarschijnlijker dat de mogelijke maatregelen die overblijven de maatschappelijke welvaart verhogen. Zie ook Sen 1999, p. 365.
279. De tweede ‘oplossing’ voor de onmogelijkheid van ‘interpersonal utility comparisons’ is hetgeen dat juristen (onbewust) vaak doen: het verlagen van de mate van zekerheid waarmee conclusies kunnen worden getrokken. De reden daarvoor is dat er alternatieven moeten worden gevonden voor de informatie die niet beschikbaar is door de onmogelijkheid van ‘interpersonal utility comparisons’.1 Aangezien het niet mogelijk is om in iemands hoofd te kijken, moet een zo goed mogelijke inschatting worden gemaakt van de gevolgen die een maatregel voor iemand zal hebben. Omdat het daarnaast niet mogelijk is om de gevolgen voor verschillende individuen te vergelijken, moet tevens een zo goed mogelijke inschatting worden gemaakt van de relatieve impact van een maatregel voor de verschillende personen die erdoor worden geraakt.
280. Juristen zijn vertrouwd met verschillende technieken om de gevolgen van een maatregel voor verschillende personen in te schatten. Zo maken zij gebruik van een ‘maatman’, een gemiddeld persoon, om in te schatten hoe mensen normaliter op een maatregel zullen reageren.2 Ze kijken naar de voorkeuren van mensen die in de maatschappij leven.3 Eventueel kun nen ze daarbij statistisch materiaal gebruiken.4 Ze maken gebruik van ervaringsregels en hun eigen beleving om zichzelf in de schoenen van een ander te plaatsen.5 Eventueel kunnen ze ook gebruik maken van inzich ten uit andere disciplines, zoals de psychologie of sociologie, om in te schat ten wat de gevolgen van een maatregel voor een ander zijn.6
281. Het gebruik van de bovenstaande technieken zorgt ervoor dat er toch met een redelijke mate van zekerheid kan worden ingeschat wat de gevolgen van een maatregel voor iemands persoonlijke welvaart zijn.7 Als men ervan uitgaat dat het mogelijk is om de gevolgen van een maatregel voor de persoonlijke welvaart van één persoon in te schatten, dan is de stap naar het vergelijken van de gevolgen van een maatregel voor twee ver schillende personen niet zo groot meer.8 Een maatregel die per saldo de maatschappelijke welvaart lijkt te verhogen kan dan op basis van deze inschattingen worden gerechtvaardigd. Het inschatten van de gevolgen van een maatregel gaat daarom hand in hand met het toepassen van de Kaldor-Hicks-efficiëntiemaatstaf (zie paragraaf 4.4.3).
282. Het toepassen van de Kaldor-Hicks-efficiëntiemaatstaf op het opbouwen en aanvullen van rechtsobjecten en subjectieve rechten gebeurt eveneens in de vorm van juridische regels. De wetgever (of rechter) die deze regels formuleert maakt steeds een inschatting van de gevolgen voor een gemiddeld persoon van het dwingend toevoegen van bepaalde schaarse middelen aan rechtsobjecten, respectievelijk het dwingend toevoegen van bepaalde juridische posities aan subjectieve rechten. Een gemiddeld persoon kan erop vooruitgaan als hij schaarse middelen of voordelige juridische posities erbij krijgt, maar er ook op achteruit gaan als hij schaarse midde len of voordelige juridische posities verliest. Als een regel de persoonlijke welvaart van degenen die erop vooruitgaan méér verhoogt dan dat de per soonlijke welvaart van degenen die erop achteruitgaan wordt verlaagd, dan is het efficiënt om de regel in te voeren om de maatschappelijke welvaart te verhogen.