Accountantsaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/3.3.1.1.2:3.3.1.1.2 Literatuur ná 1990
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/3.3.1.1.2
3.3.1.1.2 Literatuur ná 1990
Documentgegevens:
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS300551:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Beckman (1991), p. 42.
Beckman (1991), p. 45 en Beckman (2006), p.16.
Bertrams (1991), p. 204.
Bisschop (1994), p. 27.
Reimers (2006a), p. 73.
Vloemans (2004), p. 78.
Vloemans (2004), p. 78.
Reimers (2006a), p. 74.
De Jong (2003), p. 606.
Slagter (2004).
Van den Akker (2001), p.164/165.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik bespreek de literatuur në 1990 omdat Beckman in ‘Persoonlijke aansprakelijkheid van de openbaar accountant’ reeds een helder overzicht geeft van de literatuur vóór 1990.1 Een korte samenvatting: er werd over het algemeen uitgegaan van aansprakelijkheid tegenover een onbeperkte kring, vanwege het feit dat de accountant zich richt tot het maatschappelijk verkeer. Në 1990 denkt men hier over het algemeen genomen genuanceerder over, vermoedelijk mede door de in deze periode gewezen jurisprudentie (zie paragraaf 3.3.1.1.3).
In de literatuur tussen 1990 en het Vie d’Or arrest is een tweedeling waar te nemen. Een groot deel van de auteurs (Reimers, Vloemans, Bertrams en Beckman) is van mening dat in beginsel geen sprake is van aansprakelijkheid ten opzichte van een onbeperkte kring van derden. Van den Akker is daarentegen van mening dat er wel sprake is van aansprakelijkheid ten opzichte van een onbeperkte kring van derden. Ik zal hierna kort de verschillende standpunten bespreken.
Beckman2 is van mening dat slechts onder bijkomende omstandigheden sprake kan zijn van een onrechtmatige daad van een accountant jegens een derde. Bijkomende omstandigheden zouden kunnen zijn:
bekend aanwezig specifiek gebruik (bijvoorbeeld in verband met het verkrijgen van een lening);
redelijkerwijs voorzienbaar gebruik (liquiditeitskrapte maakt het bijvoorbeeld zeer aannemelijk dat additionele financiering nodig is);
aannemelijk gebruik in het kader van een fusie of overname (bijvoorbeeld het vaststellen van het eigen vermogen als onderdeel van de koopprijs).
Het dient hierbij volgens Beckman te gaan om de feiten en gebeurtenissen die bekend waren of hadden moeten zijn ten tijde van het afgeven van de accountantsverklaring. Bertrams3 pleit voor terughoudendheid bij het aannemen van zorgplichten jegens derden. In zijn restrictieve benadering zijn derden ‘free riders’ die niet betalen voor rapportages waar zij op afgaan. Bisschop4 ziet slechts mogelijkheden voor aansprakelijkheid van de accountant jegens derden indien de accountant wist of behoorde te weten dat de jaarrekening (inclusief goedkeurende verklaring) door een specifieke derde voor een specifieke transactie zou worden gebruikt. Hij pleit er wel voor de aansprakelijkheid niet op een te beperkte wijze te benaderen, omdat de accountant door een aansprakelijkheidsrisico wordt gestimuleerd een grotere zorgvuldigheid te betrachten bij het uitoefenen van zijn controletaak.
Reimers5 en Vloemans6 staan stil bij de publieke functie van de accountant. Beiden zijn van mening dat uit deze publieke functie niet een algemene zorgvuldigheidsnorm ten aanzien van derden behoort voort te vloeien. Een claim van een derde zou alleen mogen slagen indien de accountant een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens deze derde heeft geschonden. Een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens een derde kan ontstaan indien de accountant weet dat een derde concreet op zijn verklaringen afgaat bij het nemen van een beslissing. Vloemans acht het niet voldoende dat een accountant kan voorzien dat derden in het algemeen van zijn verklaringen kennis (kunnen) nemen en op de juistheid daarvan vertrouwen.7 Bij de vaststelling van de zorgvuldigheidsnorm jegens een derde speelt volgens Reimers8 de zorgvuldigheidsnorm ten aanzien van de opdrachtgever een rol. Reimers is van mening dat beperkingen in de verklaring aan het gebruik of de aansprakelijkheid richting derden doorwerken. De Jong9 lijkt deze mening eveneens toegedaan. Hij stelt zelfs voor een specifieke derde, waarmee de accountant bekend is en waarvan de accountant weet dat deze zijn investeringsbeslissingen voor het overgrote deel zal laten afhangen van de verklaring van de accountant, te laten weten dat hij geen aansprakelijkheid jegens hem aanvaardt. Slagter10 is van mening dat een dergelijk exoneratiebeding niet werkt. Een exoneratiebeding werkt naar zijn mening slechts jegens benadeelden, die zich daarmee van tevoren akkoord hebben verklaard.
Van den Akker11 ziet in haar proefschrift wel aanleiding voor zorgplichten ten opzichte van een ruime kring van derden. Dit komt naar haar mening voort uit de monopoliepositie van de accountant op het gebied van de wettelijke controle. De wettelijke taak die ten grondslag ligt aan de monopoliepositie heeft ‘een ruimer doel dan slechts de belangen van de opdrachtgever’. Dit hangt samen met de relevantie van de werkzaamheden van de accountant in het maatschappelijk verkeer. De verplichte wettelijke controle is daarmee sterk op derden betrokken. Onder de ‘ruime’ kring van derden ten opzichte waarvan zorgplichten bestaan, verstaat zij derden waarvan de accountant ‘niet in concreto kon of moest voorzien dat zij (rechts)handelingen zouden verrichten in vertrouwen op de gecontroleerde jaarrekening’.