Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.6.1
8.6.1 Matter of Lifschult Fast Freight: onderkapitalisatie ten tijde van een reddingspoging?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406879:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het Court vat dit dilemma treffend samen: “A business is ailing. Revenues are down, profits gone. Rather than let it die, the owners decide to try reviving it. Doing so will require an infusion of new funds. The owners drum up the needed funds but face a choice: which legal form should the owners use, equity or debt?” Lifschultz Fast Freight, Matter of, 132 F.3d 339 (7th Cir. 1997).
To hold otherwise would discourage those most interested in a corporation from attempting to salvage it through an infusion of capital.” (Lifschultz Fast Freight, Matter of, 132 F.3d 339 (7th Cir. 1997), p. 347).
Het Court spreekt over “the excess of total assets over total liabilities” of “shareholder equity”.
Lifschultz Fast Freight, Matter of, 132 F.3d 339 (7th Cir. 1997), p. 354.
Het Court of Appeals (7th Cir.) is in zijn uitspraak inzake Matter of Lifschult Fast Freight uitgebreid ingegaan op het dilemma waar aandeelhouders voor staan indien zij een vennootschap in financiële nood willen financieren.1 In deze zaak trachtte een curator een gesecureerde vordering van een (indirecte) aandeelhouder achter te stellen, op grond van het feit dat deze voortvloeide uit een lening die de aandeelhouder aan de vennootschap had verstrekt toen deze zich in een situatie van onderkapitalisatie bevond. Door gewijzigde marktomstandigheden was de vennootschap in zwaar weer beland, en in plaats van de activiteiten te liquideren, besloten de aandeelhouders leningen aan de vennootschap te verstrekken. Het door de aandeelhouders verstrekte krediet kon het faillissement van de vennootschap echter niet afwenden.
Het Court of Appeals wijdde eerst een aantal overwegingen aan het begrip onderkapitalisatie. Volgens het Court ontbeerde het concept een duidelijke inhoud:
“Undercapitalization is a poorly-defined phrase, and especially so in the context of bankruptcy. An undercapitalized firm is one without enough capital; but that tells us little. […] Under any definition, undercapitalization just means that a company does not have enough funds on its balance sheet or in the till. It is a common token for declining business fortune. Every firm in bankruptcy, and many outside, can in some sense be said to be undercapitalized – which is to say, to have insufficient funds on hand.”
Het Court of Appeals overwoog vervolgens dat onderkapitalisatie niet impliceerde dat de aandeelhouders laakbaar gehandeld hadden. Het Court wees erop dat crediteuren in staat moeten worden geacht om de voorwaarden van hun kredietverlening af te stemmen op de kapitalisatie van de vennootschap. Dat een vennootschap was ondergekapitaliseerd, betekende daarom nog niet dat crediteuren daardoor benadeeld waren.
Het Court merkte op: “[T]hat a highly leveraged company exposes creditors to serious risks is no new fact of commerce. Creditors are free to lend elsewhere. If they choose to lend to a company that then loses their investment, they cannot go to the bankruptcy court and cry misconduct.”
Vervolgens overwoog het Court of Appeals dat er ook crediteuren kunnen zijn die niet geacht kunnen worden de voorwaarden van hun kredietverlening op de kapitalisatie van de vennootschap te hebben afgestemd. In de onderhavige casus was volgens het Court echter in het geheel geen sprake van benadeling van crediteuren door de kredietverlening. De aandeelhouders hadden de vennootschap vers werkkapitaal verstrekt, zonder dat zij daartoe verplicht waren. Aangezien geen crediteuren waren misleid ten aanzien van de vorm van die financiering, zag het Court geen aanleiding om de lening van de aandeelhouders anders te behandelen dan die van een onafhankelijke derde. Het Court meende dat een andersluidend oordeel een te negatieve invloed zou hebben op de bereidheid van aandeelhouders om hun vennootschap te financieren in moeilijke tijden.2
Vervolgens ging het Court of Appeals in op de vraag hoe onderkapitalisatie precies diende te worden vastgesteld. Volgens het Court draaide het daarbij om een tweetal vragen: (1) wat dient te worden gemeten en (2) hoe dient dit te worden gemeten? Op de eerste vraag antwoordde het Court dat onderkapitalisatie niet ziet op de omvang van het werkkapitaal van de vennootschap, maar op de omvang van het eigen vermogen van de vennootschap.3 Het Court overwoog dat een vennootschap over voldoende werkkapitaal kan beschikken en toch ondergekapitaliseerd kan zijn. Een tekort aan werkkapitaal kan wél een gevolg of een symptoom zijn van onderkapitalisatie:
“Often the underlying reason [why a firm is not paying its debts when they come due] will be inadequate equity capital. Whether a shortage of working capital actually does reveal undercapitalization turns on why the firm is in arrears. […]”
Een te klein werkkapitaal impliceert niet zonder meer dat de vennootschap is ondergekapitaliseerd. Het Court wees op de mogelijkheid dat de vennootschap over voldoende eigen vermogen beschikt, maar dit vermogen ‘vast zit’ in materiële activa. In een dergelijk geval zal het liquiditeitstekort kunnen worden gemitigeerd door het aantrekken van krediet, mogelijk tegen de vestiging van zekerheden op de illiquide activa. Indien een liquiditeitstekort echter niet het hoofd kan worden geboden door bij te lenen, is dat een indicatie dat de vennootschap over te weinig eigen vermogen beschikt en dus ondergekapitaliseerd is, aldus het Court.
“The point is that a shortage of working capital is neither a sufficient nor a necessary condition for undercapitalization. As noted above, a firm could have a surfeit of working capital and still be undercapitalized. And, conversely, if a firm lacks working capital, a court cannot automatically conclude that it is undercapitalized as well.”
Vervolgens kwam het Court toe aan de tweede vraag: “how much equity capital is enough?” Het Court verwees naar Mobile Steel en overwoog dat er sprake was van onderkapitalisatie als de vennootschap het door de aandeelhouders verstrekte bedrag niet had kunnen lenen van een onafhankelijke derde. In casu was er een derde geweest die een lening had willen verstrekken, en daarom was de vennootschap in de ogen van het Court niet ondergekapitaliseerd. De curator had aangevoerd dat deze externe financier louter bereid was geweest de financiering te verstrekken indien de aandeelhouders zich persoonlijk garant zouden stellen voor het krediet, en dat dit een aanwijzing was dat de externe financier de vennootschap ondergekapitaliseerd achtte. Dit argument kon het Court echter niet overtuigen, omdat er ook andere redenen konden bestaan waarom een financier een garantie verlangde. Het Court of Appeals concludeerde daarom dat ten tijde van de kredietverstrekking van onderkapitalisatie geen sprake was.
Tot slot overwoog het Court of Appeals dat achterstelling in de onderhavige zaak mogelijk toch diende plaats vinden, vanwege het feit dat de salarisvergoedingen aan de aandeelhouders/bestuurders exponentieel toenamen in de periode waarin de vennootschap juist verlies maakte. Dit kon volgens het Court kwalificeren als inequitable gedrag dat noopte tot achterstelling van de verstrekte leningen, ook al hielden die in directe zin geen verband met de salarisvergoedingen.
“If an insider did commit such salary-inflating misconduct in this case, the salary inflation could justify equitably subordinating the (unrelated) secured claim of Salson Express. Any misconduct by an insider may be invoked to subordinate a particular claim of that insider, irrespective of whether it was related to the acquisition or assertion of that claim.”4