Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.2.1
6.3.2.1 De doctrine
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495783:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jansen (Burgerlijke Rechtsvordering III) losbladige Kluwer (1988), titel 4, art. 732 Rv, aant. 2.
Cremers 1983, p. 649 (onder 6).
Cleveringa 1972, p. 1486, art. 732 lid 1, aant.1.
Oudelaar maakt een uitzondering voor een niet door de beslaglegger aangetoonde vordering die tot afwijzing van de vordering tot opheffing kan leiden indien het beslag niet hinderlijk is voor de beslagene (belangenafweging): Oudelaar 1995, p. 156.
Schenk/Blaauw & De Bruijn-Luikinga 1984, p. 136-140, spreken in het kader van de opheffingsgronden in art. 732 Rv (oud) van ‘dient te worden opgeheven’ evenals van ‘kan worden bevolen’ en ‘moet worden opgeheven’.
Gieske 2012 (T&C Burgerlijke Rechtsvordering), art. 705, aant. 3a, p. 1277, onder verwijzing naar HR 25 november 2005, LJN AT9060, NJ 2006, 148 m.nt. Rutgers (Rohde Nielsen/De Donge).
Onder verwijzing naar Reehuis & Slob 1992, p. 314.
Reehuis & Slob 1992, p. 313-314.
Zie de eerder genoemde arresten HR 14 juni 1996, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters), HR 13 juni 2003, LJN AF5529, NJ 2005, 77 (Daan/Bremen), HR 25 november 2005, LJN AT9060, NJ 2006, 148 m.nt. Rutgers (Rohde Nielsen/De Donge) en HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007/483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baaien c.s.).
Waarmee de wettelijke regels inzake bewijslastverdeling niet van toepassing zijn.
Nr. 3.16 van de conclusie voor HR 25 november 2005, LJN AT9060, NJ 2006, 148 m.nt. Rutgers (Rohde Nielsen/De Donge).
Zie bijvoorbeeld Cleveringa 1972, p. 1486, art. 732 lid 1, aant. 1.
Jansen 2008, p. 7, naar aanleiding van HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007/483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baalen c.s.).
De Greve 2006, p. 180-184, ook naar aanleiding van HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007/483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baalen c.s.).
In de oudere doctrine vermeldt Jansen dat in het geval dat is gebleken van het bestaan van een der gronden voor opheffing, het belang van de debiteur prevaleert boven dat van de schuldeiser en derhalve opheffing van het beslag verplicht is.1 Cremers vindt het ‘voor de hand liggend’ dat alsdan het beslag moet worden opgeheven.2 Idem: Van Rossum-Cleveringa die ook spreekt van gevallen waarin het beslag moet worden opgeheven.3 Oudelaar vermeldt dat strikt genomen uit artikel 705 lid 2 slechts af te leiden is dat de rechter, indien de beslagene in het bewijs slaagt, het beslag moet opheffen, alhoewel deze hierop (al) een nuancering aanbrengt voor de situatie waarin een belangenafweging plaatsvindt.4 Schenk gebruikt verschillende termen naast elkaar, doch vangt aan met vermelding van de grote rol die de belangenafweging speelt en het belang van feitelijke omstandigheden.5 Recenter, en in lijn met de huidige rechtspraak, vermeldt Gieske dat de beoordeling niet kan plaatsvinden zonder belangenafweging, hetgeen betekent dat indien de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, dit nog niet noopt tot opheffing van het beslag,6 en contrair dat het beslag kan worden opgeheven indien een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.7 Toch start ook Gieske zijn toelichting met het betoog dat de rechter, indien deze een der opheffingsgronden van artikel 705 lid 2 Rv aanwezig acht, het beslag moet opheffen. In de parlementaire geschiedenis,8 waarnaar ook de Hoge Raad (later) bij de uitleg van artikel 705 lid 2 Rv verwijst,9 wordt niet het imperatief maar het niet-limitatief karakter van het artikel op de voorgrond gesteld, hetgeen tweeledig wordt toegepast, te weten niet slechts als opheffingsgrond, maar feitelijk ook als handhavingsgrond. Omdat de beoordeling van een vordering tot opheffing van beslag nu juist in een kortgedingprocedure plaatsvindt,10 gebeurt dit niet zonder een afweging van wederzijdse belangen. De belangenafweging wordt hierbij (als een ‘on top’ niet-limitatieve grond) een positie als mogelijke opheffings- én handhavingsgrond toegedeeld. Of, zoals A-G Verkade het in zijn conclusie voor het arrest Rohde Nielsen/De Donge11 formuleert: de imperatieve formulering duidt erop dat de rechter in beginsel tot opheffing moet overgaan, maar er bestaat een ‘niet-opheffingsgrond’ in de afweging van belangen. Deze kan ertoe leiden dat in geval van een summierlijk ondeugdelijk bevonden vordering of een onnodig beslag, het beslag niet wordt opgeheven. Deze interpretatie van de Hoge Raad is – in tegenstelling tot bijvoorbeeld het niet-limitatieve karakter op grond waarvan ook op niet in de wet genoemde gronden kan worden opgeheven-12 niet in anterieure doctrine terug te vinden. Jansen meent dat de Hoge Raad met deze interpretatie afwijkt van de oorspronkelijke bedoeling van artikel 705 Rv, waarmee de effectieve waarde van de mogelijkheid voor de beslagene om zijn stem te laten horen steeds verder wordt ingeperkt.13 Ook De Greve heeft moeite met deze uitleg door de Hoge Raad: deze meent dat de betekenis van de imperatieve opheffingsgrond van summierlijke ondeugdelijkheid hiermee ‘een holle frase’ is geworden.14