Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VIII. 2.1
VIII. 2.1 Groenselect: het categorisch nee van de Hoge Raadraad
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178737:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Nemen partijen deze grens niet in acht, dan is de arbitrageovereenkomst nietig (art. 3:40 lid 1 BW) en kan een desondanks uitgesproken arbitraal vonnis worden vernietigd (art. 1065 lid 1 onder a en e Rv). Zie Meijer 2011, p. 833 en 936, en GS Burgerlijke Rechtsvordering/Snijders 2018, art. 1020 Rv, aant. 4.1.1. Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 611, nr. 3, p. 3 (MvT Arbitragewet 2015).
Zie Meijer 2011a, p. 321 en GS Burgerlijke Rechtsvordering/Snijders 2018, art. 1020 Rv, aant. 4.2-4.8. Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 611, nr. 3, p. 3 (MvT Arbitragewet 2015).
HR 10 november 2006, NJ 2007/561, m.nt. Snijders, JOR 2007/5, m.nt. Sanders (Groenselect), rov. 3.5.
Zie HR 26 november 2010, NJ 2011/55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), rov. 3.4.2.
A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 26 november 2010, NJ 2011/55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), onder 3.8.
M.i. zijn dit wel degelijk besluiten. Zie § II.
Kamerstukken II 2012/13, 33 611, nr. 3, p. 4 (MvT Arbitragewet 2015).
Partijen kunnen bij overeenkomst of in de statuten van een rechtspersoon afspreken dat een arbiter tussen hen rijzende geschillen beslecht, zulks met uitsluiting van de overheidsrechter (art. 1020 en 1022 Rv). Deze vrijheid is niet zonder grenzen. Zo bepaalt art. 1020 lid 3 Rv dat arbitrage niet mag zien op ‘de vaststelling van rechtsgevolgen welke niet ter vrije bepaling van de partijen staan’.1 Deze sacrale, op zichzelf wat onduidelijke woorden van de wetgever moeten niet te strikt worden genomen. Dat een wetsbepaling van dwingend recht is, blokkeert arbitrage niet. Slechts over een zaak van openbare orde, vaak blijkens de wet behorend tot de exclusieve competentie van de overheidsrechter, kan een scheidsgerecht niet oordelen. Voorbeelden zijn scheidingszaken of het uitspreken van een faillissement.2
Kan een besluit van een rechtspersoon dan aan arbitrage worden onderworpen? Het Groenselect-arrest beantwoordt deze vraag categorisch ontkennend. Welke rechtsgevolgen het besluit heeft, welke gevolgen voor derden het ook teweegbrengt, een besluit ligt per definitie buiten het werkterrein van de arbiter.3 Een scheidsgerecht kan zich wel uitspreken over de uitvoering van een besluit4 of over een beslissing die geen besluit is in de zin van art. 2:14-16 BW.5 Wat dit laatste betreft wijst de heersende leer op de ‘beslissingen’ als het niet goedkeuren van de jaarrekening of het aanschaffen van een machine.6 De nietigheid of vernietiging van een besluit als zodanig is daarentegen een rechterlijk privilege. Bij de recente herziening van het arbitragerecht bleek de regering dit standpunt te delen, althans zij verwees kortweg naar Groenselect.7
De Hoge Raad onderbouwt de non-arbitrabiliteit van besluiten met twee argumenten, die ik achtereenvolgens bespreek.