Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.4.1:4.2.4.1 Aanknopingspunten subjectieve belastingplicht onbeperkt binnenlands belastingplichtigen
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.4.1
4.2.4.1 Aanknopingspunten subjectieve belastingplicht onbeperkt binnenlands belastingplichtigen
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398762:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
H.P.J. Goossen, Belastingplicht in de vennootschapsbelasting, FED fiscale brochures, Kluwer, 1991, blz. 72.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Nederlandse fiscale wet is er geen eenduidige fiscale definitie van het begrip lichaam. De fiscale wetgever lijkt in grote lijn te hebben gekozen voor een pragmatische oplossing waarin een opsomming en omschrijving van rechtsvormen wordt gegeven in de Wet VPB 1969 die ervoor zorgt dat de winst van die ondernemingen in de winst wordt betrokken die buiten het bereik van de inkomstenbelasting zou blijven. Een uitzondering is echter de fiscale behandeling van de open CV. Kort samenvattend, is er discussie over de gekozen criteria rechtspersoonlijkheid én verhandelbare participaties voor het bepalen van de vennootschapsbelastingplicht. Ten aanzien van het criterium verhandelbare participaties is er wederom discussie over de onoverzichtelijke en onduidelijke uitleg van het criterium vrije verhandelbaarheid van participaties.
Goossen vat een en ander mijns inziens goed samen door te stellen dat de IB en de VPB naadloos behoren aan te sluiten, maar dat ten aanzien van de vraag welke lichamen aan de VPB dienen te worden onderworpen en welke entiteiten transparant zijn zodat de deelgenoten rechtstreeks in de IB worden aangeslagen niet in alle gevallen principieel is beslist. Het zou volgens hem mogelijk moeten zijn om meer eenvoud en rechtszekerheid scheppende formele criteria in de wet op te nemen ter bepaling van de subjectieve belastingplicht.1 Mijns inziens voldoen de huidige aanknopingspunten voor het vaststellen van de onbeperkte binnenlandse vennootschapsbelasting niet, of in mindere mate aan alle toetsen uit mijn toetsingskader. In de volgende subparagrafen zal ik dat nader toelichten.
4.2.4.1.1 Rechtspersoonlijkheid en verhandelbare participaties geen dragende rechtsgrond4.2.4.1.2 Onoverzichtelijke en onduidelijke uitleg criterium “vrije verhandelbaarheid’’