Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/1.4
1.4 Onderzoeksvraag en opzet van het onderzoek
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS622643:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.5.
Zie par. 8.8.2. Ook naar Engels recht maakt het hypotheekrecht doorgaans deel uit van een breder zekerhedenpakket. Een financier beschikt daarom over het algemeen over nog meer bevoegdheden dan die in dit proefschrift worden behandeld. Bijvoorbeeld bevoegdheden die voortkomen uit een (additioneel) pandrecht op de huurvorderingen (assignment of the rents), op aandelen, een persoonlijke borgstelling en, niet te vergeten, de floating charge. Het gaat echter de grenzen van dit onderzoek te buiten om een volledige vergelijking te maken tussen de posities van financiers die zich naar het recht van beide landen maximaal indekken. Voor wat betreft de bevoegdheid van een Engelse hypotheekhouder is daarom vastgehouden aan de bevoegdheden die hij uit hoofde van zijn hypotheekrecht heeft. Het is dus ‘eenrichtingsverkeer’; op basis van dit onderzoek kan alleen worden vastgesteld of de positie van de Engelse hypotheekhouder op bepaalde punten sterker is dan die van de Nederlandse, maar niet andersom. Voor dat laatste zou immers het Engelse recht verder geanalyseerd moeten worden. Om deze reden zijn ook bevoegdheden van de hypotheekhouder ten aanzien van roerende zaken (zoals de mogelijkheid om bepaalde verpande zaken ex art. 3:254 BW met het verhypothekeerde goed te executeren) buiten het onderzoek gehouden.
Op basis van het voorgaande is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd:
Welke inzichten biedt het Engelse recht ten opzichte van het Nederlandse recht in het kader van de uitwinning van een hypotheekrecht op commercieel vastgoed?
Deze vraag wordt beantwoord vanuit het perspectief van de hypotheekhouder: het gaat om bevoegdheden die mogelijkerwijs bijdragen aan het terugbetaald krijgen van de hypothecaire vordering. Op deze hoofdvraag wordt een antwoord geformuleerd aan de hand van de volgende deelvragen:
Welke bevoegdheden heeft een hypotheekhouder naar Engels recht?
Hoe worden deze hypothecaire bevoegdheden naar Engels recht bij commercieel vastgoed toegepast?
In hoeverre bestaan met het Engelse recht vergelijkbare hypothecaire bevoegdheden naar Nederlands recht?
Voor zover er vergelijkbare bevoegdheden bestaan: op welke punten kan het Engelse recht bijdragen aan de uitleg en invulling van die bevoegdheden in de Nederlandse praktijk?
Zoals gezegd is in dit onderzoek de positie van de Engelse hypotheekhouder als uitgangspositie genomen. Daarom wordt eerst in hoofdstuk 2 een introductie gegeven van het Engelse hypotheekrecht en de bevoegdheden die een hypotheekhouder naar Engels recht heeft (deelvraag 1). Het Engelse hypotheekrecht wordt daarbij wel direct afgezet tegen het Nederlandse, zodat de overeenkomsten en verschillen tussen deze beide hypotheekrechten duidelijk worden. Aan de hand daarvan kunnen de hypothecaire bevoegdheden in de latere hoofdstukken beter over het voetlicht worden gebracht. Tevens wordt in dit hoofdstuk de terminologie besproken zoals deze in dit proefschrift is gehanteerd.
In hoofdstuk 3 tot en met 5 wordt vervolgens stilgestaan bij de toepassing van de Engelse hypothecaire bevoegdheden in geval van commercieel vastgoed als hypotheekobject (deelvraag 2). Er wordt aandacht besteed aan het ontstaansmoment van de bevoegdheden, de wijze waarop de hypotheekhouder die bevoegdheden mag aanwenden, de omvang van de bevoegdheden en de aansprakelijkheden die daar tegenover staan.
De uitgewerkte bevoegdheden vormen de basis voor hoofdstuk 6 tot en met 8, waarin het Engelse hypotheekrecht met het Nederlandse hypotheekrecht wordt vergeleken. Deze vergelijking vindt plaats aan de hand van twee uitwinningstrajecten: een verkooptraject en een alternatief traject waarin het vastgoed door de hypotheekhouder in beheer genomen wordt. Aan de hand van deze twee trajecten wordt onderzocht in hoeverre de Engelse bevoegdheden ruimer zijn dan de Nederlandse bevoegdheden (deelvraag 3). Op enkele punten, waarop de positie van de Nederlandse hypotheekhouder achterbleef bij die van de Engelse, is voor de Nederlandse hypotheekhouder ook aandacht geschonken aan aanvullende zekerheidsrechten (zoals een pandrecht op huurvorderingen)1 of verbintenisrechtelijke figuren (zoals lastgeving), die zijn positie zouden kunnen versterken en zo dichter bij die van de Engelse hypotheekhouder zouden kunnen brengen.2
In deze laatste drie vergelijkende hoofdstukken wordt tevens het antwoord op de vierde deelvraag gegeven. In het kader van de twee genoemde uitwinningstrajecten worden de Nederlandse hypothecaire bevoegdheden besproken. Bij die uiteenzetting zal duidelijk worden op welke punten in de literatuur en rechtspraak onduidelijkheid of onenigheid bestaat over de uitleg, invulling of toepassing van de verschillende Nederlandse bevoegdheden. Geïnspireerd op de Engelse bevoegdheden die in de eerdere hoofdstukken zijn beschreven, kan worden geconcludeerd of het Engelse recht daar meer houvast kan bieden.