Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.5.2.5
5.2.5 Vruchten van onder uitsluitingsclausule verkregen goederen
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948259:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 4.2 van hoofdstuk 7.
Zie C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 130-131; Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/175; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/295; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 147-148; B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR 2) 2011, p. 31; Pitlo/Van der Burght & Doek, Personen- en familierecht 2002/316. Zie anders A.L.G.A. Stille, ‘(On)gemene vruchten en de uitsluitingsclausule in het nieuwe erfrecht’, WPNR 2005/6618. Stille wijst in dit kader op de gevolgen van het gesloten stelsel in het erfrecht van artikel 4:42 lid 1 BW.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 3, p. 16. Daar merken de initiatiefnemers het volgende op (onderstreping TS): “Hoewel in het voorgestelde artikel 94, zesde lid, is opgenomen dat vruchten van buiten de gemeenschap vallende goederen niet in de gemeenschap vallen, is dit in artikel 94, vierde lid, ten aanzien van onder uitsluitingsclausule verkregen goederen uitdrukkelijk bepaald. Achtergrond hiervan is dat voor de erflater of schenker de vrijheid bestaat om te bepalen dat de vruchten in de gemeenschap zullen vallen, maar dat de echtgenoten die krachtens erfrecht of gift onder uitsluitingsclausule verkrijgen, ook ten aanzien van de vruchten van goederen geen vrijheid hebben te bepalen dat deze vruchten in de gemeenschap vallen.”
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/295. Naar mijn mening is het niet voldoende om te bepalen dat de uitsluitingsclausule zich niet uitstrekt over de vruchten van de onder uitsluitingsclausule verkregen goederen. De vruchten vallen immers niet op grond van die uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap, maar op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW.
Zie paragraaf 5.3.1 hierna, randnummer 371, over de (on)mogelijkheid om bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen ten aanzien van alléén de vruchten van krachtens erfrechtelijke titel of gift verkregen goederen middels een insluitingsclausule de werking van artikel 1:94 lid 6 BW te doorbreken.
Zie ook paragraaf 5.3.1 hierna, randnummer 371.
De wet onderscheidt in artikel 3:9 BW burgerlijke vruchten en natuurlijke vruchten. Natuurlijke vruchten worden steeds voortgebracht door andere zaken (artikel 3:9 lid 1 BW). Deze vruchten worden met hun afscheiding zelfstandige roerende zaken (artikel 3:9 lid 4 BW). Burgerlijke vruchten zijn vruchten die vermogensrechten zijn, en dus geen zaken, ongeacht of ze worden voortgebracht door een zaak of door een (ander) recht (artikel 3:9 lid 2 BW). De burgerlijke vrucht wordt een zelfstandig recht door haar opeisbaar worden (artikel 3:9 lid 4 BW).
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/81 en 247-271, alsmede Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/307-328a.
Vgl. randnummer 364 hiervóór.
Zie anders Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/175.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/309.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/310.
Neemt men aan dat de erflater of gever de uitsluitingsclausule wél kan doen uitstrekken over de vruchten van de door hem gegeven of nagelaten goederen, dan kunnen de echtgenoten deze reikwijdte juist niet middels huwelijkse voorwaarden doorbreken. In dat geval staat het dwingende karakter van de uitsluitingsclausule daaraan in de weg. Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 3, p. 16 en paragraaf 5.2.3 hiervóór.
Zie paragraaf 5.2.4.2 hiervóór.
368. Artikel 1:94 lid 4 oud BW en artikel 1:94 lid 6 BW bepalen dat van de werking van boedelmenging ook zijn uitgezonderd de vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen.1 Deze bepaling heeft ook werking wanneer een goed krachtens uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen. In de tekst van artikel 1:94 lid 4 BW is daarnaast ook nog eens met zoveel woorden opgenomen dat ook de vruchten van goederen die onder uitsluitingsclausule zijn verkregen buiten de huwelijksgemeenschap vallen. De vraag is vervolgens of de erflater of gever bij uiterste wilsbeschikking of gift kan bepalen dat de vruchten van het door hem onder uitsluitingsclausule gegeven of nagelaten goed tóch tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren waarin de erfgenaam of begiftigde is gehuwd. Deze vraag vormt het spiegelbeeld van de discussie die speelde vóór invoering van artikel 1:94 lid 4 oud BW per 1 januari 2012. Toen werd gestreden over de vraag of het mogelijk was de werking van een uitsluitingsclausule uit te breiden naar de vruchten van het goed. Over het algemeen werd aangenomen dat dit mogelijk was.2 De discussie hierover werd achterhaald door invoering van artikel 1:94 lid 4 oud BW. Thans wordt echter bepleit dat het ook mogelijk zou zijn dat de erflater of gever bij gift of bij de uiterste wilsbeschikking bepaalt dat de werking van artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW wordt doorkruist, met als gevolg dat de vruchten van de door hem onder uitsluitingsclausule gegeven of nagelaten goederen wél in de huwelijksgemeenschap vallen waarin de erfgenaam of begiftigde is gehuwd.3 Deze opvatting wordt ook gehuldigd door de initiatiefnemers van de Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen.4 Dit alles zou dan kunnen worden bewerkstelligd door aan vruchten van de onder uitsluitingsclausule verkregen goederen juist weer een insluitingsclausule te verbinden.5, 6 In deze opvatting zou het dan ook mogelijk moeten zijn om alleen aan de vruchten van gegeven of nagelaten goederen een uitsluitingsclausule te verbinden.7 Naar mijn mening kunnen beide mogelijkheden niet aanvaard worden. Daartoe is van belang dat vruchten als zelfstandige goederen kwalificeren, die (pas) ontstaan op het moment dat zij afgescheiden of opeisbaar worden.8 De vruchten van goederen die nog niet zijn afgescheiden of opeisbaar zijn geworden op het moment dat de gever een goed overdraagt of de erflater overlijdt kwalificeren dus als absoluut toekomstige goederen. Zij bestaan op dat moment dus nog niet.9
369. De bevoegdheid van een erflater of gever om bij uiterste wilsbeschikking of gift aan een verkrijging een in- of uitsluitingsclausule te verbinden vloeit voort uit zijn bevoegdheid om als eigenaar over die goederen te beschikken.10 Omdat de nog niet afgescheiden vruchten als absoluut toekomstige goederen kwalificeren, is de schenker of erflater niet bevoegd om over die vruchten te beschikken. Dat betekent dat hij de latere verkrijging daarvan door de erflater of begiftigde niet kan clausuleren. Aan dit alles doet niet af dat toekomstige goederen bij voorbaat geleverd kunnen worden.11 Die bevoegdheid vloeit voort uit artikel 3:97 lid 1 BW. Middels een levering bij voorbaat nemen de vervreemder-bij-voorbaat en de beoogde verkrijger als het ware een voorschot op de toekomstige verkrijging van het goed door de vervreemder. Op het moment dat de vervreemder het goed verkrijgt, gaat dat goed door de levering bij voorbaat vanzelf over op de beoogde verkrijger zonder dat daar nog enige andere handeling voor verricht hoeft te worden.12 Een levering bij voorbaat zal dus pas tot een overdracht leiden wanneer de vervreemder het goed zelf heeft verkregen, en aldus beschikkingsbevoegd is geworden.13 Met een verwijzing naar de mogelijkheid tot een levering bij voorbaat kan dus niet gemotiveerd worden dat een schenker of erflater bevoegd zou zijn om ten aanzien van toekomstige vruchten van goederen die van de huwelijksgemeenschap zijn uitgesloten te bepalen dat deze – in weerwil van artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW – tóch in de huwelijksgemeenschap vallen waarin de erfgenaam of begiftigde is gehuwd. De schenker of erflater wordt immers op geen enkel moment beschikkingsbevoegd ten aanzien van deze vruchten. Dit betekent dat de vruchten van goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking of gift is bepaald dat zij buiten de huwelijksgemeenschap vallen, op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW altijd buiten de huwelijksgemeenschap zullen vallen, tenzij de echtgenoten zélf bij huwelijkse voorwaarden van die bepaling zijn afgeweken.14 De erflater of gever kan daar géén invloed op uitoefenen. Evenmin kan een erflater of gever alleen aan de vruchten van een door hem gegeven of nagelaten goed een uitsluitingsclausule verbinden. Neemt men evenwel aan dat een erflater of schenker dat allemaal wel kan, dan geldt dat dit in ieder geval niet mogelijk is wanneer het een gift betreft die bestaat uit de kwijtschelding van een lening of een deel van de tegenprestatie bij de verkrijging van een goed, dan wel een gift die bestaat uit een overdracht van een goed tegen een te lage tegenprestatie. Weliswaar kan het in die constructie krachtens koop verkregen goed via de weg van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog buiten de huwelijksgemeenschap blijven, maar het object van de gift blijft in dat geval de kwijtschelding of het voordeel dat in de te lage tegenprestatie besloten ligt.15 Een dergelijke gift (i.e. een kwijtschelding of een materiële bevoordeling) kan naar zijn aard geen vruchten opleveren. De gever heeft in dat geval dus überhaupt niet de vrijheid om te ‘beschikken’ over de vruchten van het goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen. Daardoor zullen de vruchten op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW altijd buiten de huwelijksgemeenschap vallen, tenzij de echtgenoten zelf bij huwelijkse voorwaarden van die bepaling zijn afgeweken. En om diezelfde reden kan een gever ook geen uitsluitingsclausule verbinden aan alléén de vruchten van een goed dat is verkregen middels een ‘directe’ of ‘indirecte’ kwijtschelding dan wel een materiële bevoordeling. Is aan de gift zelf geen uitsluitingsclausule verbonden, dan zullen de vruchten van het krachtens voornoemde constructie verkregen goed altijd in de huwelijksgemeenschap vallen. Ook hier staat het object van de gift er aan in de weg dat de gever aan uitsluitend de verkrijging van de vruchten een uitsluitingsclausule kan verbinden.